Sam Harris: The End of Faith en het begin van het leven


The End of Faith is de titel van het boek dat Sam Harris in 2004 schreef en dat een jaar later als paperback uitkwam. De ondertitel, Religion, Terror and the Future of Reason, geeft de inhoud vrij goed weer, achteraf gezien. Er kwam veel reactie, van verscheidene kanten en het antwoord daarop van Harris verscheen in boekvorm: Letter to a Christian Nation.
Harris is een felle tegenstander van elke vorm van geloof, vanuit een zuiver intellectueel standpunt, maar ook omwille van de nefaste invloed die geloof heeft op mensen. Daarvan geeft hij talloze voorbeelden, vooral uit de Islamwereld en men moet toegeven dat hij die voorbeelden niet ver heeft moeten zoeken. Daarnaast meent hij dat wat goed is in godsdienst, net zo goed zonder godsdienst kan: gemeenschapsvorming, ethisch leven…
Het is een vreemd, frustrerend boek. Er zijn uitstekende passages, overtuigend geschreven, met sterke argumenten. Er zijn ook ronduit agressieve passages, die duidelijk geschreven zijn met de bedoeling om te schokkeren; ik zal niet zo ver gaan om van kwaadwilligheid te spreken, maar het is toch wel duidelijk dat Harris de Islam geen goed hart toedraagt. Sommige passages zijn dan weer weinig meer dan journalistieke controverse. Al bij al is het, naar mijn aanvoelen, een te snel geschreven werk, met meer retoriek dan nuttig, een ongelijke opeenstapeling van gedachten en redeneringen, waarvan de samenhang vaak zoek is. Daardoor is het uiteindelijk onevenwichtig en verliest het aan overtuigingskracht. Het laatste deel is een verrassend pleidooi voor het Boeddhisme en meditatietechnieken; ook vanuit atheïstische hoek is hem dat nogal kwalijk genomen.
Technisch gezien had ik het moeilijk met de zeer talrijke eindnoten: 62 bladzijden zeer kleine druk; soms is het gewoon een referentie naar een artikel of boek, soms een kort commentaar, soms ook een excursus van enkele bladzijden. Dat is ergerlijk storend: je weet op voorhand niet of de noot nodig is om het verdere betoog te volgen, dan wel een simpele verwijzing; je zit dus telkens heen en weer te bladeren, met twee bladwijzers en in de helft van de gevallen stel je dan met een zucht vast dat het weer gewoon een bibliografische verwijzing is, die je helemaal niet nodig hebt op dat moment, wreed ambetant; het is nog een bewijs voor de gebrekkige structurele opbouw van het boek.
In de tijd van de Verlichting mocht je als auteur van een antireligieus boek al blij zijn dat het gedrukt werd; als er van de oplage van enkele honderden exemplaren een tiental niet in beslag genomen werden, dan had je geluk. De tijden zijn veranderd: Harris heeft honderdduizenden exemplaren verkocht, hij stond 33 weken op de bestsellerslijsten. Ik vond geen Nederlandse vertaling.
Ik wil even wat dieper ingaan op een van de vele discussies die hij aansnijdt in The End of Faith, namelijk de kwestie van het gebruik van stamcellen. We hebben er allemaal wel al over gehoord, maar waarover gaat het precies? De Paus is ertegen en George Bush heeft alle overheidssteun onttrokken aan onderzoek op stamcellen. Je zou dan verwachten dat het gaat om het ultra-conservatief verzet van fundamentalistische christenen tegen de evidente vooruitgang van de wetenschap en zo stelt Harris het ook voor. Maar zo eenvoudig is het niet, vind ik.
Vooreerst moeten we een onderscheid maken tussen stamcellen afkomstig van embryo’s en die van volwassenen. Bij de volwassen mens zorgen stamcellen voor de constante vernieuwing van het lichaam. Men kan ze onttrekken aan navelstrengbloed en aan het ruggenmerg om ze te gebruiken om allerlei ziekten te bestrijden. Stamcellen komen ook voor in de eerste fase na de bevruchting van menselijke eicellen, de eerste drie tot vijf dagen, als er ongeveer 50 tot 150 cellen gevormd zijn. Het interessante aan die cellen is dat ze voor ongeveer alles kunnen ingezet worden, ze zijn nog niet gespecialiseerd. Door cloning en andere technieken bekomt men cellen met een hoge therapeutische inzetbaarheid. Op dit ogenblik gebeurt er op verscheidene plaatsen in de wereld wel onderzoek op embryonale stamcellen, maar is er nog geen goedgekeurde therapie. Naast technische moeilijkheden is er namelijk ook een ethische kwestie: bij het aanmaken van stamcellen voor therapeutisch gebruik wordt het zeer prille embryo vernietigd. Daarom werkt men nu vrijwel overal met stamcellen van volwassenen, of zoekt men naar technieken die de embryo’s niet vernietigen.
De geneeskunde en de farmaceutische industrie verwacht zeer veel van het therapeutisch gebruik van stamcellen voor ziekten waarvoor men nu nog geen therapie heeft: kanker, Parkinson en vele andere vaak voorkomende ziekten. Stamcelonderzoek is grensverleggend, een topprioriteit aan universiteiten en medische centra.
Harris maakt geen onderscheid tussen embryonale en volwassen stamcellen; hij verdedigt met aandrang het onderzoek op blastocysten, de bevruchte cellen in het vroegste stadium. Hij doet dat op een naar mijn aanvoelen grove manier: na drie of vijf dagen kan men helemaal nog niet spreken van een mens; die 150 cellen kunnen geen pijn voelen, dus mag men er zonder meer alles mee doen wat nuttig kan zijn voor de bestrijding van belangrijke ziekten, in de eerste plaats onderzoek, maar hij sluit ook therapeutische gebruik, wanneer dat mogelijk zou zijn, niet uit.
Ik heb het daar zeer moeilijk mee. Een bevruchte eicel is geen mens, dat is evident. Maar het is ook niet niets. Dergelijke cellen komen ter beschikking tijdens het proces van in-vitrofertilisatie: het zijn overschotjes, als het ware, bevruchte eicellen die men heeft ‘aangemaakt’ maar die niet ingeplant worden om een of andere reden. Ik vermoed dat de meeste mensen hopen dat men met die cellen een beetje eerbiedig omspringt: van de ingeplante exemplaren hoopt men dat ze uitgroeien tot een mens en dat maakt ze heel speciaal. Het is dus niet verwonderlijk dat men ook voor de niet-geselecteerde bevruchte eicellen enig respect verwacht; ik hoorde ooit een onderzoeker verklaren dat die gewoon weggegooid werden, zonder meer, met het afwaswater, letterlijk. Experimenten op levende cellen, die al een aantal dagen aan het ontwikkelen zijn en waarbij een einde gesteld wordt aan de verdere ontwikkeling om bepaalde onderdelen te gebruiken voor therapieën, zijn overal ter wereld controversieel. Het is dan ook ongepast om zo brutaal elk bezwaar van uit religieuze zijde tegen embryonaal stamcelonderzoek af te wijzen. In dit geval verwoordt de rechterzijde een algemeen menselijk aanvoelen en het verbaast me dat Harris dit aangrijpt als een voorbeeld van de nefaste invloed van religie op de maatschappij. Ik ben eigenlijk verbijsterd dat hij dat zelf niet aanvoelt. Hij bewijst daarmee het atheïsme of de redelijkheid, waarmee hij zo hoog oploopt, helemaal geen dienst. Men kan niet alles rationaliseren, er zijn grenzen, er zijn principes, en het begin van het menselijk leven is te belangrijk om er zo lichtvaardig over te spreken en te schrijven. Het helpt ook niet om te verwijzen naar evoluties in het aanvoelen van de mens: ik wens niet te leven in een maatschappij waarin men zonder enige scrupule tijdelijke vormen van menselijk leven zou gaan kweken met als enig doel het oogsten van therapeutisch materiaal, zelfs indien er geen andere therapie zou zijn, wat overigens helemaal niet het geval is.
Ik sta dan ook zeer huiverig tegenover experimenten zoals aan de Katholieke Universiteit Leuven, waar men blijkt te werken op embryonale stamcellen, maar dan zonder de cellen te ‘doden’: men kloont cellen en neemt dan de klonen weg. Ik vraag me dan af wat er verder gebeurt met de bevruchte eicellen: worden ze na het klonen nog gebruikt om in te planten? Want als dat niet zo is, dan moeten ze vroeg of laat toch ‘afgevoerd’ worden, want helemaal in vitro kunnen we nog geen mensen maken.
Net als de meesten onder ons weet ik te weinig over deze technieken om een gefundeerd oordeel te vormen. Toch pleit ik voor de grootste voorzichtigheid hieromtrent. Het is een discussie die mijlen ver af staat van bijvoorbeeld het probleem van abortus, waar toch altijd sprake is van een noodsituatie, bij het kind of de ouders. Hier gaat het daarentegen om het therapeutisch gebruik, mogelijks op industriële schaal, van menselijk materiaal dat in essentie bezig is uit te groeien tot een volwaardig zelfstandig persoon en waarbij door een klinische ingreep een einde wordt gesteld aan dat leven.
Je moet voorwaar geen gelovige zijn om daartegen zeer principiële bezwaren te hebben.



















