De wereld op zijn kop: de Britse Revolutie

Om koning te worden, moet je slechts aan één voorwaarde voldoen: het volstaat dat je de (oudste) zoon van de vorige koning bent. Dat is vanzelfsprekend, maar verre van evident. Er zijn immers maar heel weinig functies die wij vandaag nog op die manier invullen. Als we ergens anders dan hier bij ons die erfelijke troonopvolging zien gebeuren, bijvoorbeeld destijds in Haïti met Papa Doc en Baby Doc, of in Korea met de Kim-dynastie, dan maken we daarover behoorlijk vrolijk of ergeren ons eraan. Kinderen van Vlaamse politici stappen ook wel eens in de politiek, maar insisteren dat ze dat doen op eigen kracht en verdienste. In België en in Nederland, maar ook in Spanje en Groot-Brittannië is het ogenblik van de troonopvolging niet meer veraf. Of die overgang vlekkeloos verloopt, zal in belangrijke mate afhangen van de opvolger, de kroonprins in kwestie. In België kan men zich daarom aan ernstige constitutionele moeilijkheden verwachten. Prins Philippe is volgens alle waarnemers nu eenmaal niet de meest geschikte persoon om de rol van koning op zich te nemen, en dan blijven we nog beleefd. Bovendien is men in Vlaanderen heel wat minder royalistisch dan in Franstalig België, niet in het minst omdat het koningshuis, ondanks enige inspanningen om ook Nederlands te spreken, toch van huis uit Franstalig is. De Vlaamse Beweging is dan ook erg republikeins. De huidige voorzitter van het Vlaams Parlement maakt daar bijvoorbeeld geen geheim van.
De erfelijke troonopvolging heeft in Groot-Brittannië herhaaldelijk aanleiding gegeven tot twisten en zelfs regelrechte revoluties en burgeroorlogen. Een merkwaardige periode uit die geschiedenis vormt de 17de eeuw. Er was toen nog geen sprake van Groot-Brittannië. Je had Engeland, Wales, Schotland en Ierland en dat waren autonome regio’s. In Schotland waren de Stuarts aan de macht; in 1503 was de Schotse koning James IV gehuwd met de oudste dochter van de Engelse koning: Margareth Tudor. Toen in Engeland Elizabeth I stierf na een lang en voorspoedig bewind was ze nog steeds ongehuwd en kinderloos. Haar hofhouding had er alles aan gedaan om de regerende vorst van Schotland, James IV als erfgenaam aan te duiden en dat gebeurde ook in 1603, toen hij de Engelse troon besteeg als James I.
Men noemt dat een personele unie: de twee koninkrijken bleven afzonderlijk bestaan, ze hadden alleen dezelfde koning. Iets dergelijks zal wellicht ook in België gebeuren: naarmate de regio’s meer onafhankelijk worden zal de koning, als er nog een is, over twee of drie of zelfs vier verschillende ‘landen’ ‘heersen’, allicht in een louter protocollaire functie.
James I probeerde met alle macht van de twee koninkrijken één te maken, maar geen van beide wou daar van weten, ze verkozen hun historische autonomie. Bovendien was Engeland Anglicaans en Schotland zeer Calvinistisch. Maar hoewel de samenwerking tussen de absolutistische koning en zijn beide parlementen zeer stroef verliep, vormde zijn regering (1603-1625) een periode van binnenlandse vrede. De fraaie Bijbelvertaling van 1611 heeft zijn naam onsterfelijk gemaakt: de King James Bible.
Zijn (tweede) zoon volgde hem op als Charles I. Die had van zijn vader de idee overgenomen dat het koningschap niet alleen erfelijk was, maar ook absoluut en door God gewild en verordend. Hij ging dan ook de confrontatie aan met het parlement en probeerde het zijn wil op te leggen, vooral voor het verhogen van de belastingen. Hij nam zijn rol als hoofd van de Anglicaanse kerk al even ernstig en kwam daardoor in conflict met de kerkelijke hiërarchie in Engeland en Schotland. Toen hij ook nog trouwde met een katholieke prinses, vond men dat de maat vol was. Er brak een oorlog uit tussen de troepen van het Parlement en die van de vorst (1642-45) en hij werd daarin verslagen, maar weigerde een constitutionele monarchie te aanvaarden met het parlement als belangrijkste speler. Hij vluchtte en er brak een tweede burgeroorlog uit (1648-49) die hij evenwel weer verloor. Nu werd hij niet alleen gevangen genomen maar ook berecht, veroordeeld wegens hoogverraad en terechtgesteld.
Van 1649 was Engeland eerst een Commonwealth, dan een Protectoraat onder Oliver Cromwell en even onder zijn zoon, dan weer een Commonwealth, tot in 1660. Het was een woelige periode. Het leger dat het Parlement op de been had gebracht, bestond grotendeels uit het ‘gemeen’, het gewone volk, dat in de opstand tegen de vorst en de grote landeigenaars een gelegenheid zag om zijn grieven te uiten en meer rechten te bekomen. Maar de leiders van de opstand, die aanvankelijk in die ideologie van rechten voor het volk mee opstapten, namen al gauw de rol van de vorst en het hof over. De tijd was niet rijp voor een volksdemocratie. Er volgde dus een restauratie. De zoon van de terechtgestelde Charles I was naar het buitenland gevlucht maar keerde in 1660 terug en werd in 1661 gekroond als Charles II, alsof er niets gebeurd was. Er volgde een algemene amnestie, behalve voor de koningsmoordenaars, zij die het decreet voor de terechtstelling hadden ondertekend; zij werden gevangen genomen, veroordeeld, opgehangen een gevierendeeld. De lijken van Cromwell en enkele medestanders werden opgegraven en publiek opgehangen in ketens.
Er kwam ook een einde aan de godsdienstige revolutie, waarin allerlei radicale strekkingen hadden gebruik gemaakt van de opstand tegen het burgerlijk gezag om ook het wereldlijk gezag van de staatskerk aan te vallen en de gevestigde theologie te verwerpen. In 1662 werd de Anglicaanse kerk en de macht van de bisschoppen in ere hersteld. Maar Charles II had een verborgen agenda. Hij zocht in het geheim contact met zijn neef, Louis XIV van Frankrijk, met het oog op een verbond tussen hun beider landen. Daarbij zou hij zelf tot het katholicisme terugkeren en het katholicisme ook in Engeland herstellen. Hij liet ten minste 12 buitenechtelijke kinderen na, maar geen legitieme.
Zijn broer en erfgenaam werd koning James II in 1685. Hij was even absolutistisch als zijn voorgangers en bovendien katholiek. Toen hij ook nog een katholieke zoon en troonopvolger kreeg, was dat vooruitzicht teveel voor het parlement. Men deed een beroep op de protestantse stadhouder van Holland, Willem van Oranje, om de troon over te nemen. Willem was een neef van James, maar ook zijn schoonzoon: hij was getrouwd met Mary, de dochter van James. Zij bestegen samen de troon van Engeland als William III en Mary II. Na haar dood in 1694 was hij alleen koning, tot zijn eigen dood in 1702. Hij werd opgevolgd door Anne, zijn schoonzus, de andere dochter van James II (die naar Frankrijk gevlucht was en daar bleef tot zijn dood in 1701). Anne regeerde tot in 1714 en stierf kinderloos. Al in 1701 had men beslist in dat geval een beroep op een (protestantse!) kleindochter van James I, Sophia die gehuwd was met de keurvorst van Hannover. Maar Sophia was gestorven in juni van 1714 en dus was het haar zoon die als George I koning van Engeland, Schotland en Ierland werd in 1714.
Opvallend in deze periode is enerzijds de invloed van de perikelen rond de erfopvolging: als er geen troonopvolger in rechte lijn was, moest men ergens anders gaan aankloppen, zoals hier in België ook al enkele keren gebeurd is, laatst ook toen Boudewijn kinderloos stierf en zijn broer Albert het overnam. Anderzijds blijkt ook zeer duidelijk dat de erfelijke opvolging niet zomaar werd aanvaard. Zo zijn tot op vandaag katholieken uitgesloten van de Britse troon. En als een vorst zich verzette tegen het volk, dan aarzelde men niet om gewapend in opstand te komen en de koning gewoon terecht te stellen als een misdadiger, of hem te verjagen naar het buitenland. Het leger van Willem van Oranje bestond trouwens grotendeels uit buitenlandse huurlingen, onder wie veel katholieken…
De 17de eeuw was ook op de Britse eilanden een periode van grote religieuze onrust. Het was al begonnen met de Reformatie, die in Engeland niet zozeer op theologische gronden ontstond maar omwille van een conflict tussen de Paus en de Engelse vorst, officieel over zijn echtscheidingen, maar in de grond over de wereldlijke macht van Rome en de katholieke kerk in Engeland. Ook in Duitsland zou de Dertigjarige Oorlog veeleer daarover gaan dan over godsdienstige twisten. Maar het was duidelijk dat het religieus gezag door iedereen in vraag werd gesteld: door de vorst die er een beperking in zag van zijn eigen macht; door de adel, die in de rijke bisschoppen en kerkvorsten belangrijke concurrenten had; door de lagere geestelijkheid die zich ergerde aan de bandeloze levensstijl van hun hogere oversten; en ten slotte niet in het minst door de arme gelovigen, die een tiende van hun inkomsten moesten afdragen aan de geestelijkheid, die zich bovendien vaak uiterst arrogant gedroeg. Voeg daarbij de kritiek die alom naar boven kwam op de letterlijke waarheid van de Bijbel en op de dwaze en inhalige leer van de kerk, vooral inzake de verkoop van aflaten voor zonden.
Toen het parlement dus de strijd aanging met het legitieme gezag, het koningshuis, de adel en de kerkelijke overheid, deed het een beroep op de lagere standen: de arbeiders, de boeren, de ambachtslui, de kooplieden en handelaars en ook de groeiende massa van proletariërs, rondzwervende vroegere lijfeigenen die zich hadden losgemaakt van hun feodale heren en die in toenemende mate bijeentroepten in de grotere steden of eigen nederzettingen stichtten op het platteland. Daarmee kregen al de sociale, economische en religieuze verzuchtingen plots een legitieme uitlaatklep.
Die revolutionaire situatie is het onderwerp van een diepgaande studie van Christopher Hill, The World Turned Upside Down. Radical Ideas during the English Revolution, 431 pp., 1972, Penguin 1991, £12,99 paperback. De auteur gaat ervan uit dat de lezer op de hoogte is van de grote lijnen van de gebeurtenissen. Ik weet niet of dat in Groot-Brittannië vandaag overal het geval is, maar hier zeker niet, vandaar dat ik de geschiedenis hierboven even heb weergegeven. Hij concentreert zich volledig op de radicale bewegingen die toen ontstaan en open gebloeid zijn, op de leiders ervan en op hun geschriften, op hun successen en teleurstellingen, op hun onthaal bij de gewone mens en bij de gezagsdragers, op hun opgang en hun uiteindelijke teloorgang en recuperatie. Het is een fascinerend verhaal met vele lessen voor onze eigen tijd.
Ook wij leven immers in een periode van ingrijpende veranderingen en van democratische kritiek op het gezag. De burger is vandaag niet meer bereid om welk gezag dan ook zomaar te aanvaarden. Hij is ervan overtuigd dat hij zelf de grond is van elke autoriteit. Hij heeft de wereldlijke macht in handen gegeven van de verkozenen des volks, en niet van adellijke heren. Hij roept die verkozenen voortdurend ter verantwoording en stuurt hen desgevallend naar huis bij de verkiezingen. Aangezien de kerk zich niet onderwerpt aan die democratische controle, heeft hij haar de rug toegekeerd of tersluiks de concrete macht in de parochies naar zich toegetrokken; de resterende wereldlijke macht van de kerk wordt krachtig aangevochten, haar dotaties in vraag gesteld. Er is een grote ideologische vrijheid die zorgt voor een verscheidenheid van politieke en sociale opvattingen.
Hoe wij nu leven, is ondenkbaar zonder ons verleden, zonder de revoluties uit het verleden. De Britse revolutie van 1640-1660 is mislukt, maar anderzijds is de wereld toen even grondig veranderd als 150 jaar later in Frankrijk. Ook daarop volgde een restauratie, maar geen terugkeer naar het absolutisme en de feodaliteit. Zo gaat de wereld stap voor stap vooruit, met vallen en opstaan. Het is jammer dat wij zo weinig weten over de strijd die onze voorvaderen hebben geleverd voor onze ogenschijnlijk vanzelfsprekende vrijheden. Hun bloed is het zaad geweest voor wat wij oogsten.
Ik heb geen Nederlandse vertaling gevonden van dit nochtans fundamenteel werk, dat je vermeld vindt in bijna elk belangrijk historisch werk. Ik heb het al vaker gezegd en geschreven: je kan beter één boek als dit lezen dan allerlei vulgariserende of romantiserende verhalen. Helaas zal je dat dan moeten doen in het Engels. Dat is minder lastig dan je misschien zou denken en dat is dan vooral te danken aan de briljante schrijfstijl van professor Christopher Hill (1912-2003).














