
Alle menschen wirden Brüder…
Zo zingen we in onze Europese hymne op de woorden van Friedrich Schiller. Precies dat stukje is een aanpassing aan de tekst die hij in 1803 aanbracht. Blijkbaar had ook hij nog enige twijfels. Een jaar geleden, op 22 december 2006, schreef ik hier al over wat mensen gelijk maakt en ook wat hen van elkaar onderscheidt. Die twee aspecten komen als bij een pendelbeweging beurtelings naar voren bij allerlei gelegenheden en zijn dan bron voor commentaar. Als kinderen in de arme gebieden van deze aarde massaal sterven omdat ze (onder meer) geen drinkbaar water hebben, dan voert een menslievende organisatie daarover een campagne. Men doet dan een beroep op onze morele verontwaardiging: zoiets kán toch niet! Dat mogen we toch niet laten gebeuren! Daar moet iets aan gedaan worden! Stort op rekeningnummer 000…, bijdragen vanaf € 30 zijn fiscaal aftrekbaar.
De basis van de redenering is een onderliggende algemene regel, namelijk dat alle mensen gelijk zijn, dat elk mensenleven even belangrijk is. Onze kinderen hier bij ons hebben het goed, dus mogen we niet toelaten dat kinderen in Afrika omkomen van ontbering. De conclusie daaruit is niet dat we de Afrikaanse landen onder druk zetten om meer te doen voor de drinkwatervoorziening (en bijvoorbeeld minder voor de aankoop van wapens en het voeren van onderlinge oorlogen, voor wagens, televisies en vele andere nutteloze luxeproducten, die ze allemaal bij ons komen kopen, tot en met bontjassen). Nee: blijkbaar hebben wijzelf als mens een persoonlijke verantwoordelijkheid voor de deplorabele toestand ginder, want men doet een beroep op ónze financiële bijdrage: met zoveel of zoveel euro kan je zoveel kinderen redden.
Dezelfde algemeen menselijke basisredenering vind je terug in wetenschappelijke publicaties. Het kan immers niet dat men een uitspraak doet over de mens en dat men daarmee bijvoorbeeld enkel de mensen in één bepaalde regio bedoelt, in gunstige of ongunstige zin. Als men in de geneeskunde een vaccin ontwikkelt tegen mazelen, pokken of de kusjesziekte, mononucleose, dan gaat men ervan uit dat het werkt bij álle mensen. Aids komt misschien wel meer voor in bepaalde gebieden, maar het is een ziekte die elke mens kan treffen in dezelfde omstandigheden. In de middeleeuwen was de pest de grote gelijkmaker, want ze trof armen en rijken, machtigen en hulpelozen, jong en oud.
Ook de filosofie gaat uit van de algemene gelijkheid van de mensen. Zij spreekt over ‘de mens’ en bedoelt: de mensheid, elke mens. Zoals in het bekende syllogisme: alle mensen zijn sterfelijk, Socrates is een mens, (dus) Socrates is sterfelijk. Het eerste lid, de major, stelt een algemene regel, het tweede of minor zegt dat een bepaald onderdeel behoort tot het geheel uit de major, het derde lid of conclusie leidt daaruit af dat wat geldt voor allen, ook voor die ene het geval is.
We zien meteen ook de gevaren van een dergelijke redenering, want hoe weten we dat alle mensen sterfelijk zijn? We kunnen enkel vaststellen dat tot nu toe alle mensen gestorven zijn en dat is wel een héél sterke aanwijzing, maar met de inductieve methode (zie…) komen we alleen maar tot algemene regels die gelden tot het bewijs van het tegendeel. Alle zwanen zijn wit, dit is een zwaan, dus is ze wit ging op tot men ergens in Australië zwarte zwanen ontdekte.
Wetenschappelijke theorieën zijn precies dat: veronderstellingen, hypotheses, premissen, opvattingen die men voor waar aanneemt tot eventueel blijkt dat ze niet kloppen en dan maakt men er nieuwe. Het is niet ondenkbaar dat men er ooit in slaagt om het verouderingsproces van de mens zo goed onder controle te krijgen dat de natuurlijke regeneratie die zich nu tot een mensenleven beperkt, zou kunnen gemanipuleerd worden om het menselijk lichaam onbeperkt te laten voortleven. Louter technisch is dat in principe niet onmogelijk, of het ooit lukt, is een andere vraag en of we dat wel willen nog een andere. Maar het doet ons vragen stellen bij simpele inductieve redeneringen.
We zijn even afgedwaald, neem me niet kwalijk.
Het was bij het lezen van enkele filosofische werken dat ik getroffen werd door de absolute wereldvreemdheid van sommige universele uitspraken. Zo stelt vrijwel elke filosoof die naam waardig dat de mens een vrij wezen is, dat daarin de essentie van zijn mens-zijn gelegen is. De mens is in zijn denken, zijn doen en laten, zijn beslissingen & niet afhankelijk van iets of iemand buiten zichzelf: hij is een autonoom wezen. In dezelfde zin stelt men dat ‘de’ mens ook een moreel wezen is en zo meer.
En daar begint de pendelbeweging dan.
Want er is toch wel degelijk een verschil tussen vrij zijn en kúnnen vrij zijn. Wat betekent het eigenlijk als een filosoof zegt: de mens is vrij? Op zijn minst is dit een oproep aan alle mensen om dit ook waar te maken in de praktijk. Dan bedoelt de filosoof: de mens is geroepen tot vrijheid, hij heeft het in zich, hij is ertoe in staat. Dat impliceert dat niet elke mens vrij is, of helemaal vrij; het betekent ook dat zelfs de meest vrije mens toch niet helemaal vrij is. Het syllogisme gaat dan niet op, of niet helemaal: alle mensen zijn vrij, ik ben een mens, maar zo vrij ben ik nu ook weer niet...
Alles hangt af van wat men ermee bedoelt dat alle mensen vrij zijn: in principe, in theorie, in ‘potentie’, als mogelijkheid, uiteindelijk, of in de praktijk, concreet gezien, voorlopig… Wij weten allemaal dat vrijheid zeer relatief is. De filosoof kan nog menen dat ook in de gevangenis de mens vrij is en sommige gevangenen hebben dat ook bewezen, denk maar aan Socrates die zelf besliste om zijn veroordeling niet te ontlopen, denk aan bekende gewetensbezwaarden en dissidenten zoals Nelson Mandela en Solzjenitzin. Maar wat is de vrijheid van de zwarte mentaal beperkte kruimeldief die levenslang, letterlijk dan, uitzit in een Texaanse gevangenis? Van aan lager wal geraakte drankverslaafden in de Russische ‘gevangenissen’? Van Irakese opstandelingen in Amerikaanse gevangenissen? Van verdachten in Guantanamo? Van vrouwen in sharia-gevangenissen? Ook de pest was niet voor iedereen even gevaarlijk: enkele rijke jongelui ontvluchtten de stad en vertelden elkaar de Decamerone… Ongetwijfeld kan je zelf nog genoeg sprekende voorbeelden vinden van situaties die de vrijheidsgedachte uitermate op de proef stellen, zodat de uitspraak: niemand is vrij ongeveer dezelfde lading dekt als: alle mensen zijn vrij.
Dat is de diepe tragiek van de filosofie, voor velen de meest verheven menselijke activiteit: wat zij zegt mag dan al waar zijn, maar het is een wereld van verre idealen, van nobele na te streven doelstellingen. Zij zegt niet hoe de wereld is, maar hoe die zou moeten zijn, hoe hij zou kunnen zijn… als!
Ook wij die in de kern zelf van de westerse beschaving leven en die daar de meest bevoorrechte posities innemen, zijn nooit helemaal vrij. Hoe dikwijls gebeurt het in een mensenleven dat men als individu een belangrijke keuze bewust maakt in volle vrijheid, zonder rekening te houden met anderen, omstandigheden, zijn eigen verleden? Zelfs de meest belangrijke beslissingen nemen we vaak in een opwelling, we hakken de knoop door, we kopen dan toch maar die duurdere wagen, het zwembad in de tuin komt er toch, de reis naar het Verre Oosten kan er ook nog af. Of we verkopen al wat we hebben en trekken naar de Provence. Of we stappen op een dag uit ons huwelijk en beginnen een nieuw avontuur.
In Animal Farm laat George Orwell de varkens de stelregel als volgt ombuigen in hun voordeel: all animals are equal, but some are more equal than others. Alle mensen zijn gelijk, maar sommige zijn ‘gelijker’, ze hebben of krijgen meer gelijk. Ik hoef niemand te overtuigen van de feitelijke en grondige ongelijkheid onder de mensen. Ook hier kan je net zo goed zeggen: alle mensen zijn ongelijk, als: iedereen gelijk voor de wet. We wéten dat in principe iedereen gelijk is en we weten evengoed dat in de praktijk die gelijkheid helemaal niet bestaat. Op één moment zal men de nadruk leggen op het ene aspect, even later op het andere.
Niemand zal aanvaarden dat een politiek systeem sommigen bevoordeelt: de Franse revolutie liet de koppen rollen van de bevoorrechte standen. Maar élk politiek systeem is beter voor de enen dan voor anderen, ook het communisme had de nomenklatura, de leiders die zich alles konden permitteren en Chavez is niet minder corrupt dan zijn voorgangers, ook in de beste democratie zijn er winnaars en verliezers. De klassieke dooddoener van elke verdediger van ongelijkheid is deze: verdeel al de rijkdom ter wereld gelijk onder alle mensen en een maand later zijn de rijken weer rijk en de armen weer arm.
De schone algemene stellingen van filosofen, moralisten en theologen zijn daarom tergend misleidend. Ze zijn té absoluut om echt waar te zijn. Elk mensenleven is waardevol, zeggen zij en ze bedoelen dat letterlijk, het menselijk leven is een absolute waarde. Maar het syllogisme gaat niet op: elke mensenleven moet in stand gehouden worden, ik ben een mens, dus ik heb recht op leven, maar als ‘ik’ in Darfur woon, als ‘ik’ een jongere chauffeur ben tijdens het weekeind, als ik onveilig vrij, als ik rook &c, dan is mijn leven veel minder waard dan dat van anderen. Gewoon om van de ene plaats naar de andere te gaan, vaak zonder enige noodzaak, of om luxegoederen te verplaatsen, nemen we eigenlijk onaanvaardbare risico’s, kijk maar naar het aantal verkeersdoden, we staan er niet bij stil, we nemen het er gewoon bij. Een algemene snelheidsbeperking op alle wagens tot 50 km per uur, altijd en overal, ingebouwd op de motor, zou het aantal doden tot een minimum beperken. Als we overal de legers zouden afschaffen, radicaal, meteen, en al de mensen en middelen die daardoor vrijkomen, inzetten voor vreedzame doeleinden, dan zouden we nogal staan kijken van de positieve gevolgen.
We weten dat, en we doen het niet, zoals Paulus zegt. Het menselijk leven heeft in de praktijk niet de absolute waarde die de filosofen eraan geven.
Het syllogisme werkt niet, want de major is te breed en de minor valt tussen de plooien, de conclusies gaan niet op. Alle mensen zijn sterfelijk, maar dat doet er niet toe, want de ene leeft beter en langer dan de andere en dat is oneindig veel belangrijker dan dat ze allebei uiteindelijk doodgaan. De arme put geen troost uit het feit dat de rijke het niet kan meenemen, de aidspatiënt heeft geen enkele voldoening aan de gedachte dat hij alleen maar wat vroeger sterft dan een gezonde mens.
Uit de algemene regels vallen amper nuttige lessen te trekken. Goed dat er een universele verklaring is van de rechten van de mens, maar daarmee beschikt nog niet iedereen over die rechten, noch is er enig vooruitzicht dat dat ooit het geval zal zijn.
Wat moet onze conclusie zijn uit deze dubbele, dubbelzinnige Januswaarheid met twee gezichten, deze pendelbeweging tussen de onrealistische absoluutheid van de regel en de harde realiteit van de relatieve waarheid?
Misschien alleen dit: hoed je voor algemene regels, maar koester je dromen.
"The Impossible Dream"
uit: The Man of La Mancha (1972), muziek van Mitch Leigh, tekst van Joe Darion, een musical over Cervantes en zijn Don Quixote.
To dream the impossible dream
To fight the unbeatable foe
To bear with unbearable sorrow
To run where the brave dare not go
To right the unrightable wrong
To love pure and chaste from afar
To try when your arms are too weary
To reach the unreachable star
This is my quest
To follow that star
No matter how hopeless
No matter how far
To fight for the right
Without question or pause
To be willing to march into Hell
For a heavenly cause
And I know if I'll only be true
To this glorious quest
That my heart will lie peaceful and calm
When I'm laid to my rest
And the world will be better for this
That one man, scorned and covered with scars
Still strove with his last ounce of courage
To reach the unreachable star
Dromen, ook die onmogelijke droom
bekampen, die onoverwinnelijke vijand
verdragen, dat ondraaglijk verdriet
lopen, waar dapperen niet eens durven gaan
recht maken, wat onrecht en verkeerd is
liefhebben, zuiver en kuis en veraf
proberen, ook als je armen te moe zijn
reiken, naar die onbereikbare ster
Dat is mijn queeste
die ster te volgen
hoe hopeloos ook
hoe ver ze ook staat
Ten strijde voor het recht
zonder vraag of respijt
bereid om te hel te bestormen
voor een hemelse zaak
En ik weet: als ik maar trouw blijf
aan deze heerlijke queeste
dat mijn hart vredig en kalm zal zijn
als ik te rusten word gelegd
En de wereld zal er beter om zijn
dat één man, miskend en met lidtekens bedekt
nog bleef streven met zijn laatste gram moed
om te bereiken
die onbereikbare ster.
(vertaling Karel D’huyvetters, 2007)