Exegi
monumentum aere perennius… non omnis moriar.
Horatius, Carm. III, XXX
‘Een
monument heb ik opgericht, duurzamer dan brons… ik zal niet helemaal sterven.’
Het is een
trotse en zelfbewuste Horatius (65-8 voor onze jaartelling) die deze verzen
schreef. Hij had het over zijn literaire prestaties, de vele kunstige en rake gedichten
die hij had geschreven op het toppunt van de Romeinse beschaving, toen Rome de
hele Westerse wereld beheerste en het centrum was van wetenschap, kunst en wijsheid
en ook van politieke, militaire en economische macht.

Hij heeft
gelijk gekregen. Wij hebben de Grieks-Romeinse beschaving bewaard, wij zijn
haar erfgenamen, het is ook vandaag nog een van de dragende componenten van
onze huidige beschaving, al zijn we ons daar van meestal nauwelijks bewust.
Horatius leeft voort in zijn geschriften, in de gedachten die hij heeft
neergeschreven en die wij op onze beurt kunnen lezen en tot de onze maken.
Vandaag is
het Pasen. Het christendom viert de verrijzenis van de mythische figuur van
Jezus van Nazareth, de Mensenzoon die na de vernederende kruisdood glorierijk zijn
plaats inneemt als Zoon van God aan de rechterhand van de Vader. Hij is de
eerste mens die het eeuwig leven verwerft en opent zo de weg naar de hemel en
het eeuwig geluk voor al wie hem volgt.
Wat dat
precies betekent wist ook ten tijde van Paulus, die de Verrijzenis tot het
kernpunt maakte van het christelijk geloof, niemand. Paulus spreekt erover in
Oudtestamentische woorden en extatische frasen. Hij doet dat niet met de
woorden van Christus, want die had hij zelf niet gehoord. Hij kende ook de
evangelies niet, want hij vermeldt ze nergens en citeert ze nooit. Zijn ideeën
haalde hij uit wat er leefde onder de Joden van zijn tijd, niet alleen in
Israel, maar vooral ook onder de meer geseculariseerde joden, verspreid over
het Romeinse Rijk, die hadden kennis gemaakt met andere godsdiensten en met de
Griekse filosofie van de moderne wereld.

Wat wij ons
moeten voorstellen bij de verrijzenis van ons lichaam en onze ziel op de
jongste dag, dat is allemaal zeer vaag. Het is een mysterie, iets wat we nooit helemaal
kunnen begrijpen voor het zover is, maar dat we nu vast moeten geloven, opdat
het ook zou uitkomen. Ik citeer hier uitvoerig wat Paulus schrijft in de Eerste
brief aan de christenen van Korinthe, in de versie van de Nieuwe
Bijbelvertaling.
12 Maar wanneer nu over Christus
wordt verkondigd dat hij uit de dood is opgewekt, hoe kunnen sommigen van u dan
zeggen dat de doden niet zullen opstaan? 13 Als de doden niet opstaan, is ook
Christus niet opgewekt; 14 en als Christus niet is opgewekt, is onze
verkondiging zonder inhoud en uw geloof zinloos. 15 Dan blijkt dat wij als
getuigen van God over hem hebben gelogen, omdat we verklaard hebben dat hij
Christus heeft opgewekt – want als er geen doden worden opgewekt, dan kan hij
dat niet hebben gedaan. 16 Wanneer de doden niet worden opgewekt, is ook
Christus niet opgewekt. 17 Maar als Christus niet is opgewekt, is uw geloof
nutteloos, bent u nog een gevangene van uw zonden 18 en worden de doden die
Christus toebehoren niet gered. 19 Als wij alleen voor dit leven op Christus
hopen, zijn wij de beklagenswaardigste mensen die er zijn.
20 Maar Christus is werkelijk uit de
dood opgewekt, als de eerste van de gestorvenen. 21 Zoals de dood er is gekomen
door een mens, zo is ook de opstanding uit de dood er gekomen door een mens. 22
Zoals wij door Adam allen sterven, zo zullen wij door Christus allen levend
worden gemaakt. 23 Maar ieder op de voor hem bepaalde tijd: Christus als eerste
en daarna, wanneer hij komt, zij die hem toebehoren. 24 En dan komt het einde en
draagt hij het koningschap over aan God, de Vader, nadat hij alle heerschappij
en elke macht en kracht vernietigd heeft. 25 Want hij moet koning zijn totdat
‘God alle vijanden aan zijn voeten heeft gelegd’. 26 De laatste vijand die
vernietigd wordt is de dood, 27 want er staat: ‘Hij heeft alles aan zijn voeten
gelegd.’ Wanneer er ‘alles’ staat, is dat natuurlijk uitgezonderd degene die
alles aan hem onderwerpt. 28 En op het moment dat alles aan hem onderworpen is,
zal de Zoon zichzelf onderwerpen aan hem die alles aan hem onderworpen heeft,
opdat God over alles en allen zal regeren.
29 Wat denken zij die zich voor de
doden laten dopen te bereiken? Als de doden toch niet worden opgewekt, waarom
zouden zij zich dan voor hen laten dopen? 30 En waarom zouden wij ons
voortdurend aan gevaren blootstellen? 31 Elke dag sterf ik opnieuw, broeders en
zusters, zo waar als ik dankzij Christus Jezus, onze Heer, trots op u kan zijn.
32 In Efeze heb ik op leven en dood gevochten; wat zou ik daarmee hebben
bereikt als ik geen hoop had? Wanneer de doden toch niet worden opgewekt,
kunnen we maar beter zeggen: ‘Laten we eten en drinken, want morgen sterven
we.’ 33 Maar vergis u niet: slecht gezelschap bederft goede zeden. 34 Kom tot
bezinning, zoals het u betaamt, en zondig niet langer. Sommigen van u hebben
geen enkele kennis van God. U moest u schamen.
35 Nu zou iemand kunnen vragen: ‘Maar
hoe worden de doden opgewekt? Hoe zou hun lichaam eruit moeten zien?’ 36 Dwaas
die u bent! Als u iets zaait, moet dat eerst sterven voordat het tot leven kan
komen. 37 En wat u zaait heeft nog niet de vorm die het later krijgt; het is
nog maar een naakte korrel, een graankorrel misschien of iets anders. 38 God
geeft daaraan de vorm die hij heeft vastgesteld, en hij geeft elke zaadkorrel zijn
eigen vorm. 39 Elk aards lichaam is anders; het lichaam van een mens is enig in
zijn soort, dat van een dier eveneens, dat van een vogel ook, en ook dat van
een vis. 40 Er zijn lichamen aan de hemel en lichamen op aarde, maar de
schittering van een hemellichaam is anders dan die van een aards lichaam. 41 De
zon heeft een andere schittering dan de maan, de maan weer een andere dan de
sterren, en de sterren onderling verschillen ook in schittering. 42 Zo zal het
ook zijn wanneer de doden opstaan. Wat in vergankelijke vorm wordt gezaaid,
wordt in onvergankelijke vorm opgewekt, 43 wat onaanzienlijk en zwak is wanneer
het wordt gezaaid, wordt met schittering en kracht opgewekt. 44 Er wordt een
aards lichaam gezaaid, maar een geestelijk lichaam opgewekt. Wanneer er een
aards lichaam is, is er ook een geestelijk lichaam. 45 Zo staat er ook
geschreven: ‘De eerste mens, Adam, werd een levend, aards wezen.’ Maar de
laatste Adam werd een levendmakende geest. 46 Niet het geestelijke is er als
eerste, maar het aardse; pas daarna komt het geestelijke. 47 De eerste mens
kwam uit de aarde voort en was stoffelijk, de tweede mens is hemels. 48 Ieder
stoffelijk mens is als de eerste mens, ieder hemels mens is als de tweede. 49 Zoals
we nu de gestalte van de stoffelijke mens hebben, zo zullen we straks de
gestalte van de hemelse mens hebben.
50 Wat ik bedoel, broeders en
zusters, is dit: wat uit vlees en bloed bestaat kan geen deel hebben aan het
koninkrijk van God; het vergankelijke krijgt geen deel aan de
onvergankelijkheid. 51 Ik zal u een geheim onthullen: wij zullen niet allemaal
eerst sterven – toch zullen wij allemaal veranderd worden, 52 in een ondeelbaar
ogenblik, in een oogwenk, wanneer de bazuin het einde inluidt. Wanneer de
bazuin weerklinkt, zullen de doden worden opgewekt met een onvergankelijk
lichaam en zullen ook wij veranderen. 53 Want het vergankelijke lichaam moet
worden bekleed met het onvergankelijke, het sterfelijke lichaam met het
onsterfelijke. 54 En wanneer dit vergankelijke lichaam is bekleed met het
onvergankelijke, dit sterfelijke met het onsterfelijke, zal wat geschreven
staat in vervulling gaan: ‘De dood is opgeslokt en overwonnen. 55 Dood, waar is
je overwinning? Dood, waar is je angel?’ 56 De angel van de dood is de zonde,
en de zonde ontleent haar macht aan de wet. 57 Maar laten we God danken, die
ons door Jezus Christus, onze Heer, de overwinning geeft.
58 Kortom, geliefde broeders en
zusters, wees standvastig en onwankelbaar en zet u altijd volledig in voor het
werk van de Heer, in het besef dat door de Heer uw inspanningen nooit
tevergeefs zijn.
Dat is
helemaal iets anders dan het non omnis
moriar van Horatius, die zich maar al te zeer bewust was van zijn
vergankelijkheid. Denk aan zijn carpe
diem, pluk de dag. Ik sprak over dat thema toen
ik hier over de roos schreef. Je vindt daar ook de tekst van zijn gedicht. Horatius
weet dat hij zal sterven. Dat beangstigt hem niet, maar zet hem aan om van de
goede dingen van het leven te genieten, ze gaan immers zo gauw voorbij. Het leert
hem ook dat we vriendelijk en goed moeten zijn voor elkaar, anders wordt het
leven een hel.
Paulus is
tegen alle genieten. Het leven is inderdaad een hel, daar is niets aan te doen,
wij zijn zondig, wij zijn gewelddadig, egoïstisch, geil, hebzuchtig, vals, onbetrouwbaar
enzovoort. Alleen met Gods hulp kunnen we daaraan ontsnappen, niet zozeer hier,
daarvoor zijn we te zwak, te zeer gebonden aan het vlees, maar later, als we
dat onbetrouwbaar, geil lichaam hebben achtergelaten en als zuivere geesten in
Gods aanschijn mogen vertoeven. De dood is overwonnen! Denk aan de prachtige
aria uit Haendels Messiah: Death, o Death where is thy Sting? Where is
thy victory? Haendel wist waar hij de mosterd moest halen: dit is een
letterlijk citaat uit I Kor. 15, 55.
Paulus zegt
zelf dat dit een citaat is uit ‘de Schrift’. Maar wanneer we gaan zoeken naar
het origineel, dan wacht ons een ware exegetische kruisweg. We vinden die
woorden niet zo in het Oude Testament. In Hosea 13, 14 is er iets dat in de
buurt komt: Dood, zaai de pest om je
heen! Dodenrijk, waar zijn je kwellingen? Paulus citeert hier niet de Hebreeuwse
Masoretische tekst van de Bijbel, noch de Griekse Septuagintavertaling, noch de
recent teruggevonden ‘gnostische’ versie van de Dode Zee-rollen; evident ook
niet de Latijnse vertaling van Hiëronymus, de Vulgaat, die van 400 dateert.
Paulus was een jood en hij citeert letterlijk de Aramese Peshitta
die de joodse Schriftgeleerden gebruikten. Zo zie je maar.
Spinoza kon
dit onderwerp niet uit de weg gaan. Bij een recent bezoek aan De Slegte vond ik
er tot mijn verbazing de Nederlandse vertaling van het boek van Steven Nadler
dat ik hier al vermeldde: De Ketterij van Spinoza, Atlas, A’dam & Antwerpen,
2008, 320 blz., ongeveer € 7. Dat kon ik niet laten liggen, al zal ik het
wellicht nooit lezen aangezien ik het origineel met veel aandacht heb gelezen.
Ik citeer het einde van het voorwoord: Omwille
van de toegankelijkheid en de leesbaarheid - twee deugden die onder
specialistische schrijvers over Spinoza niet vaak worden aangetroffen – gebruik
ik, naar ik vrees, een tamelijk grove kwast en laat ik in technisch opzicht het
een en ander onafgewerkt. (…) Ik wil me echter niet verontschuldigen voor het
feit dat ik mij op het bos concentreer en niet op de bomen (en de takken en de
twijgen); deden meer historici van de filosofie dat maar. Wijze woorden en
dus een goede aanbeveling voor dit uitstekende boek, dat toch vooral vrienden
van Spinoza zal aantrekken.

Laten we
even Spinoza zelf aan het woord, in de Nederlandse vertaling van Henri Krop uit
2008.
Alleen gedurende het bestaan van het
lichaam kan de geest zich iets voorstellen en zich een gebeurtenis uit het
verleden herinneren. (E V p.21)
Hier zie je
al hoe lichaam en geest aan elkaar gekoppeld zijn. Meer nog, ze zijn onmisbaar
voor elkaar. Als er geen lichaam is, kan de geest niet functioneren.
In God bestaat er echter noodzakelijk
een idee die het wezen van een individueel menselijk lichaam onder het aspect
van eeuwigheid tot uitdrukking brengt. (E V p. 22)
Een
individueel mens is niet niets, zelfs niet in het licht van de oneindigheid.
Het is een gebeurtenis die niet ongemerkt kan voorbijgaan in de loop van de
geschiedenis, hoe gering haar invloed daarop ook moge zijn. Er is dus in de Natuur
iets dat daarnaar verwijst. Op een of andere manier is alles wat in het leven
van een mens voorvalt aanwezig in de Natuur. Spinoza zegt: ‘in God’, maar we
weten dat hij daarmee niet de persoonlijke God van het christendom bedoelt,
maar het Al(tijd).
De menselijke geest kan niet in alle
opzichten tegelijk met het lichaam worden vernietigd, maar er blijft iets
bestaan dat eeuwig is. (E V p. 23)
Het lichaam
is vergankelijk. Maar alle informatie over een mens en dus ook over alle
mensen, gaat niet helemaal verloren. Ze was, is en blijft aanwezig in God, of
in de Natuur, dat is hetzelfde. Aangezien dat niet in het lichaam kan, moet het
wel in God/de Natuur zijn. Met ons lichaam kunnen we alleen tijdelijke dingen
waarnemen en vatten. Met onze geest kunnen we denken aan dingen die ruimte en
tijd overstijgen. Wij voelen aan dat wij behoren tot een groter geheel, dat
niet aan ruimte en tijd gebonden is. Onze geest is een activiteit van ons
lichaam, maar laat ons toe onszelf en het universum te bekijken op een veel
ruimere manier, in het licht van de eeuwigheid. Daardoor wordt onze geest niet
onsterfelijk, want hij is als activiteit afhankelijk van het lichaam. Maar door
die specifieke manier van denken, namelijk alles begrijpen vanuit de eeuwigheid,
behoren wij tot die eeuwigheid, maken we er intrinsiek deel van uit, wij zijn
een stukje eeuwigheid.
Dat heeft
niets te maken met een voortleven van de geest na de dood van het lichaam, noch
met het bestaan van die geest voor de geboorte. Tijdens ons leven kunnen wij,
als we ons best doen, een bevrijdende blik krijgen op de eeuwigheid. En vanuit
het standpunt van de eeuwigheid, zal er van ons menselijk bestaan altijd iets
overblijven, zoals er altijd al iets was nog voor we geboren werden. In het
Al(Tijd) is alles immers eeuwig.
Het is
Pasen. Op Goede Vrijdag hebben we stilgestaan bij wat een mens kan lijden hier
op aarde en aan onze dood. Een gewelddadige dood schrikt terecht iedereen af,
ook degene die ze anderen aandoet. Geen zinnig mens kan onberoerd een ander
mens doden, denk aan de verschrikkelijke dingen die dat doet met soldaten en
terroristen overal ter wereld.
Maar de dood
op zich hoeft niemand af te schrikken. Zij komt ongeroepen en wij weten niet
hoe ze ons zal overvallen. Maar wij weten dat ze komt, vroeg of laat, gewelddadig,
in smart en pijn, langzaam en tergend of plots en overweldigend, of zacht in
onze slaap. Wij weten dat ons denken dan definitief en helemaal ophoudt,
eindelijk en dat er niets van overblijft, behalve de monumenten die wij voor
onszelf of anderen voor ons hebben opgericht, de kleine sporen die we hebben
nagelaten in het hart van anderen, de materiële overblijfselen van onze
activiteit, bewaard ergens in het geheugen van een computer, een boek, een
beeld, een schilderij. Maar in het Al(Tijd) zijn we voor altijd helemaal
aanwezig. Dat we er ooit geweest zijn, en hoe, dat kan nooit meer ongedaan
gemaakt worden. Dat te weten is een troost nu we nog hier zijn, nu we er nog
zijn. We hebben geen behoefte aan Paulus’
valse belofte dat wij er altijd
zullen zijn.

Als levende
wezens weten wij dat het leven voortgaat als wij sterven. Dat is hoe het leven
hier op aarde in zijn werk gaat. Het individu ontstaat uit andere levende
wezens, leeft, plant zich eventueel voort en sterft dan. Andere individuen hebben
dan de kans om op hun beurt te leven, zich voort te planten en te sterven. Wij
kunnen ons inspannen om de cyclus langer te laten duren voor een individu en
het leven zo aangenaam mogelijk te maken zolang het duurt. We slagen daar al
behoorlijk in, althans hier en daar en in beperkte mate. Maar de onsterfelijkheid
en de eeuwige jeugd is niet wat we verlangen. Misschien slagen we daarin ooit,
wie weet. Maar op dit ogenblik is dat hier op aarde niet het geval, dat
beseffen we maar al te goed. We hebben ons daarop ingesteld, we weten dat we geboren
worden om te leven en te sterven. En dat we niet zullen verrijzen.
En zo is het
ook goed.