Gastrubriek: Leesportefeuille, Hugo D'hertefelt, 3
Het Geuzenboek van Louis Paul Boon
Hugo D’hertefelt, oktober 2012
In het Boonjaar 2012, ter gelegenheid van de 100ste verjaardag van zijn geboorte, bezocht ik de dubbeltentoonstelling “Boon 2012!”: in Aalst (Rebellen) en in Antwerpen (Villa Isengrimus). Naar aanleiding daarvan haalde ik Het Geuzenboek van onder het stof. Dit artikel is een verkorte versie van een lezing die ik heb gegeven voor het Masereelfonds te Hasselt en voor het Louis Paul Boongenootschap te Aalst.
Plaats in het oeuvre van Boon
Historisch werk
Het Geuzenboek is het laatste boek dat Boon schreef. Hij overleed enkele maanden voor het verscheen in het najaar van 1979. Het is ook het laatste in een rij historische werken waarvan De bende van Jan de Lichte (1957) en Pieter Daens (1971) de meest bekende zijn. In zijn historische werken zijn er twee constanten: ze gaan over mensen die in de clinch liggen met de gevestigde orde; ze willen iets zeggen over de samenleving van vandaag.
‘Subjectieve’ geschiedenis
Net als voor de andere historische werken heeft Boon voor Het Geuzenboek heel wat onderzoekswerk gedaan. Achteraan in het boek staat een dertigtal bronnen en in zijn woord vooraf noemt hij er vijf die voor hem zeer waardevol zijn geweest en waar hij ruim heeft uit geput. Hij schrijft: ‘Maar van wat dienen kon om in zijn geheel de opstand, de strijd en de ondergang der Geuzen in het Zuiden der Nederlanden weer te geven, werden ganse brokstukken toegeëigend om hierdoor tot een in feite nog niet bestaand Geuzenboek te komen.’ Van belang in dit citaat zijn de woorden: ‘in zijn geheel’. Boon wou alles opschrijven wat er over de Geuzen bekend was. Maar hij zou dit doen als romancier, niet als de ‘specialisten’ die hij had geraadpleegd. En: ‘toegeëigend’. Dit is letterlijk te nemen. In de tentoonstelling in Aalst lagen in de afdeling Knippen en plakken verschillende geraadpleegde werken naast exemplaren van Het Geuzenboek. Er waren paragrafen aangeduid die aantoonden dat Boon bijna letterlijk had overgeschreven. En hij ging selectief te werk. Hij nam over wat in zijn kraam te pas kwam. Boon schrijft subjectieve geschiedenis. Een betere omschrijving dan historische fictie, vind ik, want fictie suggereert dat hij iets verzonnen zou hebben en dat is maar in beperkte mate het geval. Hij kleurt wel zijn materiaal, hij geeft zijn kijk op de feiten, de toestanden en de personages die hij heeft bestudeerd. Het maakt het boek daarom niet minder interessant, integendeel.
Sluitstuk van zijn oeuvre
Boon beschouwde Het Geuzenboek als het sluitstuk van zijn oeuvre. Daar zijn twee verklaringen voor. Het is het eindpunt van zijn persoonlijke zoektocht naar het antwoord op de vraag: ‘Hoe is het in godsnaam mogelijk dat elke poging tot opstand in Vlaanderen gedoemd lijkt te mislukken?’ Boon betreurt dat er in Vlaanderen in de 18de eeuw slechts roversbenden à la Jan de Lichte tegen de gevestigde orde in opstand kwamen terwijl in Frankrijk in diezelfde periode een ‘verlichte’ revolutie plaats vond. Het uitwijken van de economische en culturele intelligentsia uit onze streken na het neerslaan van de Geuzen in Vlaanderen werkt tot op vandaag nog door, daarvan is hij overtuigd. Het is ook een afronding van een dubbele belangstelling: voor activisme, verzet, strijdbaarheid aan de ene kant, voor fatalisme, mislukking, ontgoocheling en twijfel aan de andere kant. Al in zijn vroegste werk zijn daar sporen van te vinden. In Vergeten straat uit 1944 beschrijft Boon het ontstaan én het falen van een commune die door een kleine gemeenschap wordt gevormd nadat hun straat is afgesloten van de rest van de wereld door de werken aan de Noord-Zuid verbinding in Brussel. In 1947 verschijnt Mijn kleine oorlog. De laatste zin luidt: ‘Schop de mensen tot zij een geweten krijgen’. Een uitspraak die hij zijn grootvader had horen zeggen. Maar vanaf de tweede druk, begin jaren 1960, schrijft hij een toevoeging die eindigt met: ‘Wat heeft het alles voor zin?’. En zijn grote literaire werk De Kapellekensbaan van 1953 begint met een korte inleiding waarin hij schrijft dat hij het zowel over de ‘OPGANG van het socialisme zal hebben als over de NEERGANG (en hoe die tegenhouden)’.
Ook in Het Geuzenboek is die ogenschijnlijke tegenstrijdigheid te vinden. Het beschrijft ‘de totale ondergang van een rijk en welvarend land’, maar evenzeer de strijdbaarheid en het koppig verzet van de Geuzen waarvan een rebels appel uitgaat. Zit er iets autobiografisch in die dubbele belangstelling? Misschien wel, want in Boons persoonlijk leven was er ook die dubbelheid. Enerzijds voelde hij zich mislukt want hij had verwacht om met zijn werk iets te kunnen veranderen. Dat is niet gebeurd of toch niet op de manier die hij wou. Anderzijds is hij blijven schrijven tot het bittere einde. Onmiddellijk na Het Geuzenboek begint hij veldwerk voor een nieuw historisch werk over een Aalsterse notarisfamilie [1]. Koppig voortdoen, om de mensen iets mee te geven, zei hij zelf. Hij schrijft tot hij erbij neervalt, letterlijk. Zijn vrouw vindt hem naast zijn schrijftafel, de dag voor ze zouden ontvangen worden op de Zweedse ambassade.
Het Geuzenboek
Monument, kroniek, leerboek, pamflet
Er lopen twee verhaallijnen door elkaar in het boek. De horizontale verhaallijn is het min of meer chronologische verloop van de gebeurtenissen. Het begint met de geboorte van Karel V te Gent in 1500 en eindigt met de val van Antwerpen in 1585. Door die chronologie heen weeft Boon een literair lappendeken van feiten en commentaren over religieuze, politieke, militaire en sociaaleconomische aspecten van de samenleving in de 16de eeuw in onze contreien. Het Geuzenboek is behalve een kroniek ook een leerboek, niet in didactische zin, maar wel in de betekenis dat het een deur opent op die tijd. Daarnaast is het ook een monument en een pamflet.
Het Geuzenboek als monument
Het is een monument in twee betekenissen. Het is een groots werk. Een turf van 700 compacte bladzijden met een ongelooflijke hoeveelheid feiten, gebeurtenissen, personages, acties, beschouwingen en reflecties over de 16de eeuw in de Nederlanden. Hoewel geen gemakkelijke lectuur maakt Boon er toch een leesbaar geheel van. Dat is een krachttoer. Het is ook een literair eerbetoon aan de slachtoffers van de Inquisitie en van de strijd in de Nederlanden. Over die 700 bladzijden verspreid, noemt Boon tientallen, zo niet honderden namen van mensen die omwille van hun geloof en omwille van deelname aan de opstand der Geuzen zijn vermoord. Vaak vermeldt hij hun beroep en woonplaats, en waar, wanneer en hoe ze zijn terechtgesteld of omgekomen. Het zijn bakkers, brouwersknechten, ketellappers, mutsenscheerders, molenaars, boekbinders, kuipers, … kortom gewone mensen. Terloops schrijft hij: ‘Het is nodig dat hun namen bekend zijn en te boek worden gesteld, want de geschiedenis vermeldt alleen de namen van pausen en keizers en koningen, de waardelozen, en worden de namen vergeten van hen die bouwden aan het Rijk Gods op aarde’. Boon richt al schrijvend een literair monument op voor de slachtoffers van religieuze onverdraagzaamheid en van geweld.
Het Geuzenboek als kroniek
Het boek begint met een lange proloog die ongeveer samenvalt met het leven en de regeerperiode van Karel V, van zijn geboorte in 1500 te Gent tot zijn troonsafstand in 1555 en zijn dood in 1558. Daarna vertelt Boon uitgebreid het verloop van de strijd in de Nederlanden in drie fasen: volksopstand (1560-1567), staatsterreur en verzet (1567-1576) en tenslotte burgeroorlog in het Zuiden nadat het Noorden zich heeft bevrijd van het Spaanse gezag (1576-1585).
Volksopstand
De fase van de volksopstand laat Boon beginnen in 1560. Het ongenoegen is dan algemeen, maar het is het grootst onder het volk. ‘Er is storm op komst’. Dat is de sfeer. Ondanks de gruwelijke vervolgingen van de Inquisitie wint het nieuwe geloof meer en meer terrein onder het volk. De Calvinisten komen steeds openlijker op voor hun geloof. De eerste hagenpreken worden nog ‘s nachts en buiten de stadsmuren gehouden maar later gaat men ook overdag en binnen de stadsmuren openbare predicaties houden. Omdat ze vaak worden lastiggevallen organiseert men gewapende escortes. Zo ontstaat er stilaan een volksleger dat op de 2de Paasdag van 1565 een troepenschouw houdt in Doornik. Het volksleger tracht tevergeefs de ommuurde steden van Ieper en Veurne in te nemen. Er zijn plannen voor een algemene opstand.
De adel en zelfs de hogere geestelijkheid zijn niet te spreken over de politiek van Filips II omdat hij hun privilegies niet respecteert. Maar de adel is verdeeld. De lagere edelen vrezen de volkswoede. Zij kunnen niet uitwijken naar andere bezittingen zoals de hogere edelen. Sommigen zijn trouwens al Calvinist geworden en zijn er financieel afhankelijk van. Het zijn overwegend lagere edelen die in 1566 een Smeekschrift richten aan de landvoogdes, Margareta van Parma. Zij vragen matiging van de repressie tegen het nieuwe geloof. Als ze het smeekschrift komen afgeven zegt Berlaymont, een vertrouwensman van Margareta van Parma: ”Vreest niets, madame, het zijn slechts geuzen.” Oftewel bedelaars. Het woord geus en het symbool van de bedelnap op de hoed der edelen slaat een brug met het gewone volk.
In augustus 1566 breekt in de Westhoek de Beeldenstorm los die heel de Nederlanden in rep en roer zet. De erbarmelijke arbeids- en leefomstandigheden en de hoop die het nieuwe geloof aanwakkert maken van de Westhoek een kruitvat. Boon neemt de interpretatie over van Erich Kuttner in Het Hongerjaar 1566, een van de werken die hij heeft geraadpleegd. Deze auteur benadrukt dat de Beeldenstorm het volk afhoudt van een echte sociale revolutie. Boon schrijft: ‘En om het volk af te leiden, dat klaar stond om de opstand te beginnen, gaf men het de Roomse kerken en kloosters tot prooi, maar hield men het in bedwang als het ook nog de rijken onder de voet wou lopen en zich van hun bezittingen meester maken.’ Als voorbeeld geeft hij onder andere wat er in Oudenaarde gebeurde. Daar riep men: “’s Papens bloed en ’s koopmans goed”, maar snel liet het stadsbestuur karren met brood en kaas en bier aanrukken om de gemoederen te bedaren en de rijken van plundering te sparen. In Antwerpen zorgden de rijke Calvinistische kooplieden voor een ‘ordelijke verbrijzeling’. Er mocht niet gestolen worden. Wachters namen gestolen goederen af om die later te kunnen teruggeven. In sommige gevallen betaalde men de ‘stormers’ zelfs een loon. Het ging niet alleen om religie maar ook om armoe en honger, dat is de stelling. Noch de plannen voor een algemene opstand noch het veroveren van een ommuurde stad door het volksleger zijn duurzaam. Doornik is wel even een Calvinistische stad maar de rijke Calvinisten laten zich paaien met beloften dat ze buiten de stadsmuren een kerk mogen bouwen. De koningsgezinde troepen heroveren de stad wordt en de beloften worden na de inname geschonden. Nochtans had men daar de ‘opbrengst’ van het Beeldenstormen netjes geregistreerd en gebruikt voor hulp aan werklozen en aankoop van grondstoffen. De Roomse belastingen werden afgeschaft en eigendomsbewijzen verbrand. ‘Zo had het overal moeten gaan’ vindt Boon. Maar dat is niet gebeurd.
Staatsterreur en verzet
De Beeldenstorm heeft uiteraard een storm van protest teweeggebracht. Dat er door de Inquisitie honderden mensen zijn gemarteld en verbrand, daar kraaide geen haan naar. Maar dat kerken en kloosters werden verwoest en priesters en nonnen aangevallen of vermoord, dat was een schande. Filips II kon dat niet over zijn kant laten gaan. De staatsterreur begint eigenlijk al voor de komst van Alva en het Spaanse leger. De adel en het gerecht willen zich dienstbaar tonen aan de man die gaat komen, want die had de reputatie van een keiharde te zijn. Kleine toegevingen, zoals die in Doornik, worden teruggeschroefd. Sommige opstandige steden ontsnappen niet aan ware bloedbaden. Het gerecht is meedogenloos: ongeveer 5000 terechtstellingen. De rijken worden echter met rust gelaten. Een Roomse edelman beklaagt zich daarover bij de landvoogdes: “Ge laat de vette vogels vliegen”. Dat verandert als hij er is, Alva, met een leger van 24.000 Spaanse soldaten en huurlingen. Hij richt een Raad van Beroerte in (de Bloedraad) met enkel Spanjaarden. De Inquisitie mag terug ongeremd haar gang gaan. Alle vrijheden worden vernietigd, ook die van de adel. Evenzeer als het gewone volk wordt de adel gevangengezet en terechtgesteld. Het meest bekende voorbeeld is de onthoofding van de hoge edelen Egmond en Hoorne in juni 1568.
De politiek van Alva is erop gericht om eerst alle bestuurders en bestuurlijke organen aan te pakken. De oproerlingen in de Westhoek zijn niet zijn hoofdbekommernis. Geldelijk gewin speelt een belangrijke rol want vaak worden bezittingen aangeslagen, soms zelfs nog voor er van veroordeling sprake is. De steden worden niet alleen hun vrijheden afgenomen maar moeten versterkingen bouwen en Spaanse garnizoenen huisvesten en onderhouden, uiteraard op hun kosten. In het Zuiden vallen naar schatting 18.000 slachtoffers van de nooit geziene terreur. Zelfs de Roomsen zagen dat ze slaven waren geworden. ‘Het ganse land was een slachthuis geworden’ schrijft Boon.
Ondertussen komt het verzet op gang. In het Zuiden, meer bepaald in de Westhoek, zijn de Bosgeuzen actief. Velen zijn na het mislukken van de opstand uitgeweken naar Sandwich aan de Oostkust van Engeland. Van daaruit wordt een invasieleger voorbereid dat echter niet van de grond komt. De voorhoede die naar het vasteland is uitgezonden moet overleven en plundert wat het kan maar begint ook met een ware tegenterreur door het vermoorden van priesters en gerechtsdienaars die met de Inquisitie hebben samengewerkt. Eind 1568 is het echter, door het optreden van het Spaanse leger, met die strijd gedaan. In het Noorden gaat het er anders aan toe. Daar is het water de plek waar het opstandige volk zich verzet. De Watergeuzen zijn actief vanaf begin 1569. Ze kapen, huren of kopen schepen (met geld van Calvinistische gemeenten in Engeland). In april 1571 veroveren zij Den Briel, even later Vlissingen en in juni-juli zijn de meestesteden van Holland en Zeeland in hun handen. De tactiek bestaat erin grote stukken land rondom de steden onder water te zetten. De Spaanse soldaten, niet gewend om in het water te vechten, hebben hier geen verweer tegen. Alva en de Spaanse troepen zijn razend. In de steden die ze heroveren houden ze echte moordpartijen. Die kunnen de kansen niet keren. Bovendien is Alva ziek. In 1573 wordt hij ontslagen en keert hij terug naar Spanje. Hij durft niet over land gaan uit schrik te worden vermoord. De staatsterreur is een totale mislukking. In de plaats van een volledig onderworpen land is de Spaanse koning voorgoed de controle kwijt over een groot deel van de Nederlanden.
Burgeroorlog in het Zuiden
In 1577 is de scheiding nog geen voldongen feit maar er is wel een embryo van een Hollandse natie die in de rest van Europa stilzwijgend wordt erkend. In 1581 is er de Onafhankelijkheidsverklaring waarbij Filips als soeverein wordt afgezworen. In het Zuiden loopt het anders. De Spanjaarden zijn daar niet weg. Filips stelt Farnese als nieuwe landvoogd en legeraanvoerder aan. Hij is een zoon van Margareta van Parma, de vroegere landvoogdes. Zijn tactiek is niet om het Noorden te heroveren maar om het Zuiden af te scheiden. Hij verovert de Franssprekende provincies en geeft de Waalse edelen hun privilegies terug. Dat doet hoop oprijzen bij een deel van de Vlaamse edelen. De Waalse provincies verzoenen zich met Filips en Farnese en komen steeds meer op als één blok. Van dan af wordt de strijd een burgeroorlog in het Zuiden.
Aan de kant van de opstandelingen is de verdeeldheid en de verwarring zeer groot. In het drama dat zich voltrekt zijn De Zwijger en de Gentse Calvinistische republiek hoofdrolspelers. Om de godsdiensttwisten te beëindigen stelt De Zwijger een rekwest op. Het wordt door de Vlaamse en Noordelijke provincies aanvaard maar niet door de Waalse. Op politiek en militair vlak durft De Zwijger niet voluit te gaan. Hij weigert om de leiding van de regering op zich te nemen, hoewel hem dat wordt aangeboden. Bovendien jaagt hij de Calvinisten tegen zich in het harnas door een beroep te doen op de katholieke Anjou, een broer van de koning van Frankrijk, wiens moeder Catharina de Medici, de Hugenoten had laten afslachten in de Bartholomeusnacht. Ondanks de militaire mislukkingen van Anjou laat De Zwijger hem niet vallen, wat leidt tot wantrouwen tegenover zijn beleid en zijn persoon.
In navolging van Brussel roept Gent in 1577 een Calvinistische republiek uit. Het werpt zich op als een strijdmacht, verovert omliggende steden, zamelt geld in bij de burgers voor huurlegers van Engelsen en Schotten. De stad slaat een eigen munt en voert een heel onafhankelijke politiek. Ze richt een universiteit op met een theologische faculteit. Van godsdienstvrede is er geen sprake. Edelen, bisschoppen en Roomsen worden gevangengezet. De Zwijger moet verschillende keren tussenkomen om hen te beschermen. Het wantrouwen tegenover hem wordt daardoor alsmaar groter. In 1583 verlaat De Zwijger definitief het Zuiden der Nederlanden. Intern is er in Gent onenigheid die als maar heviger wordt naarmate de strijd moeilijker wordt, de verliezen zich opstapelen en de honger begint te knagen. In september 1584 wordt de stad gedwongen zich over te geven. De Calvinisten mogen de stad verlaten.
Over de strijd op het terrein kunnen we kort zijn. Die was verschrikkelijk. De rivaliserende troepen, en dat waren er nogal wat, ontaardden in roversbenden. De honger was algemeen, zowel in de steden als in de dorpen en onder alle troepen want de landbouw was compleet kapot. Boon weidt heel lang uit over deze ellende. Na Gent, Brussel en andere steden valt tenslotte Antwerpen in 1585. Omdat particuliere belangen het doorsteken van de dijken had tegengehouden, fulmineert Boon. En hij besluit: ‘En Vlaanderen was overwonnen en stierf, en alle Geuzen waren er uitgeroeid, amen en uit.’
Het Geuzenboek als leerboek
De godsdienst(twisten) in onze contreien.
Boon begint met het aan de kaak stellen van Rome en zijn pausen. De geldhandel in aflaten, het verkopen van bisschopstitels, de pracht en de praal, de liederlijkheid, het wordt allemaal heel plastisch beschreven. Waarlijk voer voor antiklerikalen. Vervolgens komt een drietal reacties aan bod. De eerste is het Lutheranisme. Voor Boon is dit echter te gezagsgetrouw en te behoudsgezind. De Duitse vorsten recupereren dit nieuwe geloof om van de bemoeienissen van Rome af te geraken. De tweede religieuze stroming is het Anabaptisme. Daarbij blijft Boon vrij lang stilstaan. Deze Wederdopers zijn veel revolutionairder want zij komen op voor gemeenschap van goederen én van gezin. Dit is een uitdaging van alle religieuze en burgerlijke normen en waarden van die tijd. De interesse van Boon heeft wellicht niet alleen te maken met hun belang voor de strijd in de Nederlanden later, maar ook omdat hij geboeid is door zulke utopische experimenten, indachtig de commune van Vergeten straat. De religieuze stroming die volgens Boon in de strijd om de Nederlanden de grootste rol zal spelen is het Calvinisme. Het is tegelijk revolutionair én burgerlijk want vele Luthersen worden gematigde Calvinisten en vele Anabaptisten vormen de harde kern van een revolutionair en opstandig Calvinisme. De reactie op de afwijzingen van de ‘ene ware leer’ (de katholieke) blijft niet uit. Al in het begin van de jaren twintig van de 16de eeuw stelt Karel V de Inquisitie in om ketterijen de kop in te drukken. Boon spaart de lezer de gruwel niet. Soms is er tegenwerking van de stedelijke autoriteiten, niet alleen omwille van de inbreuk op hun rechterlijke macht, maar ook omdat ze de boetes en de opbrengst van verbeurdverklaringen aan hun neus zien voorbijgaan. En in sommige gevallen zijn bestuurders zelf in het geheim al overgestapt naar een nieuw geloof.
De feodale verhoudingen en de militaire strategie
Niet alleen godsdienst speelt een rol in het conflict tussen de Nederlanden en Filips II. Er zijn ook de feodale verhoudingen tussen de vorst en de hoge adel. Willem van Oranje (De Zwijger) vindt dat Filips II de rechten van de Nederlanden niet respecteert door Spaanse troepen te sturen. Egmond en Hoorne, twee andere hogere edelen, vinden dat ze trouw moeten blijven aan hun vorst. Het zal hun hun kop kosten. Belangrijk voor de strijd in de Nederlanden is de militaire strategie. De adel en de rijke burgerij kiezen voor huurlegers die men naar huis kan sturen als de strijd gedaan is. Steunen op het volk is riskant. Het veiligstellen van bezittingen en privilegies is dan minder zeker. In de 16de eeuw neemt het volk echter zelf het heft in handen, niet alleen omwille van de godsdienstvervolging maar ook uit armoede en honger die is veroorzaakt door woekerhandel met graan, geldontwaarding en teloorgang van de nijverheid. Gewapende escortes bij verboden predicaties (de hagenpreken) groeien uit tot een echt volksleger. De strijd op het terrein in de 16de eeuw is bijna altijd een strijd om het veroveren van ommuurde steden. Steden waren economische en militaire bolwerken. Door heel het boek heen komen er nogal wat belegeringen voor. Ook in de strijd van het volk is het veroveren van ommuurde steden het belangrijkste objectief. Dat echter zal falen.
Het belang van het opkomend industrieproletariaat
Boon heeft het uitvoerig over het beginnende industriële proletariaat in de niet ommuurde steden van Hondschoote en Armentières in de Westhoek. De sociale controle is er minder groot. Bannelingen vinden er een naamloos onderkomen. Daar zal in 1560 de opstand beginnen. ‘Want daar leefde men niet meer in het uitstervende tijdperk van edelen en ridders, van poorters en gilden, maar in het nieuwe opkomende tijdperk van genadeloze industrie, waar men om een korst brood in vuil en stof wroette om wol tot saai te verwerken.’
Het Geuzenboek als pamflet
Het Geuzenboek zit vol stellingnamen en pro’s en contra’s: pro het volk en de armen, contra de kerk, de adel en de rijke Calvinistische burgerij. Het boek ademt een grote persoonlijke betrokkenheid uit. Boon wil niet alleen een vergeten stuk vaderlandse geschiedenis in herinnering brengen. Hij is kwaad en ontgoocheld dat het zo slecht is afgelopen voor het Zuiden. Waren de ‘beste levenskrachten’ zoals hij ze aan het eind van het boek noemt, maar in het Zuiden kunnen blijven in plaats van te moeten uitwijken naar het Noorden. Het had immers allemaal anders kunnen lopen, als…!
Er zit ook heel wat demystificatie van bepaalde figuren in het boek.
Erasmus krijgt er al vrij snel van langs want met bezadigde mannen als hij zou de Hervorming nog eeuwen uitgebleven zijn, aldus Boon.
Karel V laat hij geboren worden in de nachtemmer van zijn moeder. Als metafoor voor de ‘waarde’ van een vorst kan dat tellen. Boon hekelt de ophemeling van deze vorst in vrome legenden of boertige volksverhalen. Het beeld dat Boon van de man ophangt is er een van vreetzak, wreedaard, machtswellusteling, afwisselend laf en mateloos hebzuchtig. Maar dan plaatst hij die figuur toch weer tegen de achtergrond van de maatschappij waarin hij leefde: Karel V was een slecht mens maar niet abnormaal afschuwelijk want alles was toen afschuwelijk.
En dan is er de Zwijger. Boon is niet mals voor deze man. Hij verwijt hem zijn dubbelheid en zijn halsstarrigheid in het willen verzoenen van water en vuur. ‘De tijd was rijp voor de Zwijger, maar de Zwijger was niet rijp voor de tijd’, schrijft hij. Als edelman blijft hij zweren bij achterhaalde opvattingen over oorlogvoering en de relatie met het volk. Inzake godsdienstvrede en tolerantie ten aanzien van andersdenkenden is hij dan weer zijn tijd vooruit. Maar daarvoor brengt Boon niet veel begrip op. Want wat voor Erasmus geldt, geldt ook voor de Zwijger: wat heeft het voor zin om verdraagzaam te zijn ‘in een tijd toen er voor verdraagzaamheid geen plaats meer was’. Toch maakt Boon van de Zwijger geen lafaard of verrader, hij was ‘alleen maar een man die de feiten vaak niet of te laat zag.’
Lessen voor vandaag
Het Geuzenboek levert nieuwe inzichten over een onderbelicht hoofdstuk van de Belgische geschiedenis. Boon heeft niet alleen oog voor religieuze kwesties maar ook voor armoede en honger ten gevolge van graanspeculatie, werkloosheid en geldontwaarding. Hoeveel mensen weten dat er in de 16de eeuw geëxperimenteerd werd met de republiek als regeringsvorm? Boon heeft het vooral over de Gentse Calvinistische republiek, maar ook in Brussel was er een. Nieuw voor mij was ook dat het Calvinisme zo sterk verbreid was in onze contreien. De andere kijk op figuren als Karel V, de Zwijger en Erasmus is misschien overtrokken maar tempert wel de ophemeling in andere bronnen.
Het boek bevat ook stof voor de analyse van de huidige samenleving want niet alles wat in Het Geuzenboek wordt beschreven is voltooid verleden tijd. Twee voorbeelden. In de 16de eeuw kon men met aflaten straf afkopen om zijn plaatsje in het hiernamaals veilig te stellen. In de 21ste eeuw kan een rijke zijn straf afkopen met de afkoopwet die is geschreven op maat van de financiële elite. Het geld zou besteed worden aan de bouw van gevangenissen, waar dan de armere burgers in terechtkomen.[2] Volgens de blasfemiewetten in Pakistan zou het woord van een betrouwbaar man volstaan om onschuldige christenen te veroordelen door de shariarechtbank [3]. ‘De wetten worden gebruikt om de massa op te zwepen tegen minderheden. Met politieke bedoelingen. Of gewoon om hun bezittingen in te pikken’ schrijft De Standaard. Deed de Inquisitie in de 16de eeuw niet hetzelfde?
Meer algemeen roept Het Geuzenboek op tot nadenken over twee vragen. Hebben de machthebbers het wel goed met ons voor? Wat gebeurt er aan de onderkant van de samenleving?
De economische en financiële elite bekleedt nu de plaats van vorsten, adel en kerk toen. De macht van de vorst in de 16de eeuw berustte in hoge mate op de beeldvorming dat men zonder hem niet kon, vooral bij dezen die veel te verliezen hadden. De macht van de economische en financiële wereld vandaag berust op de beeldvorming dat men niet kan zonder de neoliberale interpretatie van de vrije markt. Sociale verworvenheden en sociale en culturele voorzieningen worden zonder pardon afgebouwd. Mocht Boon nog leven, hij zou ongetwijfeld zijn gal spuwen over de graai- en bonuscultuur van bankiers en CEO's. Hij zou ze kapittelen als ‘slechte mensen’ zoals hij met Karel V heeft gedaan en hij zou de ‘schunnige hebzucht’ van deze tijd aan de kaak stellen.
Maar hij zou ook schrijven over de nieuwe onderklasse die amper kan rondkomen, zelfs als ze werk heeft, en over de groeiende kloof tussen arm en rijk. Maar zijn ogen zouden oplichten bij de berichten over de acties van de antiglobalisten, de Occupy-beweging, de Indignados en andere verzetsstrijders. En hij zou zijn eigen Geuzenboek citeren: ‘Maar bij opstand en revolutie komt waarlijk ‘het schuim’ naar boven zoals het schuim van een woedende en kolkende zee.’
[1] Kris Humbeeck in de radioreeks op Klara “Het leven gelijk het leven is” (26/08/2012)
[2] De Standaard, 21 augustus 2012
[3] Idem

