Eindeloos lezen in W.G. Sebald.
“Ge kunt hierin eindeloos blijven lezen” zei mijn vrouw toen ze voor de tweede keer ‘Austerlitz’, het laatste boek van W.G. Sebald, las. Ik had de titel die ik zocht voor dit artikel. Hoe leg ik uit waar het op slaat, dat ‘eindeloos lezen’. Laat ik een vergelijking maken met Elsschot. Ik herlees graag het werk van Elsschot. Moeilijk is dat niet want het gaat om amper achthonderd bladzijden verspreid over elf werkjes. Dat is niet pejoratief bedoeld, die ‘ werkjes’, integendeel het zijn stuk voor stuk pareltjes van puntige en kurkdroge taal. Je leest wat er staat, niets meer of niets minder. Elsschot, dat is ‘niks in de mouwen niks in de zakken’. Een helder verhaal in een heldere taal.
Een literair labyrint
Sebald is anders. Hij heeft wél veel in de mouwen en in de zakken. Je begeeft je als het ware in een literair labyrint waar je eindeloos kan ronddwalen, en waar je een schat aan verhalen vindt: reisimpressies, reflecties, mijmeringen en autobiografische vertellingen van de auteur; verhalen van en over een brede waaier van mensen in uiteenlopende, vaak tragische, situaties; beschrijvingen van kunstwerken, gebouwen, steden, landschappen en natuur; evocaties van historische figuren, gebeurtenissen en activiteiten. Vergeet ik nog wat? Ongetwijfeld. Hij strooit het uit, soms onverhoeds, zodat je moeite hebt om te volgen. Daar dient dan het herlezen voor, om al die draadjes aan mekaar te knopen. Of zoals Tommy Wieringa het uitdrukt: “De wereld volgens Sebald: een verzameling losse eindjes die er op wachten door hem aan elkaar geknoopt te worden. Al doende heeft hij zijn eigen onherhaalbare literair-documentair genre uitgevonden, dat de lezer tot een diepe buiging dwingt”. Er is nog iets. Alles wat je leest bij Sebald is doordrenkt van gevoelens, vooral melancholie, weemoed, tristesse. Gemoedstoestanden zijn een wezenlijk ingrediënt. Bij Elsschot is er soms ook tristesse, maar die is gereserveerd, ingehouden. Sebald gaat voluit voor de melancholie als ‘condition humaine’.
In wat volgt zal ik iets vertellen over zijn leven, zijn vijf prozawerken, enkele stijlkenmerken en de voornaamste thema’s in zijn werk.
Grensgeval, emigrant en raadsel
Sebald is geboren in 1944 in Wertach, een dorp in de Allgäu, in het uiterste zuiden van Beieren, op de grens met Oostenrijk en Zwitserland. Hij heeft zich nooit echt een Duitser gevoeld. Geografisch, taalkundig en cultureel was hij veel meer verbonden met Zwaben, Oostenrijk en Zwitserland. Zijn universitaire studies taal-en letterkunde doet hij niet in München, Frankfurt of Berlijn maar in Freiburg (Zwaben) en Fribourg (Zwitserland). Sebald had moeite met zijn voornamen. De eerste, Winfried, vond hij te archaïsch: “Ik haat archaïsche namen. Door mijn naam af te wijzen heb ik het fascisme uit mijn leven willen wissen”. De tweede, Georg, was de naam van zijn vader en met hem had hij geen goede band. Daarom W.G. voor zijn naam.
In 1966 trekt hij naar Manchester als assistent aan het departement Duits van de universiteit aldaar. Van dan af laat hij zich Max noemen, de afkorting van zijn derde voornaam Maximiliaan. Hij vestigt zich definitief in Engeland in 1970 wanneer hij doctoreert aan de universiteit van East Anglia te Norwich en er later hoogleraar Europese literatuur wordt. Hij richt het British Centre for Literary Translation op waarvan hij tot 1995 directeur is. Jaarlijks organiseert het centrum een Sebald-lezing over een vertaalonderwerp ter nagedachtenis van zijn oprichter. Want jammer genoeg overlijdt Sebald in 2001 bij een auto-ongeval in de streek waar hij woonde, in Norfolk, in het zuidoosten van Engeland.
Wanneer Sebald eind van de jaren 1980 aan een niet-academische loopbaan als schrijver begint staan recensenten voor een raadsel. Wie is die Sebald eigenlijk? Over zijn nationale identiteit bestond toen nogal wat verwarring. Michael Zeeman in de Volkskrant maakt van Sebald een Zwitser bij de eerste kennismaking met zijn werk. Later noemt hij hem een Brits-Duitse schrijver, terwijl Sebald nooit de Britse nationaliteit heeft aangenomen. Piet de Moor maakt er in Knack een Oostenrijker van. Na het verschijnen van de ‘De emigrés’ waarin enkele verhalen zijn opgenomen over mensen met een joodse origine, denken sommige recensenten dat Sebald een Jood is, wat hij helemaal niet is.
Vijf prozawerken tussen 1988 en 2001
Naar de natuur
Het eerste prozawerk “Naar de natuur” is een episch gedicht. Het bestaat uit drie delen.
Het eerste deel gaat over het leven van de schilder Matthaeus Grünewald die leefde van het eind van de 15de tot begin 16de eeuw. Het ”naar de natuur” van de titel slaat op de weergave van het licht op het schilderij “De Kruisiging” dat in Bazel hangt. Sebald denkt dat de schilder hier vanuit zijn herinnering de zonsverduistering van 1 oktober 1502 heeft weergegeven. In het tweede deel vertelt Sebald over de Duitse natuurkundige en botanist Georg Wilhelm Steller die leefde in de eerste helft van de 18de eeuw en die de Noordpoolexpeditie van Bering meemaakte. Het derde deel bestaat grotendeels uit autobiografische vertellingen. Een van de redenen waarom Sebald niet-academische teksten is gaan schrijven is dat hij daarin meer kwijt kon over zijn eigen leven.
Duizelingen
Op die autobiografische toer gaat hij verder in zijn tweede werk ‘Duizelingen’. Het bevat twee verhalen over schrijvers: een over Stendahl en een over Kafka. De twee andere verhalen, die samen twee derde van het boek beslaan, zijn autobiografische vertellingen: een over reizen in Noord-Italië in de jaren 1980 en een over zijn terugkeer, na dertig jaar, naar zijn geboortedorp. Op het eerste gezicht zijn het vier aparte verhalen. Maar er is een samenhang wat betreft plaatsen, data, emotionele processen en weerkerende motieven. Er zijn verbindingen. Stendhal en Kafka zijn geboren op dezelfde dag en maand maar met honderd jaar verschil. Allebei bezoeken ze Noord-Italië, net zoals de verteller zoveel jaren later. Alle drie hebben ze te maken met ziekte, depressie en zwaarmoedigheid. Over de zwaarmoedigheid waarvan het boek doordrenkt is zegt hij “Het zwaarmoedige kan men omwille van de sociale context niet altijd tonen. In een boek kan men dat wel”.
De emigrés
Het derde werk ‘De emigrés’ bevat vier verhalen over personen die Sebald heeft gekend. In het eerste verhaal vertelt hij over Dr. Henry Selwyn, een gepensioneerde arts die zo’n beetje als kluizenaar leeft op het domein van zijn vrouw, met wie hij geen noemenswaardige relatie meer heeft. Hij is in 1899 op zevenjarige leeftijd met zijn familie uit Litouwen geëmigreerd. Sebald leert de man kennen omdat hij en zijn vrouw enkele kamers betrekken in het huis, in afwachting dat ze een eigen woning vinden in het zuidoosten van Engeland. Het tweede verhaal gaat over Paul Bereyter die Sebald heeft gekend als onderwijzer op zijn lagere school. Hij vertelt over zijn goede herinneringen aan de man. Het latere leven en de dood van Bereyter vernemen we via een Franse vriendin met wie Sebald contact heeft opgenomen. Bereyter mocht in de jaren 1930 geen lesgeven in zijn dorp omdat hij een kwartje Jood was. Na de oorlog is hij teruggekeerd om als een soort half-emigrant les te geven. In ‘Saturn’s Moon’, een reader over leven en werk van Sebald, staat een foto van de tienjarige Sebald samen met enkele andere scholieren en onderwijzers van de school waar hij les volgde. In het onderschrift lezen we dat op de foto Armin Mueller is te zien op wie Paul Bereyter ‘losjes’ is gebaseerd. Het derde verhaal betreft een grootoom van Sebald die hij slechts een enkele keer heeft gezien tijdens een familiebijeenkomst met het deel van de familie langs moederskant dat in de jaren 1920 was geëmigreerd naar de Verenigde Staten. Ambros Adelwarth was een van hen. Na een tijd in het hotelwezen ervaring te hebben opgedaan emigreert de man naar Amerika en wordt butler bij een rijke Joodse bankiersfamilie. Via gesprekken met de resterende familie in Amerika en aan de hand van schaarse dagboeknotities van Ambros reconstrueert Sebald de geschiedenis van zijn grootoom. Hij bezoekt zelfs de ruïne van de psychiatrische instelling waar Ambros zich aan het eind van zijn leven had laten opnemen. Hij heeft er een gesprek met een oude psychiater die aan het begin van zijn loopbaan in de jaren 1950 Ambros Adelwarth nog heeft gekend en kan vertellen over hoe die toen was en over de elektroshock behandelingen die de man heeft ondergaan. Het vierde verhaal begint met een lange autobiografische uitweiding over de overstap van Sebald naar Manchester in de jaren 1960 en zijn eerste eenzame ervaringen in die voor hem totaal vreemde stad. Bij een van zijn vele tochten door de stad leert hij de schilder Max Ferber kennen, die eind jaren 1930 via een kindertransport uit Duitsland in Engeland is terechtgekomen. Deze figuur is gebaseerd op een combinatie van de huisbaas die Sebald in Manchester heeft gekend en de Londense schilder Frank Auerbach.
De ringen van Saturnus. Een Engelse pelgrimage
‘De ringen van Saturnus’ is ongetwijfeld Sebalds meest sombere boek. Het grondthema is verval. De verteller maakt een voettocht in het graafschap Suffolk langs de oostkust van Engeland, die letterlijk afkalft. In de loop der eeuwen zijn huizen en hele dorpen in zee verdwenen. De streek was ooit een handelscentrum en gegeerd vakantieoord maar daarvan schiet niets meer over. Het boek is een mengeling van impressies van de voettocht afgewisseld met lange en korte verhalen over uiteenlopende onderwerpen. Naast een min of meer rechtlijnig verloop van de voettocht zit de inhoud van het boek met al zijn uitweidingen geprangd tussen twee verhalen over Thomas Browne, een zeventiende-eeuwse arts. In het eerste deel gaat de ik-verteller tevergeefs op zoek naar de schedel van Brown die bewaard zou zijn in het ziekenhuis waar hij verblijft. In het laatste deel vertelt hij over het “door Thomas Browne nagelaten convoluut van gemengde geschriften”.
Austerlitz
Van al zijn boeken leunt “Austerlitz“ het dichtst aan bij een roman, hoewel Sebald zelf weigerde het een roman te noemen. Naast de ik-verteller is er een centraal personage, Jacques Austerlitz, van wie we geleidelijk het hele levensverhaal te weten komen. Jacques Austerlitz is in Groot-Brittannië terechtgekomen via een kindertransport vanuit het door de nazi’s bezette Praag. Hij groeit op bij een kinderloos predikantenkoppel in Wales dat hem niets over zijn verleden vertelt. Na hun overlijden komt hij erachter dat hij hun zoon niet is en gaat hij op zoek naar zijn verleden en zijn echte identiteit. De ontmoetingen tussen de ik-verteller en Austerlitz situeren zich tussen het Centraal station van Antwerpen en de Gare d’ Austerlitz in Parijs en tussen twee bezoeken van de ik-verteller aan het fort van Breendonk. Jacques Austerlitz is gespecialiseerd in architectuurgeschiedenis. Zijn verhalen gaan niet alleen over zijn leven maar, vooral in de eerste gesprekken, wijdt hij uitgebreid uit over gebouwen en bijvoorbeeld over (de nutteloosheid van) de vestingbouw waarvan het fort van Breendonk een voorbeeld is.
Enkele stijlkenmerken
‘Hohe Stil’
Zijn voorkeur voor ‘oude’ Oostenrijkse of Zwitserse schrijvers heeft ongetwijfeld zijn stijl beïnvloed. Die leunt sterk aan bij het Duits van de 19de eeuw. De Duitsers noemen het ‘Hohe Stil’. Zinnen van een paragraaf lang, soms bijna een hele bladzijde, veel tussenzinnen, zodat herlezen nodig is om alle informatie die erin zit te vatten. Geen vlot leesbaar Duits zoals dat tegenwoordig gangbaar is. Het komt ook door zijn isolement. Hij verkoos in het Duits te schrijven hoewel hij al jaren in Engeland leefde en werkte. “Je laat je dan minder beïnvloeden door de schrijfmodes van de tijd” zei hij daarover. Ondanks de ingewikkelde vorm vind ik zijn stijl niet ouderwets. Hij nodigt wel uit tot traag en aandachtig lezen.
Geen dialogen
Sebalds boeken zitten vol gesprekken tussen de ik-verteller en andere personen maar hij gebruikt hiervoor nooit de dialoogvorm. In ‘Austerlitz’ is dat het meest uitgesproken omdat Austerlitz vrijwel constant aan het woord is. Via korte tussenvoegsels zoals “zei Austerlitz” krijgt de lezer de boodschap dat de ik-verteller/Sebald er nog is. Soms laat Austerlitz op zijn beurt weer andere personen aan het woord. Wanneer hij in Praag zijn vroegere oppas opzoekt en die haar verhaal doet, wordt de lezer zo bij de les gehouden: “En ik weet nog, zo vertelde Vera mij, zei Austerlitz, dat het …” (mijn onderlijning).
Precieze plaats- en tijdsaanduidingen
Sebald situeert zijn verhalen meestal heel concreet in tijd en ruimte. In het begin van ‘Austerlitz’ verblijft hij in Antwerpen. Op de eerste bladzijde somt hij de namen van de straten op waardoorheen hij loopt. Sommige van de tijdsaanduidingen komen sterk overeen met zijn biografie. Zo is hij inderdaad in de herfst van 1966 naar Manchester getrokken zoals hij aangeeft in de eerste zinnen van het verhaal over Max Ferber in ‘De emigrés’. Ook wanneer hij het niet over zichzelf heeft, gebruikt hij verifieerbare tijds-en plaatsbepalingen. Het verhaal over Beyle (Stendhal) in ‘Duizelingen’ begint met: “Medio mei van het jaar 1800 trok Napoleon met 36.000 man over de Grote Sint-Bernard …”. En het verhaal over Kafka begint heel concreet met: “Op zaterdag 6 september 1913 is dr. K., de vicesecretaris van de Praagse Verzekeringsmaatschappij voor Arbeiders, op weg naar Wenen om deel te nemen aan een congres over reddingsdiensten en hygiëne.”
Foto’s en beeldmateriaal
Op ‘Naar de natuur’ na bevat al het proza van Sebald foto’s en beeldmateriaal. Het vormt samen met de precieze plaats- en tijdaanduidingen het documentaire gehalte van zijn werk. Er is wel een verschil. De foto’s zijn lang niet zo duidelijk. Ze zijn meestal in vage grijstinten en nogal onscherp. Er zijn geen onderschriften. In de tekst wordt soms wel ernaar verwezen. Het kan bedoeld zijn als ‘bewijsmateriaal’ of om een sfeer op te roepen. In het eerste autobiografische verhaal in ‘Duizelingen’ vertoeft hij enkele dagen in een hotel aan het Gardameer te Limone. Wanneer hij wil vertrekken blijkt zijn paspoort verdwenen, want meegegeven aan een andere hotelgast. Hij moet dus op zoek naar tijdelijke identiteitspapieren. Zowel het document dat de plaatselijke politie aflevert als de pas die het Duitse consulaat van Milaan uitreikt, staan afgedrukt. Dat zijn ‘bewijzen’. Aan het begin van de eerste twee verhalen in ‘De emigrés’ staat een foto. In het verhaal over Dr. Henry Selwyn is het een foto van een kerkhof met een grote boom in het midden. Enkele zinnen verder is er wel sprake van een kerkhof, maar het is niet duidelijk of dat het kerkhof van de foto is. Het verhaal over Paul Bereyter begint met een foto van een landweg die kaarsrecht naar een heuvelrug loopt. Ligt er een spoorweg tussen de weg en de heuvelrug? Dat is niet te zien. Het kan dus niet als ‘bewijs’ dienen dat daar de spoorlijn loopt waar Paul Bereyter een eind aan zijn leven heeft gemaakt. Sfeerschepping is hier de bedoeling van.
Structuur
Voor de structuur van Sebalds boeken verwijs ik naar de metafoor van het labyrint. Een labyrint is een constructie. Het bestaat uit gangen en kamers. Vele lopen dood of leiden nergens toe. Maar ze zijn verbonden met elkaar. Voor sommige personages heeft Sebald op zichzelf staande ‘kamers’: de schilder Grünewald en de natuurkundige Steller in ‘Naar de natuur’, de schrijvers Stendhal en Kafka in ‘Duizelingen’. Wanneer Sebald als ik-verteller optreedt is er een zekere verhaallijn die in tijd en ruimte wordt gesitueerd maar die herhaaldelijk wordt onderbroken. In het eerste autobiografische verhaal in ‘Duizelingen’ maakt hij, voor hij uit Wenen vertrekt, een wandeling met Ernst Herbeck, een Oostenrijkse dichter die net als de Zwitserse schrijver Robert Walser een groot deel van zijn leven in de psychiatrie heeft doorgebracht. Minutieus beschrijft hij de wandeling met al de namen van de straten en de plaatsen waar ze door- of voorbijlopen. Het verhaal van de wandeling wordt echter onderbroken als ze aan een lagere school komen. Twee jaar eerder heeft hij samen met een vriendin aan deze school gestaan. Het was haar vroegere lagere school, als ze erbinnen gaat komt ze ontredderd terug buiten en ook “de hele avond kon ze de onverwachte terugkeer van het verleden niet van zich afzetten”. Eigenlijk waren ze op weg om een bezoek te brengen aan de demente grootmoeder van zijn vriendin die daar in de buurt in een bejaardentehuis verbleef. Na een impressionistische beschrijving van het uitzicht van op de kamer van de oma eindigt de ‘uitstap’ naar de oma met het bericht dat ze drie weken na hun bezoek is overleden. Sebald keert vervolgens terug naar de wandeling met Herbeck en het afscheid van zijn vriend. Na een witregel, die veeleer zelden voorkomt in zijn werk, vervolgt hij zijn reis van Wenen naar Venetië. Deze structuur maakt dat het lezen van Sebald boeiend is maar aandacht vraagt. Achteraf heb je moeite om je alles te herinneren. Herlezen dan maar én herontdekken.
De voornaamste thema’s
Herinnering, heden en verleden, feiten en fictie
Herinnering is een van de sleutelthema’s van Sebalds werk. Het houdt sterk verband met de vraag of we het verleden wel kunnen kennen en doorgronden. Niet voor niets begint Sebald zijn prozaschrijvers-loopbaan in ‘Naar de natuur’ met de figuur van Grünewald van wie de levensgeschiedenis is omgeven met mysterie. De naam Grünewald is aan de schilder uit de 16de eeuw gegeven door Joachim von Sandrart in …1675, meer dan een eeuw later! Achter de naam Grünewald zou eigenlijk “de in de archieven ontdekte maar verder niet met eigen werk gedocumenteerde schilder Mathis Nithart schuilgaan”. Gaat het om één persoon of zijn het er twee? Hebben ze mekaar gekend? Waren het vrienden? Heeft Nithart in sommige schilderijen de aanzet gegeven en heeft Grünewald eroverheen geschilderd? Feiten zijn vaak omgeven van onduidelijkheid. Is het allemaal wel geweest zoals we denken dat het was? In ‘Duizelingen’ laat hij Beyle (Stendhal) optekenen “dat je zelfs realistische herinneringsbeelden niet goed kunt vertrouwen”. Wanneer Sebald in het verhaal over zijn terugkeer naar zijn geboortedorp een ver familielid bezoekt, die hem vraagt wat hem na zoveel jaren naar W. heeft gevoerd, antwoordt hij “dat ik in mijn hoofd allerlei reconstructies had gemaakt, dat de dingen daardoor echter niet duidelijker, maar juist raadselachtiger waren geworden.” Herinneren en reconstrueren, dat is wat Sebald doet, vermengen van feiten en fictie, personages samenstellen op basis van een of meer werkelijk bestaande figuren.
Melancholie
Bijna alles wat Sebald schrijft, baadt in een sfeer van weemoed en melancholie om wat is verloren gegaan of wat men niet (meer) kan vatten. Een pakkend voorbeeld hiervan is het verhaal in ‘De ringen van Saturnus’ als Sebald zich een verblijf herinnert bij een verarmde adellijke familie in Ierland, de Ashbury’s, een moeder met haar drie dochters en een zoon. Door de burgeroorlog van de jaren 1920 in Ierland zijn heel wat Engelse landeigenaars vertrokken naar veiliger oorden want vele landgoederen zijn in brand gestoken. Dezen die niet de middelen hadden of niet ondernemend genoeg waren om dit te doen, zagen hun landgoed met de tijd in waarde verminderen. De landbouw bracht niet genoeg meer op, het personeel werd te duur, de onderhoudskosten van het landgoed rezen de pan uit. Ze leefden geleidelijk in steeds kleinere gedeelten van hun eens zo ruime vertrekken. De Ashbury’s waren in dat geval. Ze hadden nooit geleerd om zich zelfstandig te onderhouden. Alles wat ze ondernamen mislukte. Sebald beschrijft hoe ze zich met de meest nutteloze dingen bezighielden. Hun verleden komt hij aan de weet wanneer de vrouw des huizes op een avond vertelt hoe het de familie is vergaan nadat ze eerst samen naar lichtbeelden hebben gekeken van de betere tijden die ze hebben gekend. Dit is een passage van een schrijnende schoonheid, die mij altijd opnieuw raakt. Er zijn er zo wel meer in het oeuvre van Sebald. Ook de verhalen over Paul Bereyter en Ambros Adelwarth bijvoorbeeld grijpen mij steeds weer aan omwille van het diepmenselijk meeleven zonder sentimenteel te worden. Sebald behoudt steeds enige afstand, maar je voelt zijn betrokkenheid, zijn respect, zijn mildheid.
Maatschappijkritiek
Hij is nochtans niet altijd even mild. Soms komt hij scherp uit de hoek over maatschappelijke mistoestanden. Zo is hij bijvoorbeeld niet mals voor het brute roofkolonialisme van de Belgische koning Leopold II in Kongo. “Inderdaad is er in de hele, grotendeels nog ongeschreven geschiedenis van het kolonialisme nauwelijks een duisterder hoofdstuk te vinden dan dat van de zogenaamde ontsluiting van Kongo” lezen we in ‘De ringen van Saturnus’. Sebald voert Joseph Conrad en Roger Casement op. Beide zijn in Kongo geweest. Conrad, die eigenlijk Jozef Konrad Korzenievski heette en van Pools-Oekraïense afkomst was (je leert altijd wat bij als je Sebald leest!), zal “langzamerhand de waanzin van het hele koloniale bedrijf” ontdekken en er later ‘Heart of Darkness’ over schrijven. Roger Casement schrijft als Engelse ambtenaar een vernietigend rapport over de mensonwaardige omstandigheden in de Kongo Vrijstaat van Leopold II en doet hetzelfde over de uitbuiting van de Britse Amazon Company in Zuid-Amerika. Hij wordt veroordeeld en opgehangen omdat hij, midden in WOI (!), in Berlijn wapenleveringen voor het Ierse Bevrijdingsleger organiseerde.
De maatschappijkritiek van Sebald is niet altijd zo expliciet als in het voorbeeld hierboven. Soms zijn er subtiele, maar niet minder duidelijke, stellingnamen. Al in de eerste regels van ‘Naar de natuur’ geeft hij een sneer naar de nazi’s wanneer hij Fränger vernoemt, die over Grünewald schreef, maar “wiens boeken door de fascisten werden verbrand”. Een beetje verder vermeldt hij, een tikkeltje ironiserend “het grote boek over de historische Grünewald, door dr. phil. W.K. Zülch in het jaar ’38 voor Hitlers verjaardag uitgebracht”, maar in dit boek “heeft het verhaal van deze buitengewone verbintenis zich niet laten inpassen”. En wat was die ‘buitengewone verbintenis’? Grünewald trouwde met een Joodse! Zij bekeerde zich wel tot het katholicisme, maar kreeg desondanks geen plaats in het werk van de grote geleerde. In het korte verhaal over Grünewald vermengt Sebald zowel beschrijvingen van zijn schilderijen als verwijzingen naar maatschappelijke toestanden. Behalve de verholen kritiek op de nazi’s vermeldt hij de gruwel na de boerenopstand van 1525 (de beeldhouwer Riemenschneider wiens handen werden verbrijzeld) en de Jodenvervolgingen die in Frankfurt a/M al van in de 13de eeuw voorkwamen en later gepaard gingen met kledingvoorschriften (“gele ringen op de jas”) en gettovorming.
Als maatschappijkritiek geldt ook het verzwijgen van het lijden van de Duitse bevolking door de luchtbombardementen tijdens de Tweede Wereldoorlog. In ‘De ringen van Saturnus’ kaart hij deze problematiek aan bij monde van een Engelse tuinman die als kind de vliegtuigen vanuit East Anglia heeft zien vertrekken. Toen de man later als soldaat in het bezette Duitsland verbleef verbaasde hij zich erover dat niemand iets had opgeschreven van de verwoesting die de bombardementen had teweeggebracht. “En ook als je het de mensen persoonlijk vroeg, was het alsof alles in hun hoofd was uitgewist”. Zelf kan de man vaak niet slapen door het beeld in zijn hoofd van de vertrekkende bombardementsvliegtuigen wetende welke verwoesting ze gingen aanrichten, verwoesting die hij als kind nauwkeurig bijhield op een kaart van Duitsland.
Ziekte, psychisch lijden, waanzin, zelfmoord, dood
Het verwondert niet dat Sebald aandacht had voor het lijden van de Duitse bevolking tijdens WOII. Zijn hele oeuvre is doordrenkt van lijden. Het begint al in ‘Naar de natuur’. Sebald beschrijft het altaarstuk van Isenheim. Grünewald schilderde het in opdracht van het Antonietenhospitaal waar al van in 1300 zieken werden verzorgd. Het beeldt de gruwelijkheid uit van de ziek(t)en van die tijd “in de fraaiste en huiveringwekkendste kleuren”. Aan het begin van ‘De ringen van Saturnus’ is Sebald in het ziekenhuis opgenomen “in een toestand van vrijwel volledige immobiliteit”, blijkbaar omwille van heel zwaar ruglijden. Ook psychisch lijden is hem niet bespaard. Tijdens zijn eerste reis in Noord-Italië, waarover hij vertelt in ‘Duizelingen’, lijdt hij aan een soort achtervolgingswaanzin en is hij volledig in de ban van moordzaken waarover hij in de krant heeft gelezen. Als hij op de rekening van een pizzeria in Verona Cadavero Carlo ziet staan, de naam van de uitbater, slaan de stoppen helemaal door en vlucht hij vierklauwens de stad uit. Ook Austerlitz wordt tot op de rand van de waanzin gebracht door de verwarrende gevoelens die zijn onverwerkte herinneringen oproepen. Maar Austerlitz gaat actief op zoek naar zijn verleden. Voor drie van de vier personages in ‘De emigrés’ is de uitkomst van hun onbestemde gevoelens en dito psychisch lijden minder hoopvol. Henry Selwyn en Paul Bereyter plegen zelfmoord op latere leeftijd. Ambros Adelwarth komt aan zijn eind na een vruchteloze en pijnlijke psychiatrische behandeling. Sebald had een speciale relatie met de dood en de doden. In de streek waar hij opgegroeide konden de doden in de winter niet begraven worden want de grond was bevroren. Ze werden in een schuur gelegd. Ze waren heel aanwezig, zegt Sebald in een interview. Aan het eind van het eerste verhaal in ‘De emigrés’ leest Sebald in de krant dat de resten van het lijk van een al 72 jaar vermiste berggids is teruggevonden. Dr. Henry Selwyn, de hoofdpersoon in het verhaal, heeft over die berggids aan hem verteld want het was zijn beste vriend. “Zo keren ze terug, de doden” mijmert Sebald.
Rampen, catastrofes
Hoewel Sebald in ‘Naar de natuur’ de bedenking maakt dat hij “ondanks de vreselijke gebeurtenissen elders, aan de noordrand van de Alpen is opgegroeid zonder besef van de verwoesting” gaat hij toch onmiddellijk verder met “kwam al vroeg het beeld bij mij op van een geluidloze ramp, die zich bijna onmerkbaar voor de beschouwer voltrekt”. Is de holocaust die ‘geluidloze ramp’? Er is een strekking in de Angelsaksische literatuur die het werk van Sebald onderbrengt bij de holocaustliteratuur. Het is inderdaad zo dat drie van vijf personages in ‘De emigrés’ en ‘Austerlitz’ de gevolgen van de naziterreur hebben mogen ondervinden, maar voor de vele andere personages waarover hij vertelt in zijn vijf boeken is dat niet het geval. De Angelsaksische literatoren zijn blijkbaar met het andere prozawerk niet zo vertrouwd. In een essay in de Groene Amsterdammer van 30 januari 2020 brengt Arnon Grunberg een belangrijke nuance aan: “Daarbij wel aantekenend dat de catastrofe volgens Sebald al langer plaatsvindt dan de holocaust; in navolging van Walter Benjamin ziet hij de menselijke geschiedenis als een reeks van catastrofes.” Bevestiging hiervan vinden we aan het slot van ‘De ringen van Saturnus’. Nadat Sebald het uitvoerig over de zijdeteelt heeft gehad, merkt hij terloops op: “Wanneer ik nu, terwijl ik dit opschrijf, nog één keer terugkijk op onze bijna uitsluitend uit calamiteiten bestaande geschiedenis …”.
Ook humor
Sebald schrijft geen amusante boeken. Maar toch zit er hier en daar humor in, wel veeleer van het wrange soort. Een van de weinige grappige situaties zonder meer komt voor in het laatste verhaal van de ‘De emigrés’. Op zoek naar een goedkoop pension in Manchester komt hij, de onervaren student, terecht in een rendez-vous huis. Amusant is de beschrijving van een vreemd uitziend toestel dat op zijn kamer staat en een gecombineerd wekker-theezetapparaat blijkt te zijn. Een foto moet als ’bewijs’ dienen. Een andere grappige situatie (in ‘Duizelingen’) is de toevallige ontmoeting van de ik-verteller met een vijftienjarige tweeling die als twee druppels water op de jonge Kafka lijkt. Nu moet je weten dat toeval een van Sebalds stokpaardjes is. Gekoppeld aan zijn drang om wat hij schrijft te staven met beeldmateriaal is hij erop gebrand om een foto te nemen van de twee jongens. Hij krijgt het hun echter niet uitgelegd. De ouders dan maar geprobeerd, een Siciliaans koppel dat met hun zonen op vakantie is in Noord-Italië. Zij verstaan aanvankelijk niet wat die vreemdeling van hen wil en als ze het wel door krijgen neemt hun wantrouwen hand over hand toe want zij verdenken hem er van “een Engelse pederast” te zijn en ze zouden “dat voelde ik, niet aarzelen om de bus in het volgende dorp te laten stoppen en de opdringerige passagier aan de autoriteiten te laten overdragen.” Vierklauwens verlaat hij de bus bij de eerstvolgende halte. Hilarisch. Maar niet voor Sebald. Hij is er het hart van in: “vervuld van uiterst pijnlijke gevoelens en van een machteloze woede omdat ik nu geen enkel bewijs zou kunnen laten zien van deze hoogst onwaarschijnlijke ontmoeting.” Een voorbeeld van zijn wrange humor is de beschrijving van zijn avondmaal in een hotel in Lowestoft (‘De ringen van Saturnus’). “Het was ook dezelfde schichtige vrouw die later in de grote eetzaal, waar ik die avond de enige gast was, mijn bestelling opnam en mij kort daarna een vis bracht die beslist al jaren in de diepvrieskist begraven had gelegen en op welks gepaneerde, hier en daar door grill verbrande pantser ik vervolgens de tanden van mijn vork verboog. Het kostte mij in feite zoveel moeite om door te dringen tot het inwendige van dat voorwerp, dat ten slotte uit niets anders dan de harde omhulling bleek te bestaan, dat mijn bord na die operatie een afschuwelijke aanblik bood. De sauce tartare die ik uit een plastic zakje had moeten drukken was grijsachtig verkleurd door het roetzwarte paneermeel, en de vis zelf of wat voor vis moest doorgaan, lag voor de helft verwoest onder de grasgroene Engelse erwten en de resten van de vettig glimmende chips. Ik weet niet meer hoe lang ik in die geheel met wijnrood beplakte eetzaal heb gezeten voordat de paniekerige jonge vrouw, die kennelijk al het werk in huis in haar eentje verrichtte, vanuit de steeds schemeriger wordende achtergrond aan kwam snellen om de tafel af te ruimen. Misschien kwam ze pas een uur nadat ik mijn bestek had neergelegd. Ik herinner mij alleen nog de scharlakenkleurige vlekken die ik uit haar decolleté van haar blouse over haar hals naar boven zag kruipen toen ze zich vooroverboog naar mijn bord. ”
Toemaatje: de geschiedenis van Sebalds publicaties
Sebald is “ontdekt” door een kleine alternatieve Duitse uitgever Franz Greno en door Hans Magnus Enzenberger, redacteur van de boekenreeks “Die Andere Bibliothek”, een in Duitsland bekende reeks waarin ongeveer 250 boeken zijn uitgegeven. Alleen het laatste werk “Austerlitz” is niet in “Die andere Bibliothek” verschenen. De Nederlandse uitgever Van Gennep is de eerste om Sebald in vertaling uit te geven. In hetzelfde jaar dat “Schwindel. Gefühle” (1990) uitkomt, ligt er een Nederlandse vertaling in de boekhandel onder de titel “Melancholische dwaalwegen”. De Engelse vertaling van dit boek verschijnt pas in 1999, negen jaren later! Recensent Michael Zeeman noemt het in de Volkskrant “een weergaloos knap boek” maar hij laakt de slordige vertaling en de slechte eindredactie (“een moord op een boek”). De volgende boeken van Sebald zullen worden vertaald door Ria Van Hengel en in 2008 verschijnt een nieuwe vertaling van “Schwindel. Gefühle” met als titel “Duizelingen”. Met “Die Ausgewanderten” (1992) is Van Gennep er weer als de kippen bij want ook “De émigrés” verschijnt in hetzelfde jaar. Met “De ringen van Saturnus” klopt de Nederlandse uitgever opnieuw alle andere vertalingen in snelheid hoewel het verschil kleiner wordt. Met “Austerlitz” (2001) verandert het plaatje. Sebald is ondertussen internationaal zo bekend, vooral door de positieve reacties op zijn werk van o.a. Susan Sontag, dat de Engelse vertaling verschijnt in hetzelfde jaar als de oorspronkelijke Duitse uitgave. De Nederlandse vertaling verschijnt in 2003 en is dit keer slechts de achtste in de rij. De Bezige Bij heeft de uitgave van de Nederlandse vertalingen van het hele oeuvre van Sebald al geruime tijd overgenomen. Eind 2019 is een nieuwe uitgave van zijn prozawerk verschenen. Jammer dat ‘Naar de natuur’ er niet bij is.
Tot slot: een advies
Misschien is deze inkijk in het proza van Sebald een opstap naar het effectief lezen ervan. Als je het doet, begin met ‘De emigrés’. Dat zijn behapbare verhalen. Ook ‘Austerlitz’ is een aanrader. Het zijn mijn favoriete boeken en ook internationaal de meest vertaalde. Ze zullen minder afschrikken dan het sombere en complexe van ‘De ringen van Saturnus’. Het Brugs Leesgezelschap vond dat “niet meteen een nachtkastjesboek”. Het lezen van Sebald is inderdaad geen slaapmutsje. Maar je kan er wel eindeloos mee doorgaan en je laten raken door de schrijnende schoonheid van zijn verhalen.
Hugo D’hertefelt