het wonder van het leven

Ik houd niet op me te verwonderen en te verbazen over het leven op aarde. Hoe meer ik erover lees, hoe dieper ik erover nadenk, hoe groter mijn ontzag wordt.
Neem nu de voortplanting. Wij staan er niet vaak bij stil, maar is het in feite geen mirakel dat wijzelf en alle leven om ons heen wel sterven als individu, maar het leven kunnen doorgeven aan onze kinderen? Wetenschappers en gelovigen stellen zich vragen over het ontstaan van het leven, maar schenken veel minder aandacht aan het feit dat er niet alleen leven is, maar dat het leven zich ook in stand houdt door de voortplanting, wat in feite zeker zo verbazingwekkend is.
Ook de Bijbel komt daar niet uit: de eerste mens is geschapen als een eeuwig, onsterfelijk wezen. Pas na de zondeval ontdekt het de seksualiteit en de voortplanting. Vreemd, bizar zelfs. Wij kunnen ons immers geen leven voorstellen dat zich niet noodzakelijkerwijze ook voortplant. Wat zou de zin zijn van leven indien het alleen maar leeft om te leven en dan te sterven? Als er geen voortplanting is, zoals in de tuin van Eden, dan moest de mens wel onsterfelijk zijn, anders heeft de schepping inderdaad geen zin, moest God voortdurend opnieuw beginnen.
Nee, zo is het niet gegaan, dat hadden zelfs de meest primitieve mensen door: het leven is een voortdurende cyclus van leven en sterven en zich voortplanten, zowel voor de mens als voor de dieren en de planten. Dat is voor mij het wonder van het leven, veel meer dan het ontstaan ervan: dat het in staat is om het leven in leven te houden.

Het was
Darwin die zich als een van de eersten afvroeg waar de grote verscheidenheid
van het leven op aarde vandaan kwam. Hij zag verschillen maar vooral
gelijkenissen. Zo bracht hij vele uren door in de Londense Zoo, gefascineerd door
het gedrag van een van de apen in hun kooi, zo verschillend van de mens en toch
zo gelijkend. Stilaan groeide het besef dat er geen uniek Bijbels scheppingsmoment
was geweest, waarop alle soorten, inclusief de mens, tegelijk gemaakt werden
uit het niets. De samenhang in verscheidenheid van de schepping wees op een
evolutie, op een gemeenschappelijke afkomst en oorsprong.
Alle leven had ten minste één kenmerk gemeen: de voortplanting. Daarin lag het mysterie, dat had hij goed begrepen. Maar de voortplanting, bij de dieren maar vooral bij de mens, was een taboe, vooral voor de godsdienst en dus wist men zo goed als niets over voortplanting en seksualiteit, tenzij wat men uit de praktijk had begrepen. Zo legde men voor 1870 nooit het verband tussen de maandstonden van de vrouw en haar vruchtbaarheid; men dacht dat ze gewoon elke maand een teveel aan bloed loosde, zoals men trouwens ook bij mannen voortdurend aderlatingen deed als een gezondheidskuur of remedie tegen allerlei kwalen. Wetenschappelijk onderzoek in dat domein was verboden, men mocht amper over voortplanting spreken en zeker niet in het openbaar, laat staan op school of zelfs aan de universiteit.
Voor de godsdienst is voortplanting en seksualiteit onbegrijpelijk, en dus zondig. Paulus predikte het celibaat, in afwachting van de wederkomst van Christus en het einde van deze wereld. Maar dat einde kwam niet en de wederkomst werd steeds uitgesteld, tot ze een verre droom was, een mythe, een verhaal, een sprookje. En voortplanting en seksualiteit kwamen steeds meer op het voorplan. Niet dat de praktijk ervan ooit in vraag gesteld was: de mens was en is een uiterst actief seksueel wezen. In feite draait heel ons leven rond seks en voortplanting en alles wat ermee samenhangt, wij zijn niet alleen seksueel actief, we zijn seksueel in al wat we denken en doen en laten.
Darwin beschikte niet over de wetenschappelijke gegevens, maar hij had een intuïtie, een ingeving gegroeid uit zijn jarenlange observaties van de natuur, tijdens zijn grote reis met de Beagle en daarna in Engeland. Alles draaide rond de voortplanting, daar lag de sleutel. Hij zag dat mens en dier zich seksueel voortplant en dat niet alleen het leven zo voortgezet wordt, maar het leven zoals het is in degene die zich voortplant: uit een mens wordt een mens geboren, geen aap of geen vogel en ook geen Neanderthaler. Kinderen lijken uiterlijk op hun beide ouders, maar verschillen ook. Voortplanting levert geen identieke kopieën op van de ouders, ook niet bij de dieren. Er moet dus ergens een systeem zijn, waarbij het leven zelf wordt voortgezet, maar waarbij ook de individuele kenmerken van de ouders worden overgedragen, enigszins, gedeeltelijk, soms, op een of andere manier, en gecombineerd, want een kind lijkt zowel op zijn vader als zijn moeder, soms zelfs op een grootouder.
Het was pas in de twintigste eeuw dat men de geheimen van de erfelijkheid en de genetica ontsluierde. Het leven op aarde wordt voortgezet van ouder op kind, bij alle leven op aarde. Maar er is meer: de kenmerken van de soort en zelfs de kenmerken van het individu worden meegegeven met elk kind, elke welp, elk zaadje. Dat gebeurt niet volmaakt. Vooreerst is er bij de seksuele voortplanting altijd een combinatie van de kenmerken van de beide ouders, waarbij sommige sterk of dominant zijn en andere zwak of recessief, zodat het globale resultaat altijd onvoorspelbaar is en nooit twee keer hetzelfde. Maar elke nieuwe voortplanting is ook telkens weer een uitdaging: er kan zoveel verkeerd gaan, dat weet elke ouder. De eerste vraag die elke moeder stelt en waarmee elke vader zit: is het gezond?
Dat is het vertrekpunt van Darwin geweest. Bij de voortplanting gebeurt er van alles en wat er gebeurt, bepaalt het resultaat. Er zijn prachtige exemplaren binnen elke soort en er zijn helaas ook misbaksels. Er zijn zoveel verschillen, op elk gebied en die bepalen in grote mate de levenskansen van het individu. De meest geschikte exemplaren hebben de beste kansen om het langst te leven en om zich het meest succesvol voort te planten. De individuele kenmerken van deze exemplaren zullen zich dus verspreiden in de bevolking, de minder goede kenmerken zullen stilaan aan belang inboeten of zelfs verdwijnen. Dat is het principe waarmee de diversiteit van het leven op aarde kan verklaard worden: het leven dat door zijn genetische kenmerken het best aangepast is aan de omstandigheden, heeft de beste overlevingskansen en bepaalt zo de toekomst. Dat is natuurlijke selectie.
Als je het leven bekijkt, niet als iets dat allemaal tegelijk is ontstaan, amper vierduizend jaar geleden, in de waardij van één enkele week, maar iets dat over een periode van miljoenen jaren is ontwikkeld, generatie na generatie, zich telkens onvolmaakt voortplantend en vechtend om te overleven, dan krijg je een natuurlijke selectie die leidt tot de heerlijke diversiteit van het leven op aarde zoals het nu is. De natuur heeft een evolutie doorgemaakt van het meest eenvoudige begin tot de onbeschrijflijke complexiteit die we vandaag stilaan doorgronden. Ook dat is een bron van eindeloze verwondering: niet alleen is er leven, het plant zich niet alleen voort: het is ook zo complex dat het voor ons nog grotendeels mysterieus is. Met al onze kennis zijn wij niet in staat om iets te produceren dat zo complex is als wat wij voortbrengen in de simpele, bijna banale biologische act van de voortplanting: een mens…
Mensen leven in gemeenschap. We zijn met zeven miljard, we leven dicht opeengepakt. Zelfs als we moeite doen, kunnen we elkaar niet ontlopen. We hebben elkaar nodig, we kunnen niet zonder elkaar. Maar samenleven is niet eenvoudig, want we zijn allemaal verschillend. En we zijn allemaal gedreven door dezelfde drang om te overleven en om ons voort te planten. We vechten allemaal voor ons eigen vel, ons eigen plaatsje, voor een partner, voor kinderen. De anderen zijn zowel onze concurrenten als onze bondgenoten.
Zoals het in een lichaam kan verkeerd gaan op vele manieren, zo kan het ook in een samenleving wel eens mislopen. Ik vraag me dikwijls af hoe het toch mogelijk was en is dat het zo verschrikkelijk fout kan gaan tussen mensen, vroeger en nu. Ik denk aan de vele oorlogen en vervolgingen, aan al de mensen die geen natuurlijke dood gestorven zijn, maar vielen door de hand van hun broeders. Misschien stel ik mijn verwachtingen onredelijk hoog. Als we het over individuele mensen hebben, weten we dat die niet volmaakt zijn, op geen enkel gebied. Dat aanvaarden we, noodgedwongen, we kunnen niet anders. Hoe zou het samenleven van mensen dan volmaakt kunnen zijn? Nochtans is dat wat we verwachten en voortdurend eisen.
Misschien moet ik nog beter leren inzien dat dit een vermetele verwachting is. Zelfs als we proberen om er het beste van te maken, kan het nog serieus verkeerd aflopen. En we weten dat niet iedereen altijd met de meest nobele intenties bezield is, ook wij niet. Het is wellicht meer waarschijnlijk dat er iets fout gaat dan dat alles vanzelf perfect verloopt. Misschien mogen we al blij zijn als het al bij al nog meevalt, zoals we ook al tevreden zijn als het met ons lichaam nogal goed gaat, als we geen zware ziekten meemaken of geen armen of benen breken, als we ons niet teveel zorgen maken.
Als mensen in hun lichaam getroffen worden, dan vinden we dat erg. Een jonge moeder die bezwijkt aan kanker, een man die dood neervalt in de fleur van zijn leven, een kind dat niet levensvatbaar is: het treft ons diep, maar we weten dat het kan gebeuren, dat het gebeurt en niet alleen ver van ons bed.
Zo moet ik, moeten wij allen ook over de samenleving denken. Droogte en hongersnood in Afrika, maar ook moord en verkrachting en uitbuiting en corruptie, niet alleen in Afrika maar overal ter wereld. Niet dat we dat moeten aanvaarden in de zin van het goed te keuren of erin te berusten, integendeel: we moeten het bestrijden zoals we ook kanker en hart- en vaatziekten en genetische afwijkingen bestrijden. Zal er ooit een tijd komen dat de mens, elke mens vrij is van alle lichamelijk lijden? Dat ogenblik lijkt nog zeer veraf, het is nu zelfs nauwelijks denkbaar. Misschien zijn de kwalen van de maatschappij net zo onvermijdelijk. We doen er in alle geval goed aan om niet al te optimistisch te zijn: de hemel op aarde is niet voor morgen.
Dat betekent
dat er werk aan de winkel is. Veel werk.












