‘Placebo’ is
een Latijns woord en het betekent: ik zal behagen. In de geneeskunde is het de
naam die men geeft aan een schijngeneesmiddel, een nepmedicijn dat er net zo
uitziet als een echt geneesmiddel en dat men bij sommige geneeskundige experimenten
toedient aan proefpatiënten. Zo kan men zien of een ‘echt’ geneesmiddel beter
werkt dan eentje dat geen enkel geneeskrachtig bestanddeel bevat.

Merkwaardigerwijs
bleek rond 1950 dat in een niet onaanzienlijk aantal van de gevallen het
nepgeneesmiddel hetzelfde effect bleek te hebben als het echte… Stel je de
verrassing voor van de onderzoekers! Na jarenlang peperduur onderzoek menen ze
een middel gevonden te hebben tegen een of andere vreselijke ziekte. In een
proefproject geven ze aan 100 patiënten hun nieuw medicijn en ter controle dienen
ze aan honderd andere een identiek uitziend pilletje toe, echter zonder de
werkzame stof. Normaal zou je denken dat in de ene groep het medicijn effect
zal hebben op tussen 1 en 100 patiënten en in de andere groep op niemand. Maar
dat is niet zo. Ook in de tweede groep blijken er een aantal gevallen een
gunstig effect te ondervinden van het toegediende pilletje, waarin helemaal
geen medicatie verwerkt is.
Het wordt
nog ingewikkelder. In het experiment dat ik hierboven schetste, weten de
patiënten niet dat ze een nepmiddel hebben gekregen en die in de eerste groep
weten niet dat er aan een andere groep een placebo gegeven is. Als men nu aan
de beide groepen vooraf vertelt dat sommigen een placebo krijgen, zonder te
zeggen wie, dan blijkt het effect van de medicatie globaal kleiner te zijn dan
in een proef zonder placebo’s. De patiënten ervaren het medicijn dus als minder
geneeskrachtig als ze weten dat er placebo’s in het spel zijn.
Nog
merkwaardiger is het dat als men aan een patiënt een placebo geeft, zonder te
zeggen dat het nep is, maar met de boodschap dat het de ziekte kan bestrijden,
de patiënten ook een gunstige evolutie rapporteren.
De
geneeskunde staat zelf terecht uiterst kritisch tegenover dit placebo-effect.
De verbetering van de gezondheidstoestand is immers zeer moeilijk objectief te
meten. Voel je je beter? Hoeveel beter? Is de verbetering blijvend? Hoe meet je
pijn en ongemak? Zijn het de symptomen of de nevenverschijnselen die verdwenen
zijn, of is er echt sprake van genezing? Bij sommige ziekten, zoals psychische
aandoeningen, is het meten van succes bij de behandeling op korte termijn
vrijwel onmogelijk en zelfs op langere termijn zeer twijfelachtig. Bij andere
zal het effect snel en spectaculair zijn. Maar precies in die laatste gevallen
is het placebo-effect het kleinst of zelfs totaal afwezig. Toen ik enige tijd
geleden last had van hartritmestoornissen (VKF of voorkamerfibrillatie) kreeg
ik een inspuiting die binnen de dertig seconden het ritme normaliseerde. Een
inspuiting met water zou ongetwijfeld dat effect niet hebben. Niks placebo
hier.
Het
placebo-effect werkt dus niet altijd. Het lijkt het meest te werken in gevallen
waarbij de beoordeling van het effect veeleer subjectief is. Als men ook aan de
onderzoekers niet zegt wie een placebo gekregen heeft, is het placebo-effect
kleiner dan als men het wel bekend maakt. Het placebo-effect werkt dus zelfs op
de waarnemers… Anders gezegd: het is fictief.
Vandaar dat
werken met placebo’s als ethisch verwerpelijk wordt beschouwd, ook in medische
testen. Als je tien zieken een medicijn toedient dat werkt en tien dat medicijn
onthoudt, dan behandel je die laatste groep niet ethisch, je ontzegt hen hulp
en dat is verkeerd, misdadig en strafbaar, zelfs als dat gebeurt bij het testen
van nieuwe producten. Er zijn andere, minder controversiële en meer ethische en
even efficiënte methoden om medicijnen te testen voor ze vrijgegeven worden
voor algemeen gebruik.
Het verkopen
van placebo’s in plaats van medicijn is evident verboden. Wie een product op de
markt brengt dat geen geneeskrachtige werking heeft, mag daaraan ook geen
helende waarde toeschrijven. Zelfs als we zouden aannemen dat placebo’s (soms)
werken, dan nog ga je niet naar de apotheker om placebo’s te kopen. De dokter
zal je ook niet vragen of je een echt geneesmiddel verkiest of een placebo, of
je een placebo geven in plaats van een echt geneesmiddel.
Toch zijn er
gevallen waar dat het geval lijkt te zijn. Homeopathische middelen hebben geen enkele
bewezen medicinale kracht. Toch zijn velen ervan overtuigd dat ze werken. Die
werking kan dan alleen het gevolg zijn van het placebo-effect: ze werken omdat
men erin gelooft. Het is niet het middel dat werkt, maar het geloof in de
werking ervan. Het zit niet in het middel, maar in ons hoofd.
Wat men
verder over placebo’s ook mag zeggen, het is zeker zo dat de gemoedsgesteltenis
van de patiënt een belangrijke factor is in elk ziekte- of genezingsproces.
Daarover bestaat niet de minste twijfel. Het ligt ook voor de hand: de mens bestaat
uit materiële elementen, chemische producten, maar is ook een levend wezen, met
allerlei biologische kenmerken en is als homo sapiens bovendien een bewust en
emotioneel denkend wezen. Wat wij ziekte noemen, speelt zich af op elk van die
domeinen samen. Soms kan het een eenvoudig chemisch tekort zijn, zoals ijzer en
dan is dat snel verholpen. Het kan een biologisch probleem zijn, bijvoorbeeld
onvruchtbaarheid en dan kan men proberen om op dat niveau in te grijpen. Maar
in alle gevallen is er ook een ervaring van de ziekte en dat speelt zeer sterk
mee, vanzelfsprekend ook in de genezing. Het chemische en het biologische heeft
een invloed op ons denken en onze emoties, maar het emotionele en het rationele
denken heeft op zijn beurt een invloed op het chemische en het biologische. Het
lichaam van de mens is een eenheid, dat vergeten we soms wel eens.
Mensen
hebben de merkwaardige neiging om zich aan placebo’s toe te vertrouwen. Men kan
nog duizendmaal bewijzen dat er in een homeopathisch middel helemaal niets
aanwezig is, tot op het moleculair niveau toe, er zijn nog altijd mensen die
erin geloven. De ziekteverzekering betaalt zelfs een aantal dergelijke middelen
terug, de dokters schrijven ze voor, de apothekers verkopen ze!
Er zijn nog
andere voorbeelden van hetzelfde fenomeen. Men verkoopt ook koperen armbanden,
stenen en wat nog meer waaraan men bepaalde krachten toeschrijft. Dat is altijd
zo geweest, we hebben daarvan sporen die zeer ver teruggaan in de tijd,
bijvoorbeeld in de grafresten van de eerste mensen. De vroegste beschavingen
waren grotendeels gebouwd op veronderstellingen die wij nu niet meer
onderschrijven, maar die we nog wel aantreffen bij primitieve volkeren en ook
bij de minst ontwikkelde bevolkingslagen van de beschaafde wereld. Magie, alchemie,
astrologie en allerlei andere pseudowetenschappelijke denkwijzen waren alom
aanwezig in vroegere tijden en zijn ook vandaag nog verre van helemaal
verdwenen.
Wat steeds
weer opvalt, is dat dergelijke bedenkelijke praktijken steeds verbonden zijn
met mensen die ze aanbieden of opdringen aan anderen. Er zijn maar weinig
mensen die uit zichzelf aan astrologie deden of nu nog doen. Men heeft het
steeds geleerd van iemand anders. En men doet geen astrologie voor zichzelf,
men doet dat voor anderen en men laat zich daarvoor betalen. Dat is ook zo voor
magie en niet minder voor homeopathie. Er is altijd iemand die het te koop
aanbiedt en iemand die bereid is ervoor te betalen. En dat terwijl zowel de
enen als de anderen goed (kunnen) weten dat het om iets fictiefs gaat, iets
zonder enige wetenschappelijke grond of ernstig bewijs. Een placebo, een
zoethoudertje. Het lijkt wel alsof we ons graag iets laten wijsmaken. Mundus vult decipi. De wereld wil
bedrogen zijn…
Dat blijkt
ook als we kijken naar het verschijnsel godsdienst.
Ook hier
gaat het om iets dat enkelen, priesters genaamd, opdringen of opleggen aan
anderen, die hen daarvoor betalen, zodat de priesters en hun instelling, de
kerk, er royaal kan van leven. En het is iets dat geen ernstige mens au sérieux
zal nemen, bijvoorbeeld dat er in de hemel een almachtig wezen is, dat bestaat
uit drie personen, van wie één mens geworden is, geleden heeft, gestorven is en
begraven en de derde dag verrezen uit de doden, die nedergedaald is ter helle
en dan na veertig dagen opgestegen is ten hemel, waar hij zit aan de
rechterhand van de Vader (maar waar is dan de Geest?); dat dit Wezen de hele
wereld in zijn hand heeft, hem continu bestuurt in al zijn wijsheid; dat het met
ons een verbond heeft gesloten zodat wij, als we zijn bevelen en verboden
opvolgen, na onze dood eeuwig gelukzalig zullen leven in zijn aanschijn. Dat
ons gebed, onze verstervingen, onze goede daden bij machte zijn om dat wezen te
beïnvloeden, zoals onze tekortkomingen een voldoende reden zijn om ons voor de
rest van de eeuwigheid te laten branden in de hel. Dat het wezen wonderen heeft
verricht en dat nog steeds doet. Dat het rechtstreeks communiceert met zijn vertegenwoordigers
hier op aarde.
Als je er
even bij stilstaat en er dieper op ingaat, dan hoort godsdienst helemaal thuis
bij de magie van onze verre voorouders. Het syncretisme van het hellenisme en
van de Romeinse staat en het ontstaan van het christendom, de vreemde middeleeuwse
praktijken, de astrologie van de renaissance, de nieuwe godsdiensten van de
Reformatie en het even fanatieke katholicisme van de Contrareformatie, het zijn
allemaal vormen van dat ene principe: een beperkte groep van mensen maakt de
anderen iets wijs dat totaal ongeloofwaardig is en van alle redelijke grond
ontbloot, maar slaagt er toch in om daarvan behoorlijk te leven, ja zelfs
schatrijk te worden.
Antropologisch
onderzoek bij primitieve stammen heeft aangetoond dat het beroep van tovenaar daar
levensgevaarlijk is. De stamleden zijn graag bereid om een beroep te doen op de
kunstjes van de tovenaar, maar hij moet wel succes hebben. Als men hem tot tien
keer toe heeft betaald om het te doen regenen maar zijn dansjes blijken geen
gevolg te hebben, dan stuurt men hem de laan uit, of men slaat hem de kop in.
Magie is allemaal wel en goed, maar als het niet werkt, dan is dat het einde
van het verhaal. En werken kon het niet, dat wist iedereen, je kan dansen tot
je erbij neervalt: het is nog nooit beginnen regenen omdat een of andere idioot
daar beneden staat rond te huppelen, gehuld in een vreemdsoortig gewaad en
allerlei onzin uitkramend. En als het toevallig toch begint te regenen, dan
heeft ie geluk gehad. Maar je kan niet blijven geluk hebben.
Dat is in
feite ook zo geweest voor het christendom. Men heeft altijd enig geloof gehecht
aan de verhalen die men opdiste, maar men behield een gezonde kritische
houding. Zolang de inspanning niet te groot was, zolang men zich niet te veel
moest ontzeggen, zolang men in de praktijk toch kon doen wat men wou, was men
bereid om allerlei uiterlijk vertoon te tolereren. Maar het mocht niet te ver
gaan! Toen Rome nog maar eens op strooptocht ging in Europa om een nieuwe basiliek
te bouwen, vond men het in Duitsland meer dan welletjes. Toen de Paus de hele
Engelse kerk in de ban sloeg omdat men geen kerkelijke belastingen meer wou
betalen aan Rome, begon men prompt een eigen kerk, los van Rome.
Stilaan
verloor de kerk haar greep op het volk en ontstond er een burgerlijke
maatschappij, waarin godsdienst steeds meer een marginaal verschijnsel werd,
precies om dezelfde reden als in de primitieve stammen: godsdienst werkt niet,
het kan niet werken want het heeft geen vaste grond onder de voeten. Als het
dan toch een keertje lijkt te werken, dan is dat te wijten aan het
placebo-effect: niet God is efficiënt, maar ons geloof in God.
Arbeid
adelt, maar de adel arbeidt niet en de priester evenmin. Dat heeft men altijd
goed begrepen, je hoeft geen geleerde te zijn om dat door te hebben. Men is
maar bereid om niet-arbeidende clowns, bedriegers en charlatans te tolereren
als ze het niet te bont maken. Zo is het ook gegaan met de magie, ook die van
het christendom en met de astrologie: men is bereid om wat kleingeld te geven
aan een wichelaar om een plaats aan te duiden om naar water te graven, of aan
een astroloog om de toekomst te voorspellen, maar als het over ernstige zaken
ging, dan gebruikte een verstandig mens zijn gezond verstand.
De
katholieke kerk heeft het langst standgehouden. Dat is vooral omdat ze de
grootste wereldlijke macht had en op vele plaatsen nog steeds heeft. De
Anglicaanse kerk is een staatskerk en de katholieke kerk is dat ook in Italië,
Spanje, Polen, zelfs in België. Die kerken hebben grote belangen in de
opvoeding en in de zorgsector. In Noord-Amerika hebben de kerken machtige
lobby’s die hun wereldlijke belangen behartigen met enorme bedragen die ze de gelovigen
ontfutselen.
Steeds weer
herhaalt men dat de kerken een gunstige invloed hebben op de mens, dat zij hem
helpen om gelukkig te zijn en goed te leven. Maar zelfs als dat zo is, dan is
dat op valse gronden, door ons iets wijs te maken, door ons de dingen anders
voor te stellen dan ze zijn en daar nog voor betaald te worden ook. Het is een
placebo, zo simpel is het. Het kan werken, maar enkel omdat wij geloven dat het
werkt, niet omdat er echt een God is die straft en beloont.
Als wij ziek
zijn, dan vragen we aan de dokter wat er werkelijk aan de hand is met ons. Wij
stellen ons niet tevreden met een of andere magische verklaring, bijvoorbeeld
dat we bezeten zijn door een boze geest. Nee, we willen precies weten wat er
met ons aan de hand is, een zakelijke, concrete, materiële verklaring. En we
willen geen placebo, we eisen een echt medicijn, dat goedgekeurd is en dat
terugbetaald wordt. Bij de apotheker evenzo: geen lapmiddelen, maar iets dat
werkt. Geen talisman of een amulet met de beeltenis van Apollonia tegen de
tandpijn. We lezen wel eens een horoscoop, maar enkel als amusement. Geen mens
die er nog aan denkt om zijn spaargeld te beleggen op grond van de onzin die
sterrenwichelaars of zieners bedenken: als je het ernstig wil doen vraag je
raad aan je bankier of word je lid van een beleggingsclub.
Waarom
zouden we dan nog een godsdienst in stand houden? Omdat de kerken, ondanks het
feit dat hun uitleg verzonnen is, er toch in slagen om de mens op het goede pad
te houden en hem gelukkig maken? Ik heb grote twijfels bij die beide
stellingen. De mensen doen het goede of laten het kwade niet omwille van hun
godsdienstige overtuigingen en hun geluk hangt niet af van het feit of ze
godsdienstig zijn of niet. Maar ik heb ook zeer principiële bezwaren: uit het
kwade is nog nooit iets goeds voortgekomen. Men kan met bedrog geen resultaat
bereiken dat men te gronde goed kan noemen en men kan hetzelfde resultaat
evengoed of nog gemakkelijker bereiken zonder bedrog. Dat is mijn fundamenteel
verwijt aan het christendom en aan elke godsdienst: het zijn menselijke verzinsels
en wanneer men ontdekt dat het verzinsels zijn, is de betovering verbroken en
stort het hele kaartenhuisje ineen. Het risico dat men het bedrog ontdekt is
steeds zeer reëel aanwezig, one cannot
fool all of the people all of the time. Dat godsdiensten eventueel sommige verdiensten
zouden hebben, is nog geen reden om ze in stand te houden of te tolereren.
Placebo’s hebben ook effect, maar wij verbieden het gebruik ervan ten strengste.
Wat niet ernstig is, kunnen we niet ernstig nemen. Indien de doelstellingen van
een godsdienst al lovenswaardig zijn, dan nog zijn de oneerlijke middelen die
daartoe aangewend worden ongeoorloofd, onwerkzaam en onaanvaardbaar.
De
godsdiensten lijken stand te houden, voorlopig toch. Ze gaan erop achteruit,
overal ter wereld waar de beschaving doordringt. Eerst gaan ze tot de folklore
behoren, maar na enkele generaties is ook dat verdwenen. Vraag eens aan uw
kinderen of kleinkinderen van zeven tot veertien wat ze van de godsdienst
weten, wat godsdienst voor hen betekent.
Je zal me
zeggen: daar is ie weer, de atheïst! Het komt altijd op hetzelfde neer!
Dat is ook
zo. Ik probeer je langs verscheidene wegen tot dezelfde conclusie te brengen,
namelijk dat het beter is dat je zelf nadenkt over de dingen en je afvraagt of
de uitleg die men je voorhoudt ook klopt, of er iets van aan is, of er een
grond van waarheid in zit, of men eerlijk is, dan wel of men probeert je iets wijs
te maken om geld uit je zakken te halen of om macht over jou te verwerven.
Er is zeker één
onfeilbare test voor elke godsdienst die men je aanprijst: moet je ervoor
betalen, vroeg of laat? Als het antwoord negatief is, doe dan gerust mee, er
kan je niets gebeuren, je bent in goede handen. Als het antwoord echter positief
is, dan weet je meteen dat het om je geld gaat, niet om je zielenheil of je
persoonlijk geluk, wat men ook beweert.