Naar de inhoud

Kroniek

mijn blik op de wereld /span>
akke.beakke.be
Welkom op mijn blog, mijn eigen website en dank voor je bezoek. Ik hoop dat je iets vindt naar je zin.
Vrij vaak zijn er nieuwe berichten, dus kom nog eens terug? Bedenkingen? Stuur me een mailtje: karel.d.huyvetters@telenet.be

Berichten van 1 april 2026 tot 30 april 2026

Een ware Jood?

Natanaël: een ware Jood in wie geen bedrog is?

Veel van onze gevleugelde woorden komen rechtstreeks uit de Bijbel. Dat is nauwelijks verwonderlijk als we bedenken hoe die Bijbel het leven van talloze mensen blijvend getekend heeft. Eeuwenlang waren de Bijbelse verhalen, de Gewijde geschiedenis de enige literatuur die ze tijdens hun leven te horen kregen.

Een van de gezegdes is: ecce vere Israelita, in quo dolus non est. Dat wordt weleens gezegd om iemand te prijzen om diens eerlijkheid, oprechtheid, de afwezigheid van elke kwade bedoeling of arglist. Niet zelden gebeurt dat in een overlijdensbericht, een in memoriam, in obituaria en grafredes: de mortuis nil nisi bene, spreek over de doden geen kwaad.

Het citaat komt uit het Johannesevangelie 1:47. Dit is de context:

43Toen Jezus de volgende dag naar Galilea wilde vertrekken, trof Hij Filippus aan en zei tot hem: “Volg Mij.”  44Deze Filippus was van Betsaïda, de stad van Andreas en Petrus.  45Filippus ontmoette Natanaël en zei hem: “Degene over wie Mozes in de Wet geschreven heeft en ook de profeten, Hem hebben wij gevonden: Jezus, de zoon van Jozef, uit Nazareth.”  46Natanaël smaalde: “Uit Nazareth, kan daar iets goeds vandaan komen?” Waarop Filippus antwoordde: “Kom dan kijken.”  47Jezus zag Natanaël naar zich toekomen en zei, doelend op hem: “Dat is waarlijk een Israëliet in wie geen bedrog is!”  48Natanaël zei tot Hem: “Hoe kent Gij mij?” Jezus gaf hem ten antwoord: “Voordat Filippus u riep, zag Ik u onder de vijgenboom zitten.”  49Toen zei Natanaël tot Hem: “Rabbi, Gij zijt de Zoon Gods, Gij zijt de Koning van Israël.”  50Jezus antwoordde: “Omdat Ik u zei dat Ik u onder de vijgenboom zag, gelooft ge? Gij zult grotere dingen zien dan deze.”  51En Hij voegde er aan toe: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: gij zult de hemel open zien en de engelen Gods zien opstijgen en neerdalen in dienst van de Mensenzoon.”  

De ruimere context is de roeping van de apostelen. Het begint als een fait divers: Jezus komt een man tegen, Filippus genaamd, en zegt hem gewoon: volg mij. Blijkbaar deed Filippus dat, zoals de vorige geroepenen, en verbleef hij enige tijd in Jezus’ gezelschap, maar dat wordt hier niet vermeld; dat was voor hem nochtans voldoende om ervan overtuigd te raken dat Jezus een heel bijzondere persoon was, niemand minder dan de Messias, de Gezalfde, voorzegd door Mozes zelf in de Wet, en door de profeten. Want dat is wat Filippus vervolgens zegt aan Natanaël, kennelijk een vriend of dorpsgenoot die hij ontmoet. Die Natanaël is niet meteen overtuigd, en zegt smalend: Jezus van Nazareth is de Messias? Dat zal! Wat voor goeds kan er uit die uithoek van Galilea komen? Filippus overhaalt hem toch om Jezus te gaan opzoeken. En dan komt onze gevleugelde uitspraak van Jezus: Kijk, dat is waarlijk een man zonder kwaad opzet! Natanaël is verbaasd over die woorden: hoe kan Jezus dat weten zonder hem te kennen of iets over hem vernomen te hebben? Jezus antwoordt: je zat onder een vijgenboom toen Filippus jou aansprak. Natanaël is verbluft, en treedt Filippus bij in nog krachtiger bewoordingen: rabbi, meester, Zoon van God, koning van Israel. Jezus doet er nog een schepje bovenop: je bent onder de indruk van mijn kunsten? Je hebt nog niets gezien!

Het is best wel een vreemde perikoop, vind ik. Het begint al met de roeping van Filippus, die zonder aarzelen ingaat op Jezus simpel woord: volg me. Dat kan uit nieuwsgierigheid geweest zijn, maar meer komen we daarover hier niet te weten. Dan is er Jezus’ verrassende uitspraak bij het zien van de hem onbekende Natanaël: wat brengt hem ertoe die met woorden te prijzen die we nu nog gebruiken om iemands hoogste lof te zingen? Waarom noemt hij hem ‘Israëliet’? Dit is een hapax in de Evangelies, het woord komt nergens anders voor. Wat is, of was er verkeerd met Nazareth, de geboorteplaats van Jezus, behalve dat het een onooglijk gehucht was in Galilea, ver van Jeruzalem, en dat niet eens vermeld wordt in de Joodse Bijbel? Die en de vele andere vreemde elementen in dit einde van het eerste hoofdstuk van het Johannesevangelie hebben commentatoren van meet af aan verleid tot allerlei verklaringen en veronderstellingen.

Vooreerst is er verwarring ontstaan over het woordje ‘waarlijk’. In de originele Griekse tekst is dat alèthoos, in het Latijn vere, en dat zijn allebei bijwoorden. Al heel vroeg is dat in het Latijn het bijvoeglijk naamwoord of adjectief verus geworden, en dat verandert de betekenis aanzienlijk. Het wordt dan: ‘Ziedaar een ware Israëliet in wie geen bedrog is.’ Dat is ook de vorm waaronder de uitspraak in het Nederlands bekend is. De term ‘Israëliet’ betekent dan niet meer dan ‘Jood’, iemand zoals alle andere Joden toentertijd in die landstreken; er had evengoed kunnen staan: ‘mens’. Maar omdat Jezus hier uitzonderlijk die specifieke term gebruikt, is men gaan zoeken naar een bijzondere reden daarvoor. Natanaël zou dan geen persoon zijn die zich onderscheidt van sommige anderen doordat hij niet arglistig of bedrieglijk is, zoals mensen nu eenmaal soms wel zijn, maar veeleer doordat hij een Jood is, en Joden nooit bedriegers zijn: een ware Jood, komma, in wie geen bedrog is; in tegenstelling tot ‘een ware Jood in wie geen bedrog is’, zonder komma, waarbij er ook onder de Joden bedriegers zijn. Wanneer we vandaag over iemand zeggen dat hij een ware Jood is, in wie geen bedrog is, gebruiken we de eerste betekenis, die stelt dat Joden geen bedriegers zijn. Als we immers zouden veronderstellen dat er ook bedriegers zijn onder de Joden, kunnen we maar beter die term weglaten, en zeggen: dat is een waarachtige mens, in wie geen bedrog is.

Door het bijwoord ‘waarlijk’ te veranderen in het adjectief ‘waar, ware’, veranderen we niet alleen de oorspronkelijke betekenis, maar komen we serieus in de problemen bij het verklaren van de tekst: ofwel kan men ons verdenken van antisemitisme, omdat we van Natanaël zeggen dat hij —uitzonderlijk! — geen bedrieger was, terwijl Joden dat gewoonlijk wel zijn; ofwel van een onterecht filosemitisme, waarbij we zouden beweren dat ware Joden, of alle Joden zonder bedrog zijn, alsof iemand slechts een ‘ware Jood ‘ is als die zonder bedrog is.

De hele context wijst erop dat we hier niet te maken hebben met een historisch verslag over ware gebeurtenissen aan het begin van Jezus’ openbare leven, maar met een gebrekkig fictief verhaal over de roeping van enkele van de eerste volgelingen van Jezus van Nazareth, de traditionele Twaalf Apostelen. Filippus wordt in de synoptische Evangeliën slechts eenmaal vermeld, namelijk in de lijst van de twaalf; bij Johannes komt hij behalve in onze perikoop ook nog voor bij de broodvermenigvuldiging (Joh. 6:5-7), als boodschapper (12:20-22) en bij het Laatste Avondmaal (14:8-9), maar nooit met enige rol van betekenis. De eerste volgeling kennen we niet eens van naam, de tweede blijkt Andreas te zijn, en die spreekt zijn broer Simon aan, en die krijgt bij zijn eerste ontmoeting met Jezus al meteen te horen dat hij ‘de rots’ zal heten (Kefas, Petrus); bij Matteus (16:18) voegt hij eraan toe dat hij ‘op die rots zijn Kerk zal bouwen’. Dat is evident een latere toevoeging uit de tijd dat er al een Kerk was, en Petrus daarvan de (of een) leider was. Andreas speelt in het Evangelie evenmin enige rol van betekenis.

Al de magische elementen in deze perikoop lijken veeleer goedkope fabeltjes die Jezus’ bovennatuurlijke macht, zijn goddelijkheid en zijn statuut van Gezalfde (Messias, Christus) moeten bewijzen, en die uit latere tijden afkomstig zijn.

Laten we besluiten. Zoals wel vaker is het nog steeds gebruikte gevleugeld woord over de ware Israëliet in wie geen bedrog is, weliswaar afkomstig uit het Evangelie, maar is het tekstueel onnauwkeurig en tevens compleet uit zijn context gerukt. Bovendien is het in zijn context onderdeel van een verwarde, duidelijk twijfelachtige passage die enkel bij Johannes voorkomt, en helemaal geen uitspraak over de al dan niet betrouwbaarheid van Joden in het algemeen. Veeleer dan iemands bijbelvastheid, laat staan exegetische kennis te bewijzen, wijst het gebruik van deze uitdrukking vandaag veeleer op enige algemene culturele belezenheid, zonder overigens veel betekenisvols bij te dragen aan wat men met die uitdrukking over iemand zegt. Vandaag iemand anders dan een Jood een ware Israëliet noemen is op zich al riskant; elke verdere uitleg over bedrog is in die context om moeilijkheden vragen.

In een tijd van toenemende vermenging van culturen in onze samenleving zijn westerlingen weleens geneigd om zich te beroepen op hun eigenheid, en dan komt de joods-christelijke traditie onvermijdelijk ter sprake. Uit het bovenstaande blijkt dat we dat argument maar beter met enige voorzichtigheid en vooral met voldoende kennis van zaken hanteren.

 

Stuur door

Het heilige & het taboe, Herman De Dijn

Herman De Dijn, Het heilige & het taboe. De herontdekking van het rooms-katholicisme, Antwerpen: Otheo Books, 2026, 255 blz., hardcover, € 25,99.

Wat moet een atheïst als ik met een boek als dit? Vooreerst ken ik de auteur, Herman De Dijn, sinds onze studententijd aan de Leuvense universiteit, en werkten we nadien allebei ons hele actieve leven aan diezelfde universiteit, hij als hoogleraar, ik in de administratie en het beheer; bovendien hebben we allebei Spinoza bestudeerd en over hem gepubliceerd; en ten slotte zijn we sinds kort zelfs buren. Ook in onze andere publicaties hebben we ons voortdurend over dezelfde aangelegenheden uitgesproken. Maar daar houdt elke gelijkenis dan ook op. Herman is overtuigd en wervend katholiek, ik overtuigd atheïst. Ik ben het dan ook met niets van wat hij in dit boek beweert ook maar enigszins eens. Zoals hij zelf herhaaldelijk expliciet schrijft, zijn onze opvattingen fundamenteel onverzoenbaar. Dat vind ik doodjammer. Want over de allerdiepste grond van de zaak kan men het nooit oneens zijn: ‘waar het om gaat’ (het meest gebruikte cliché in het boek) is het geluk van de mensen in de samenleving.

De diepe, fundamentele, ja onverzoenbare verschillen gaan dus over de middelen. Voor De Dijn en het rooms-katholieke christendom bestaat er een bovennatuurlijke drie-ene God, naast nog andere bovennatuurlijke wezens (engelen, duivels, heiligen) en heilige zaken. Het is een complex en tot in de details door de eeuwen heen grondig uitgewerkt systeem, dat grote invloed heeft uitgeoefend in deze wereld, en dat op vele plaatsen nog doet. Zowel Herman als ikzelf zijn daarin opgevoed, maar ikzelf heb nooit geloofd. Herman wel, en hij is dat geloof trouw gebleven tot op zijn huidige gezegende hoge leeftijd. Dat respecteer ik vanzelfsprekend, maar dat verhindert niet dat ik meen dat hij zich ofwel volkomen vergist, ofwel bewust ad captandum vulgus spreekt en schrijft. Met dat laatste bedoel ik de vele filosofen, theologen, schrijvers en kunstenaars die zich als priester of leek tot het christelijk geloof bekend hebben en hun vaak indrukwekkende kennis en kunde ten dienste gesteld hebben van de Kerken, maar wier geloof niet altijd even ongetwijfeld of onbetwijfelbaar was als ze lieten uitschijnen; vaak was dat omdat hun aanzien, welstand en macht onlosmakelijk met hun trouw aan dat geloof en de Kerk verbonden was. Wiens brood men eet, diens woord men spreekt. Welk van beide alternatieven op Herman De Dijn van toepassing is, zullen we wellicht nooit weten, en het doet er ook niet echt toe, behalve voor hemzelf. Zijn vergissing is in beide gevallen dezelfde, hoewel ze erger zou zijn in het tweede geval.

Waarin bestaat nu onze onverenigbaarheid (veeleer dan onverzoenbaarheid, die wederzijdse verdraagzaamheid lijkt uit te sluiten)? De auteur heeft het voortdurend over niet-materiële aspecten van het bestaan, het ‘reëel-symbolische’, de ‘niet-natuurlijke door symbolen vorm gegeven realiteit’ (18). Daar scheiden onze wegen. Ik ben een naturalist, materialist, monist: voor mij is er slechts één werkelijkheid, en die is materieel. De mens benadert het universum met alle menselijke capaciteiten, en duidt het in complexe gedachten en vertolkt die in benaderende bewoordingen. Godsdiensten menen dat ze om de werkelijkheid te verklaren een beroep moeten doen op een zich openbarende bovennatuurlijke werkelijkheid, en op een wereldlijke hiërarchische organisatie om die geopenbaarde verklaring te verwoorden en andere mensen tot geloof in en eredienst aan het bovennatuurlijke te brengen. Ze menen dat het goddelijke rechtstreeks almachtig alomvattend ingrijpt in de wereld, al kennen ze de mens noodgedwongen maar schoorvoetend enige autonomie toe, zij het dan uitsluitend om het evident kwade te doen, en ook wat zij zelf daarnaast als het kwade bestempelen. Het christendom gelooft dat God mens is geworden in de historische persoon Jezus van Nazareth, die door zijn kruisdood de zondige mensheid met God verzoend heeft.

Ik heb dat toch wel erg onwaarschijnlijke en eindeloos verder uitgewerkte en aangedikte verhaal nooit kunnen geloven. Van kindsbeen af aan zag ik in dat het niet echt waar was, maar echt een verhaal, helemaal verzonnen door mensen. Herman De Dijn denkt daarover helemaal anders. Hij verdedigt uit alle macht die zich openbarende bovennatuurlijke werkelijkheid, en al de verbijsterende theologische en liturgische consequenties die de christelijke Kerken sinds hun ontstaan in de loop der eeuwen eraan verbonden hebben. Hij beweert bij hoog en bij laag dat de mensheid alleen daardoor kan gered worden, niet alleen met het oog op de wederopstanding na het laatste oordeel, maar ook van alle onheil in onze moderne wereld.

Wat Herman De Dijn hier debiteert, terwijl hij onverveerd Paulus’ gladius Fidei hanteert, is consequent conservatief, wat op zich geen schande is; maar het is veel meer dan dat, het is agressief aartsconservatief, op het rabiaat fundamentalistische af. Dat brengt hem ertoe om niet alleen al wat niet-godsdienstig is misprijzend af te wijzen en ongenadig te veroordelen, zonder ook maar één ogenblik blijk te geven enige kennis van, laat staan waardering voor eventuele valabele tegenargumenten, of om die bewust te verzwijgen, verblind door het eigen nochtans pijnlijk onwaarschijnlijke grote gelijk, maar ook om elke inhoudelijke of vormelijke evolutie binnen de Kerken, ook de katholieke als ketters af te doen. Met verdedigers als deze heeft de godsdienst en de Kerk voorwaar geen vijanden meer vandoen.

Onze auteur ziet zelfs hoopvolle tekenen voor een revival, zoals de ondertitel van zijn boek aangeeft, al geeft hij toe dat dat niet zozeer in West-Europa merkbaar is. Dat beweren zou ook heel moeilijk zijn: de secularisering is hier doorgedrongen tot in de kerkelijke ideologie en structuren zelf, en de ontkerkelijking is massaal en onomkeerbaar. Zijn stem is dan ook die van een eenzaam roepende in de woestijn, die compromisloos een compleet ongeloofwaardige — veeleer dan een ‘ongelooflijke’ — boodschap predikt, een kwalijk relict van een voorbije illusie zonder toekomst, getuigend van een hopeloos gefrustreerde aftandse geloofsovertuiging, die overigens nooit aanspraak kon maken op veel echte bijval, van een heilloos puritanisme, een fanatiek uitdagend traditionalisme, en een verwijtend nostalgisch pessimisme, dat bovendien schaamteloos en onvergeeflijk stekeblind blijkt voor de onvoorstelbare misdaden waaraan kerkelijken zich schuldig gemaakt hebben en blijven schuldig maken, en dat zich maar niet kan neerleggen bij het finale debacle van een onzalige, onder het mom van een godsdienstige heilsleer gewelddadig opgedrongen wereldse machtsideologie.

Veel van wat hier naar voren gebracht wordt, kwam al uitvoerig aan bod in eerdere publicaties van zijn hand. Verwacht dus niets nieuws, behalve een nog meer wereldvreemde en geradicaliseerde, ja uitdagende en soms zelfs scheldende taal, die het boek amper leesbaar maken voor zelfs deze welwillende lezer: ik beken dat ik me wegens de ergerlijke inhoud slechts met tegenzin door de hoofdstukken en de vele eindnoten heb geworsteld. Wat de auteur ook moge beweren, van filosofisch inzicht of methode is hier geen sprake, en al evenmin van theologie; vaak heeft het meer weg van een lezing voor zeldzame gelijkgestemde reactionaire Rome-getrouwen, of een homilie op een retraite van een ultraconservatieve sekte; niet zelden zijn het zure oprispingen bij de voor hem teleurstellende gebeurtenissen en ontwikkelingen in de wereld. Ik weet niet welk doelpubliek de mij overigens onbekende uitgeverij Otheo voor ogen had, maar ik kan me nauwelijks een groep of zelfs een individu voorstellen, binnen of buiten de Kerk, dat onverdeeld gelukkig zal zijn met deze péchés de viellesse, op althans enkele van de geciteerde auteurs na, allicht.

Si tacuisset, philosophus mansisset.

Stuur door

Sofokles: Aias, Herakles, Elektra, Filoktetes

Sofokles, Vier helden, Aias, Herakles, Elektra, Filoktetes, Vertaald en toegelicht door Patrick Lateur, Eindhoven: Damon, 2026, 350 blz., hardcover met leeslint, € 29,90.

Na de eerdere uitstekende vertaling van de drie Thebaanse tragedies rond Oidipous en Antigone (klik hier https://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/archief.php?ID=2625951) brengen Patrick Lateur en Uitgeverij Damon ons nu de vier overige bewaarde tragedies van Sofokles (496-406) in het bekende fraaie formaat dat de uitgaven van Damon kenmerkt en siert. Wat ik toen schreef blijft integraal gelden en wordt door deze nodige en bijzonder nuttige aanvulling bekrachtigd.

Het viel mij weer op dat je een zo’n tragedie op vrij korte tijd kan lezen zonder enige moeite: je blijft zonder meer geboeid door het verhaal, de dialogen en de scenische illusie die ook in deze ‘moderne’ vertaling zorgzaam bewaard blijven. Des te meer verwondert het me dat we toentertijd op school slechts moeizaam enkele verzen gelezen hebben van Homeros, en ik me weinig of niets herinner van andere Griekse auteurs, hoewel we vier tot zes uur per week Griekse les hadden, vijf jaar lang. Ook nadien heb ik deze tragedies nooit gelezen, hoewel ik toch enkele duizenden boeken gelezen heb in mijn leven. Dat is dus zonder enige twijfel de grote verdienste van de onvolprezen vertaler, Patrick Lateur, die al zoveel gedaan heeft voor de ontsluiting van de klassieke en met name de Griekse literatuur. In een tijd dat men de mond vol heeft van de verdediging van onze Westerse waarden past het dat we teruggrijpen naar de bronnen van onze beschaving, en in het besef van onze afhankelijkheid van het genie van mensen die vijfentwintig eeuwen geleden leefden, leren inzien wat precies die waarden zijn, en waarom andere, minder verheven en minder integere waarden, die ons vanuit andere tradities komen aanwaaien en zelfs bedreigen, resoluut ontkracht en afgewezen moeten worden.

Ook in deze tragedies gaat het in de eerste plaats om mensen, om hun aanvoelen, hun emoties, hun afwegingen, hun redeneringen, hun overhaaste of juist weloverwogen daden, en de gevolgen daarvan. Af en toe wordt verwezen naar goden, maar dat zijn niet meer dan pro forma literaire conventies en namen die men traditioneel geeft aan juist dat aanvoelen, die krachtige elementaire emoties, zoals liefde en haat en wrok, hoop en vrees en wanhoop en vreugde en wat die met mensen doen; en aan het wereldbestel, zoals het lot, de natuurwetten, leven en dood, ziekte, moord en vergelding.

Deze tragedies hebben hun Sitz im Leben, hun omkadering en hun herkenbaarheid in de rijke Griekse mythologie en literatuur. Het zijn als het ware commentaren, toevoegingen, parafrases, prequels en sequels op vooral de Homerische verhalencyclus, die toentertijd alom bekend was. Wij kunnen ons moeilijk voorstellen hoe zelfs de kleinste allusie voldoende was om bij het publiek de juiste snaar van het collectieve geheugen te doen trillen. Als wij in onze huidige eigen cultuur zouden moeten gaan zoeken naar eenzelfde even algemeen gedeeld gedachtengoed, dan zou dat ons snel tot algehele en uitzichtloze verwarring brengen. Welke figuren, thema’s, verhalen uit onze beschavingsgeschiedenis zijn in onze veel grotere wereld alom bekend en geapprecieerd, tenzij precies die enkele uit de klassieke oudheid zoals Oidipous, Elektra, Antigone, Odysseus, Heracles, Orpheus en Erydice, Hector en Achilles? Het is niet verwonderlijk dat grote figuren uit de wereldliteratuur niet zelden naar dergelijke figuren teruggegrepen hebben als inspiratiebron voor hun eigentijdse (her)scheppingen.

Het belang van publicaties als deze kan dan ook niet overschat worden. Uitzonderlijke vertalers als Patrick Lateur, die nog bij machte zijn om op eigen kracht en met grote kennis van zaken deze teksten uit het oorspronkelijke Grieks voor een zo ruim mogelijk publiek te onthullen en te vrijwaren, kunnen niet genoeg geprezen worden om hun onverdroten inspanningen, die hun even weinig roem als gewin opbrengen, zonder dat hen dat blijkbaar ooit ontmoedigt. En een even uitzonderlijke uitgeverij als Damon verdient een ereplaats in de helaas steeds meer bedreigde, altijd al dun bezaaide rij van ernstige instellingen die zich nog bekommeren om ons gezamenlijke culturele erfgoed, en niet toegeven aan de ontstellende banaliteit van kookboeken, reisgidsen, thrillers, egotrippers en pornostrippers. Tolle, lege!

Stuur door

Goede Vrijdag 2026

attende Domine et miserere

 

ik heb gebeden

zoals me werd geheten

ze wisten zelf niet beter

of wouden het niet weten

 

holle frasen lege woorden

gepreveld zonder zin

die niemand verhoorde

als was mijn woord te min

 

ik heb gebeden en gezocht

als kind en ook later

toen bloed en rede in mij vocht

met het verlangen naar een Vader

 

het mocht niet baten

hoe ik ook smeekte en vroeg

om een woord een teken te laten

een wenk was me al genoeg

 

maar zelfs dat was mij niet vergund

ik wend me af in arren moede

van wie me geen blik waardig gunt

geen oren heeft naar mijn vrees of woede

 

ik heb gebeden en bitter geweend

me geweigerd geweten en verlaten

om niet geen genade verleend

aan mijn armzalige zelf overgelaten

 

tot ik mijn rug heb gerecht

opgestaan

het gevecht

ben aangegaan

 

er was geen Vader en geen zonde

wat men ook beweerde of beval

er was alleen de diepe wonde

de laffe leugen van de zondeval

 

bevrijd van last van eeuwen

kon ik koppig mijn eigen weg gaan

mijn diepe onschuld uitschreeuwen

geen mens kon me in de weg nog staan

 

de hemel was leeg

de aarde vervuld van belofte en pracht

was wat ik zomaar kreeg

de stralende zon in ruil voor de nacht

 

Karel D’huyvetters

Goede Vrijdag 2012

 

 

 

 

 

 

 

Stuur door

Laïcité en godsdienstvrijheid

Laïcité en godsdienstvrijheid

In 2025 werd in Frankrijk enige aandacht besteed aan het 120-jarige bestaan van de laïcité, zoals die geformuleerd werd in de befaamde wet van 1905. In Franstalig België wordt die term gebruikt voor wat in Vlaanderen veelal vrijzinnig humanisme genoemd wordt. In beide landen is er een grondwettelijke scheiding van Kerk en Staat, wat een breuk betekent met de eerdere verregaande verstrengeling van de christelijke, en vooral de katholieke godsdienst met het staatsapparaat. Die scheiding kwam tot stand door het verzet van linkse politieke partijen en niet-gelovige en agnostische intellectuelen en wetenschappers tegen het klerikalisme, de inmenging van de godsdienst in de staat, inzonderheid het onderwijs, de gezondheidszorg en de zorg voor weduwen, wezen en ouderen, de kunst en cultuur, en de morele en levensbeschouwelijke principes en hun toepassingen.

Men heeft echter een zware prijs moeten betalen voor die wettelijke scheiding van Kerk en Staat. In de wet werden namelijk de verschillende Kerken officieel erkend, en werd het aan hen toegestaan om hun activiteiten ongehinderd te ontplooien, al werd althans in Frankrijk de subsidiëring van de godsdiensten afgeschaft, met uitzondering van het onderhoud van de kerkelijke gebouwen, die eigendom van de staat werden als ze voor 1905 gebouwd waren.

Vandaag verdedigen alle Franse godsdiensten ten minste publiekelijk die wet van 1905, en ook in België zijn de Kerken best tevreden met de grondwettelijk verankerde godsdienstvrijheid. In België worden bovendien de wedden van de bedienaars van de erkende erediensten al sinds 1801 betaald door de staat; de staat subsidieert katholieke scholen, ziekenhuizen en andere caritatieve instellingen, zoals dat ook gebeurt voor de niet-confessionele, met beperkte uitzonderingen en verschillen.

Men zou dus kunnen veronderstellen dat tout est pour le mieux dans ce meilleur des mondes, maar niet iedereen is het daarmee eens. De Belgische situatie is allesbehalve een strikte scheiding van Kerk en Staat, gezien de zware subsidiëring van de godsdiensten en hun (neven)activiteiten, waarvoor iedereen, dus ook niet-gelovigen betalen, terwijl minder dan drie procent van de bevolking de wekelijkse eredienst bijwoont, slecht één op drie kinderen gedoopt wordt, minder dan een op tien huwelijken kerkelijk bekrachtigd wordt, en minder dan een op drie begrafenissen kerkelijk is. Er is dus een overgrote meerderheid in België die niet meer feitelijk kerkelijk is, en de trend van die secularisatie is stijgend.

Dat betekent dat veruit de meeste mensen niet gelovig zijn. Ze zijn dan agnostisch: ze hebben geen enkel bewijs of kennis van het bestaan van dergelijke wezens; of antiklerikaal: dan is men voorstander van de scheiding tussen Kerk en Staat, en tegen de inmenging van de Kerk in de staat; of atheïstisch, dat wil zeggen dat ze niet geloven in het bestaan van een persoonlijk bovennatuurlijk opperwezen; of anti-theïstisch: dan verzet men zich tegen het geloof in dergelijke wezens als onwaar en als schadelijk voor wie erin gelooft en voor de gemeenschap; of antigodsdienstig: dan is men niet alleen gekant tegen het geloof in dergelijke wezens, maar ook tegen individuen, organisaties en instellingen die dat geloof voorstaan en verbreiden; in feite is men dan niet tegen godsdienstigheid als dusdanig, laat staan tegen godsdienstige personen, maar tegen godsdiensten. Er zijn verschillende combinaties mogelijk: zo kan men antiklerikaal zijn zonder atheïst te zijn; of atheïst, maar niet anti-theïstisch en antigodsdienstig.

Ikzelf ben dat allemaal, overtuigd en fervent.

Daarbij wil ik evenwel met klem benadrukken dat ik even overtuigd en fervent pacifist ben. Dat betekent dat ik vooropstel dat er onder geen enkel beding geweld mag gebruikt worden om de overtuigingen die ik deel en voorsta te verspreiden en te bevorderen, of zelfs ze te verdedigen. Ik veroordeel daarom de inspanningen van het Sovjetregime, die in Albanië en onder de Khmer-rouge om de godsdienst uit te roeien in die landen, net zoals ik het geweld veroordeel waarmee godsdiensten elkaar bestreden hebben en bestrijden, en het even gruwelijke geweld waarmee ze niet-gelovigen vervolgd hebben en blijven vervolgen, evenals elke gedwongen bekering, en elke bestraffing van apostasie. Ik pleit voor een verregaande ideologische, levensbeschouwelijke en religieuze verdraagzaamheid of tolerantie, maar dat sluit niet uit dat ik mijn eigen opvattingen ter zake wil kunnen uiten, en anderen daarvan proberen te overtuigen, niet het minst door te wijzen op de flagrante onwaarheden en de manifest erg schadelijke aspecten van alle godsdienstigheid.

Er zijn dus twee betekenissen van laïcité. Dat blijkt overduidelijk uit het feit dat in Franstalig België die term uitsluitend en trots gebruikt wordt voor de georganiseerde vrijzinnigheid, dus voor mensen die expliciet niet gelovig zijn, en hun seculiere waarden verdedigen en uitdragen. Ze houden het niet alleen bij de zo verregaand mogelijke scheiding van Kerk en Staat, maar staan uitdrukkelijk voor een niet-confessionele levensopvatting. De godsdiensten en hun gelovigen zien in de wettelijke laïcité van de staat uitsluitend de vrijheid die ze daardoor hebben om hun godsdienst te belijden en te propageren. In ruil voor die vrijheid hebben ze afstand gedaan van hun klerikale aanspraken, en aanvaarden dat de publieke ruimte ‘neutraal’ is, maar dat laatste veeleer schoorvoetend: voortdurend proberen ze toch hun invloed te laten gelden, denk maar aan het hoofddoekendebat. De godsdiensten zijn wel voorstanders van de wet op de laïcité, om de bekende voordelen die dat voor hen oplevert, maar geen onverdeelde voorstanders van de laïcité van de samenleving; het liefst zouden ze willen dat iedereen gelovig was, zodat de ook de staat gelovig zou zijn, een theocratie, en dat is niet alleen de doelstelling van de islam.

De wetten op de scheiding van Kerk en Staat zijn er niet gekomen door de godsdiensten, wel integendeel: zij hebben die uit alle macht tegengewerkt en tegengehouden. Het zijn de niet-gelovigen en de niet-fundamentalistische, rationeel denkende gelovigen (als die er al zijn…) die de laïcité bedacht en doorgevoerd hebben, om zo toch enigszins de geüsurpeerde macht van de godsdiensten aan banden te leggen. Het is in hun strijdende traditie dat ik mij met mijn opvattingen plaats. Ik ben voorstander van godsdienstvrijheid, maar een beetje zoals de godsdiensten voorstander zijn van de wet op de laïcité: het liefst zou ik willen dat de godsdiensten hooguit een marginaal verschijnsel zouden zijn, zoals het katholicisme in België vandaag, en dat de samenleving vrij zou zijn van godsdienst: in 1905 was dat een nieuwe interpretatie van godsdienst-vrijheid, namelijk de vrijheid om geen godsdienst aan te kleven, ongehinderd en vanzelfsprekend vrij of bevrijd van godsdienst te zijn.

Imagine, no religion!

Stuur door

Meer van Kroniek

↑ Terug naar de berichten