Een ware Jood?
Natanaël: een ware Jood in wie geen bedrog is?
Veel van onze gevleugelde woorden komen rechtstreeks uit de Bijbel. Dat is nauwelijks verwonderlijk als we bedenken hoe die Bijbel het leven van talloze mensen blijvend getekend heeft. Eeuwenlang waren de Bijbelse verhalen, de Gewijde geschiedenis de enige literatuur die ze tijdens hun leven te horen kregen.
Een van de gezegdes is: ecce vere Israelita, in quo dolus non est. Dat wordt weleens gezegd om iemand te prijzen om diens eerlijkheid, oprechtheid, de afwezigheid van elke kwade bedoeling of arglist. Niet zelden gebeurt dat in een overlijdensbericht, een in memoriam, in obituaria en grafredes: de mortuis nil nisi bene, spreek over de doden geen kwaad.
Het citaat komt uit het Johannesevangelie 1:47. Dit is de context:
43Toen Jezus de volgende dag naar Galilea wilde vertrekken, trof Hij Filippus aan en zei tot hem: “Volg Mij.” 44Deze Filippus was van Betsaïda, de stad van Andreas en Petrus. 45Filippus ontmoette Natanaël en zei hem: “Degene over wie Mozes in de Wet geschreven heeft en ook de profeten, Hem hebben wij gevonden: Jezus, de zoon van Jozef, uit Nazareth.” 46Natanaël smaalde: “Uit Nazareth, kan daar iets goeds vandaan komen?” Waarop Filippus antwoordde: “Kom dan kijken.” 47Jezus zag Natanaël naar zich toekomen en zei, doelend op hem: “Dat is waarlijk een Israëliet in wie geen bedrog is!” 48Natanaël zei tot Hem: “Hoe kent Gij mij?” Jezus gaf hem ten antwoord: “Voordat Filippus u riep, zag Ik u onder de vijgenboom zitten.” 49Toen zei Natanaël tot Hem: “Rabbi, Gij zijt de Zoon Gods, Gij zijt de Koning van Israël.” 50Jezus antwoordde: “Omdat Ik u zei dat Ik u onder de vijgenboom zag, gelooft ge? Gij zult grotere dingen zien dan deze.” 51En Hij voegde er aan toe: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: gij zult de hemel open zien en de engelen Gods zien opstijgen en neerdalen in dienst van de Mensenzoon.”
De ruimere context is de roeping van de apostelen. Het begint als een fait divers: Jezus komt een man tegen, Filippus genaamd, en zegt hem gewoon: volg mij. Blijkbaar deed Filippus dat, zoals de vorige geroepenen, en verbleef hij enige tijd in Jezus’ gezelschap, maar dat wordt hier niet vermeld; dat was voor hem nochtans voldoende om ervan overtuigd te raken dat Jezus een heel bijzondere persoon was, niemand minder dan de Messias, de Gezalfde, voorzegd door Mozes zelf in de Wet, en door de profeten. Want dat is wat Filippus vervolgens zegt aan Natanaël, kennelijk een vriend of dorpsgenoot die hij ontmoet. Die Natanaël is niet meteen overtuigd, en zegt smalend: Jezus van Nazareth is de Messias? Dat zal! Wat voor goeds kan er uit die uithoek van Galilea komen? Filippus overhaalt hem toch om Jezus te gaan opzoeken. En dan komt onze gevleugelde uitspraak van Jezus: Kijk, dat is waarlijk een man zonder kwaad opzet! Natanaël is verbaasd over die woorden: hoe kan Jezus dat weten zonder hem te kennen of iets over hem vernomen te hebben? Jezus antwoordt: je zat onder een vijgenboom toen Filippus jou aansprak. Natanaël is verbluft, en treedt Filippus bij in nog krachtiger bewoordingen: rabbi, meester, Zoon van God, koning van Israel. Jezus doet er nog een schepje bovenop: je bent onder de indruk van mijn kunsten? Je hebt nog niets gezien!
Het is best wel een vreemde perikoop, vind ik. Het begint al met de roeping van Filippus, die zonder aarzelen ingaat op Jezus simpel woord: volg me. Dat kan uit nieuwsgierigheid geweest zijn, maar meer komen we daarover hier niet te weten. Dan is er Jezus’ verrassende uitspraak bij het zien van de hem onbekende Natanaël: wat brengt hem ertoe die met woorden te prijzen die we nu nog gebruiken om iemands hoogste lof te zingen? Waarom noemt hij hem ‘Israëliet’? Dit is een hapax in de Evangelies, het woord komt nergens anders voor. Wat is, of was er verkeerd met Nazareth, de geboorteplaats van Jezus, behalve dat het een onooglijk gehucht was in Galilea, ver van Jeruzalem, en dat niet eens vermeld wordt in de Joodse Bijbel? Die en de vele andere vreemde elementen in dit einde van het eerste hoofdstuk van het Johannesevangelie hebben commentatoren van meet af aan verleid tot allerlei verklaringen en veronderstellingen.
Vooreerst is er verwarring ontstaan over het woordje ‘waarlijk’. In de originele Griekse tekst is dat alèthoos, in het Latijn vere, en dat zijn allebei bijwoorden. Al heel vroeg is dat in het Latijn het bijvoeglijk naamwoord of adjectief verus geworden, en dat verandert de betekenis aanzienlijk. Het wordt dan: ‘Ziedaar een ware Israëliet in wie geen bedrog is.’ Dat is ook de vorm waaronder de uitspraak in het Nederlands bekend is. De term ‘Israëliet’ betekent dan niet meer dan ‘Jood’, iemand zoals alle andere Joden toentertijd in die landstreken; er had evengoed kunnen staan: ‘mens’. Maar omdat Jezus hier uitzonderlijk die specifieke term gebruikt, is men gaan zoeken naar een bijzondere reden daarvoor. Natanaël zou dan geen persoon zijn die zich onderscheidt van sommige anderen doordat hij niet arglistig of bedrieglijk is, zoals mensen nu eenmaal soms wel zijn, maar veeleer doordat hij een Jood is, en Joden nooit bedriegers zijn: een ware Jood, komma, in wie geen bedrog is; in tegenstelling tot ‘een ware Jood in wie geen bedrog is’, zonder komma, waarbij er ook onder de Joden bedriegers zijn. Wanneer we vandaag over iemand zeggen dat hij een ware Jood is, in wie geen bedrog is, gebruiken we de eerste betekenis, die stelt dat Joden geen bedriegers zijn. Als we immers zouden veronderstellen dat er ook bedriegers zijn onder de Joden, kunnen we maar beter die term weglaten, en zeggen: dat is een waarachtige mens, in wie geen bedrog is.
Door het bijwoord ‘waarlijk’ te veranderen in het adjectief ‘waar, ware’, veranderen we niet alleen de oorspronkelijke betekenis, maar komen we serieus in de problemen bij het verklaren van de tekst: ofwel kan men ons verdenken van antisemitisme, omdat we van Natanaël zeggen dat hij —uitzonderlijk! — geen bedrieger was, terwijl Joden dat gewoonlijk wel zijn; ofwel van een onterecht filosemitisme, waarbij we zouden beweren dat ware Joden, of alle Joden zonder bedrog zijn, alsof iemand slechts een ‘ware Jood ‘ is als die zonder bedrog is.
De hele context wijst erop dat we hier niet te maken hebben met een historisch verslag over ware gebeurtenissen aan het begin van Jezus’ openbare leven, maar met een gebrekkig fictief verhaal over de roeping van enkele van de eerste volgelingen van Jezus van Nazareth, de traditionele Twaalf Apostelen. Filippus wordt in de synoptische Evangeliën slechts eenmaal vermeld, namelijk in de lijst van de twaalf; bij Johannes komt hij behalve in onze perikoop ook nog voor bij de broodvermenigvuldiging (Joh. 6:5-7), als boodschapper (12:20-22) en bij het Laatste Avondmaal (14:8-9), maar nooit met enige rol van betekenis. De eerste volgeling kennen we niet eens van naam, de tweede blijkt Andreas te zijn, en die spreekt zijn broer Simon aan, en die krijgt bij zijn eerste ontmoeting met Jezus al meteen te horen dat hij ‘de rots’ zal heten (Kefas, Petrus); bij Matteus (16:18) voegt hij eraan toe dat hij ‘op die rots zijn Kerk zal bouwen’. Dat is evident een latere toevoeging uit de tijd dat er al een Kerk was, en Petrus daarvan de (of een) leider was. Andreas speelt in het Evangelie evenmin enige rol van betekenis.
Al de magische elementen in deze perikoop lijken veeleer goedkope fabeltjes die Jezus’ bovennatuurlijke macht, zijn goddelijkheid en zijn statuut van Gezalfde (Messias, Christus) moeten bewijzen, en die uit latere tijden afkomstig zijn.
Laten we besluiten. Zoals wel vaker is het nog steeds gebruikte gevleugeld woord over de ware Israëliet in wie geen bedrog is, weliswaar afkomstig uit het Evangelie, maar is het tekstueel onnauwkeurig en tevens compleet uit zijn context gerukt. Bovendien is het in zijn context onderdeel van een verwarde, duidelijk twijfelachtige passage die enkel bij Johannes voorkomt, en helemaal geen uitspraak over de al dan niet betrouwbaarheid van Joden in het algemeen. Veeleer dan iemands bijbelvastheid, laat staan exegetische kennis te bewijzen, wijst het gebruik van deze uitdrukking vandaag veeleer op enige algemene culturele belezenheid, zonder overigens veel betekenisvols bij te dragen aan wat men met die uitdrukking over iemand zegt. Vandaag iemand anders dan een Jood een ware Israëliet noemen is op zich al riskant; elke verdere uitleg over bedrog is in die context om moeilijkheden vragen.
In een tijd van toenemende vermenging van culturen in onze samenleving zijn westerlingen weleens geneigd om zich te beroepen op hun eigenheid, en dan komt de joods-christelijke traditie onvermijdelijk ter sprake. Uit het bovenstaande blijkt dat we dat argument maar beter met enige voorzichtigheid en vooral met voldoende kennis van zaken hanteren.

