
Slag om slinger, om de haverklap. We weten wel wat dat betekent, zeker het laatste, maar waarom? Van Dale laat het nog maar eens afweten, en geeft, zoals vader Eyskens: geen commentaar. Nochtans is het best een leuk verhaal.
Laat ons beginnen met de haverklap. De traditionele verklaring verwijst naar een oudere uitdrukking: om een haverstro, die Van Dale wél kent, want hij citeert de uitdrukking ‘twisten om een haverstro’, ruzie om een niet. Haverstro is het kaf dat overblijft na het dorsen van de haver. Het is heel licht, bijna stof; vandaar: een nietigheid. Een afgeleide betekenis was dan gauw: herhaaldelijk; als men namelijk twist bij de geringste aanleiding, zal men heel vaak en veel twisten en zo zijn we bij de betekenis die wij nu geven aan ‘om de haverklap’. De klap verwijst dan naar het slaan met de dorsvlegel.
Maar er is een alternatief, dat de oorsprong gaat zoeken in het Fries; daar hebben ze een uitdrukking ‘om in (=een) aveklap’. Dat ‘ave’ kennen wij senioren zeker nog, we hebben genoeg Weesgegroetjes gebeden, in het Latijn Ave Maria. Een avemarij was een schietgebedje en vandaar iets dat niet lang duurt, een oogwenk, een momentje. ‘Klap’ is een oudere vorm van ‘klep’ en kleppen, dat doen de klokken; de klok die het ‘ave’ ‘klapt’ is die van het ‘Angelus’, waarbij op de middag de kerkklok driemaal drie slagen na mekaar geeft, met een korte onderbreking. Zelfs de landbouwers op het veld werden verondersteld om het werk daarvoor te onderbreken en drie Weesgegroetjes te bidden, zoals op het (vroeger?) bekende schilderij van Millet. Angelus is het Latijnse woord en meteen ook de etymologie voor onze engel, in dit geval de engel des Heren die aan Maria meldde dat ze een zoon mocht verwachten.
Als je dus iets om de ‘aveklap’ deed, dan deed je het herhaaldelijk of met korte onderbrekingen, zoals bij het kleppen van het angelus. Met de Hervorming was het vooral in Nederland rap gedaan met dat paapse angelus en toen na een generatie of zo wist niemand nog wat een avemarij, het angelus of een aveklap was en zocht men andere verklaringen. Zo kwam men dan als vanzelf bij het haverstro en de verwante uitdrukking terecht van daarnet. Van Dale heeft hier toch echt wel een gelegenheid laten voorbijgaan om het interessant te maken. Als je om de haverklap teleurgesteld wordt als je iets nakijkt in een bepaald boek, ga je op den duur niet meer kijken.
De uitdrukking ‘slag om slinger’ heeft dezelfde betekenis: herhaaldelijk, zonder de minste aanleiding, om de haverklap (zegt Van Dale in zijn nalatige eenvoud en voegt eraan toe: gewestelijk: om het hardst). Het Etymologisch woordenboek van het Nederlands, dat we om het kort te houden maar EWN of Philipa (naar de hoofdredacteur Marlies Philipa) zullen noemen is nog niet aan de S toe, dus zullen we zelf iets moeten verzinnen.
De slinger kennen we het best van de klok, niet de kerkklokken van daarnet, maar klok in de betekenis van uurwerk en wel specifiek een slingeruurwerk. Het is waarschijnlijk dat de vroegste torenuurwerken geen wijzers hadden, of toch geen wijzers die zichtbaar waren aan de buitenkant van de toren; die zijn er pas later bijgekomen. Het uur-werk was precies wat het woord zegt: een werk of machine dat de uren aangeeft door het luiden van de klok, in de eerste plaats voor de monniken in de kloosters, zodat ze wisten wanneer het tijd was om te werken, te bidden of te eten, volgens hun regel. Ook de mensen die in het dorp buiten het klooster woonden konden hun dag daarnaar schikken. Het kleppen van de klok gaf dus de tijd aan en men heeft het woord klok gewoon behouden toen de tijd later door een en nog later door twee en zelfs drie wijzers werd aangegeven op steeds kleinere en minder zeldzame klokken.
Het slingeruurwerk werd ‘uitgevonden’ door een Nederlands geleerde, Christiaan Huygens, in 1656. Hij bouwde voort op de studie die onder meer Galileo Galilei had gemaakt van de slingerbeweging. Een slinger heeft namelijk een gelijkmatige beweging en een snelheid die afhankelijk is van de lengte. Wat doet een slinger precies in een klok? Leken in het vak denken gemakkelijk dat de slinger het raderwerk aandrijft, allicht omdat ze de slinger zien bewegen in de kast. Wat ze meestal niet zien is het echte aandrijfmechanisme: de veer die je moet opwinden of het gewicht dat je moet optrekken. De slinger dient om de continue beweging van het raderwerk in gelijke stukjes te delen; als je dat niet zou doen, dan zou het raderwerk ongehinderd aflopen, zoals je soms ziet op klokken of wekkers die stuk zijn: je windt ze op en de grote en kleine wijzers lopen als gek achter mekaar aan. De slinger houdt het aflopen dus bij elke heen-en-weer beweging een beetje tegen. Bij dat subtiele contact met het raderwerk wordt de kracht van de aandrijving elke keer overgedragen op de slinger, zodat hij in beweging blijft, want anders zou hij na een tijdje stilvallen, zoals gebeurt als de veer af is of gebroken, of als de gewichten moeten opgetrokken worden.
We weten nu wat een slinger is. Slag, in dezelfde context, is dan het slaan van de klok, die het kleppen van de ‘echte’ klokken vervangt, bij middel van een of meer bellen, of een gong, die laatste meestal in de vorm van een of meer metalen staven, heel dikwijls is zo’n staaf in een spiraal gekruld, zodat ze langer kan zijn, want hoe langer en hoe dikker de staaf, hoe zwaarder en voller de klank. Als een klok het uur niet juist slaat, is ze van slag.
Als iets slag om slinger gebeurt, dan bedoelen we wellicht dat het gebeurt met de regelmaat van een klok, of vaak, zoals het slaan van de klok, of heel vaak, zoals het heen en weer gaan van de slinger. De sl-sl-alliteratie zal wel bijgedragen hebben tot de (toch maar relatieve) populariteit van deze uitdrukking. Waar die ‘om’ vandaan komt? Tja…
De gewestelijke betekenis: om het hardst kunnen we op dezelfde manier verklaren: in een wisselwerking, om beurten, nu de ene, dan de andere, zoals bij het heen en weer gaan van de slinger; en de ene klok slaat ook al harder dan de andere.
De aanleiding voor dit verhaal is eigenlijk een klokje dat ik onlangs kocht in de kringloopwinkel, voor de absurde som van 50 cent. Het is een zogenaamde 400 dagen-klok of een anniversary clock. Het bijzondere eraan is de vorm van de slinger en de beweging die hij maakt. In plaats van de traditionele heen-en-weer van de slingerstok waaraan onderaan een gewicht is vastgemaakt, meestal in de vorm van een verticale ronde schijf, is in dit soort klokken het slingergewicht horizontaal opgehangen aan een heel dunne smalle strook metaal, een draad bijna. Meestal is het gewicht opgedeeld in vier bollen, die op een kruisvormig of rond rooster zitten en het draait heen en weer om zijn as, om de ‘draad’ dus waaraan het ophangt. Bij elke draaiende beweging, om en om, krijgt ook hier de slinger een duwtje van het anker en blijft zo in beweging door de kracht van de veer of de gewichten die het werk aandrijven. Dit soort van slinger heeft een heel licht contact met het raderwerk en er is heel weinig kracht nodig om de slinger in gang te houden. Zo slaagde men er al vrij vroeg in om dergelijke klokken te maken met een werk dat 30 dagen liep zonder opwinden, wat voor gewone slingerklokken uitzonderlijk lang is: 14 dagen is daar al heel goed, goedkope werkjes zoals koekoeken en wekkers lopen maar één dag eer je ze moet opwinden. Door het verder verfijnen van deze techniek kwam men tot (dure) slingerklokken met zo’n torsieveer-slinger die tot 400 dagen bleven lopen. Dat is de nogal prozaïsche naam die ze in Europa ook kregen: 400 dagen-klok. In Engeland en vooral in Amerika spreekt men van anniversary clock, waarbij we moeten bedenken dat een anniversary niet je verjaardag is, dat is je birthday, zoals in het liedje, maar de gedenkdag, de dag van het jaar waarop een gebeurtenis het jaar voordien of lang geleden plaatsvond, je trouwdag bijvoorbeeld. Men gaf dergelijke klokken vaak als geschenk bij zo’n jubileum, vijfentwintig jaar getrouwd, vijftigjarig bestaan van een firma of vereniging. De gedachte was dat je pas bij de volgende anniversary de klok weer moest opwinden. Omdat ze zo uitzonderlijk lang liepen, noemde men dit ook een perpetual clock; we weten natuurlijk wel dat een echt perpetuum mobile wegens de wetten van ons universum niet mogelijk is, maar vroeger was een klok die een jaar ‘ging’ zonder opwinden zo zeldzaam dat een lichte overdrijving niet ongepast is.
Mijn klokje van vijftig cent ziet er goed uit en het 'werkt' ook nog, maar het is helaas kitsch en namaak en zelfs puur bedrog. Het is van een goed merk, de Duitse firma Kienzle bestaat al sinds 1822 en is bij ons vooral bekend van de zogenaamde Westminster (wegens het Big Ben-wijsje) houten schouwklokken van zeer goede kwaliteit, die je nu voor weinig geld kan kopen. De koperen onderdelen van mijn ersatzje blijken vooral uit plastic te bestaan, het werk is een goedkoop kwartsuurwerkje dat op een batterijtje loopt, de slinger heeft zijn regulerende functie verloren en draait vrolijk maar louter decoratief rond, het stolpje is eveneens van plastic. Maar als je het zo ziet staan glimmen en glinsterend draaien op het boekenrek voor mij, dan is het net echt, moet ik toegeven, en het loopt nog juist ook, zoals alle kwartsuurwerkjes.
Een ‘goed’ antiek exemplaar is kostbaar, want het zijn notoir moeilijke klokken om te onderhouden en om ze juist te doen lopen; de slinger is onderhevig aan temperatuurschommelingen en breekt heel snel af bij ondeskundig gebruik, de klok moet perfect horizontaal staan en weg van alle trillingen en het best ook onder een stolp wegens het stof. Ze zijn dan ook nooit echt populair geworden. Hier en daar moeten er nog staan, beschadigd of gewoon buiten dienst, puur als decoratie en zelfs die zijn peperduur. Toch hoop ik ooit mijn leuk valsspelertje te kunnen vervangen door the real thing: an anniversary clock! Als je er dus eentje staan hebt dat je na dit verhaal nog kwijt wil, geef me een seintje; mijn budget is zeker ruimer dan 50 cent.