Naar de inhoud

Kroniek

mijn blik op de wereld vanaf 60
akke.beakke.be
Welkom op mijn blog, mijn eigen website en dank voor je bezoek. Ik hoop dat je iets vindt naar je zin.
Vrij vaak zijn er nieuwe berichten, dus kom nog eens terug?
Misschien kan je mijn blog-adres doorgeven aan geïnteresseerde vrienden en kennissen, waarvoor dank.
Hieronder vind je de tien meest recente bijdragen. De jongste 200 kan je aanklikken in de lijst aan de rechterkant; in het overzicht per maand, hier links, vind je ze allemaal, al meer dan 1400! De lijst van de categorieën bevat enkel de meest recente teksten; klik twee maal op het pijltje naar links onderaan voor nog meer teksten in dezelfde categorie.
Als je een tekst wil gebruiken, hou dan rekening met de bepalingen van de auteurswet van 1994 en vraag me om toelating.
Bedenkingen? Stuur me een mailtje: karel.d.huyvetters@telenet.be

De regel van drie

De regel van drie.

Hoe meer ik erover nadacht, hoe meer het me opviel dat het getal drie zo vaak voorkomt in allerlei zaken. Driemaal is scheepsrecht, en alle goede dingen bestaan uit drie. Horen, zien en zwijgen. Veni, vidi, vici (Caesar). De drie trappen van vergelijking. Een hattrick in het voetbal. Brons, zilver en goud in medailles, waarvoor driewerf hoera! Drie grammaticale personen, enkelvoud en meervoud.  Er is dus blijkbaar een regel van drie, ook wel tricolon genoemd. Het leek me interessant om eens op zoek te gaan naar voorbeelden, en misschien een reden te vinden waarom we drie zo’n geschikt aantal vinden.

Ik weet het wel, niet alleen het getal drie komt vaak voor, er zijn wel meer getallen die opvallen. We verdelen de roos van het kompas in vier; een cirkel laat zich gemakkelijker in vier gelijke delen verdelen dan in drie, en dus zijn er vier windstreken en geen drie, wat eigenlijk evengoed gekund had. We hebben vijf vingers aan elke hand en vijf tenen aan elke voet, en de Romeinse V en de V omgekeerd opeen is X; vandaar misschien ons tiendelig stelsel? Zeven is het heilig getal. Zes en het dubbel, twaalf vinden we terug in het twaalfdelig stelsel dat we nog steeds gebruiken voor de tijdsindeling in seconden, minuten en uren. Ik zou dus over verscheidene getallen kunnen nadenken en schrijven, maar ik begin dus met drie, dat me het eerst opviel.

Is er een goede reden om aan drie een voorkeur te geven als we zaken willen samenvoegen of groeperen? Een is geen, zegt men, en twee is niet handig als groep: wie heeft gelijk als de meningen verschillen? Vanaf drie heb je altijd een meerderheid, er kan geen staking van stemmen meer zijn. Tres faciunt collegium, met drie ben je in aantal om geldig te vergaderen. Twee personen kunnen gemakkelijk samenspannen, als er drie zijn is er meer kans op een evenwichtig en eerlijk overleg. Als je om een second opinion vraagt in een kwestie die maar twee mogelijke oplossingen kan krijgen, en die andere mening is tegengesteld aan de eerste, ben je nog nergens; een derde mening bevestigt dan een van de twee andere. En misschien brengt dat derde advies toch nog een andere uitweg?

Drie is blijkbaar een groep die gemakkelijk te tellen, te herkennen en te onthouden is, vanaf vier moet ons brein al harder gaan werken. Daarom dat we aan drie de voorkeur geven boven andere sympathieke getallen.

We vinden het drietal op de meest uiteenlopende plaatsen terug. In de Griekse oudheid komt het vaak voor in de mythologie, de primitieve manier om de wereld te verklaren. Zeus, Poseidon (met zijn drietand) en Hades heersen over respectievelijk de hemel en de aarde, de zee, en de onderwereld. Wanneer een persoon na de dood de onderwereld betrad, werd diens morele leven beoordeeld door drie rechters: Minos, Rhadamanthys en Aeacus. De drie gratiën Aglaia, Euphrosyne en Thalia belichamen pracht, vreugde en bloei; de drie Horae: Thallo, de lentebloei, Auxo, de zomergroei en Carpo, de herfstoogst. In een andere traditie zijn de Horae Eunomia voor wetmatige orde, Dike voor rechtvaardigheid en Eirene voor vrede. Verder waren er de drie oorspronkelijke muzen, Melete, Mneme en Aoide, die met gedachte, herinnering en lied de basis van elke kunstvorm vormden. Het lot lag in de handen van de drie schikgodinnen, ook moiren genoemd: Clotho, Lachesis en Atropos, die de levensdraad sponnen, afmaten en afsneden. Meer afschrikwekkend waren de drie gorgonen Stheno, Euryale en de Medusa, en de drie furiën of erinyen, Alecto, Megaera en Tisiphone, die als godinnen van de wraak de morele orde bewaakten. De sirenen waren ook met z’n drieën: Parthenope, Ligeia, Leucosia. Cerberus, de hellehond, had drie koppen, oorspronkelijk nog veel meer, maar het is typisch dat drie het gehaald heeft. De Chimaera had er ook drie.

De legende van de trouwe vrienden Damon en Phintias (later verbasterd tot Pythias) kreeg een bewerking door Schiller in de ballade Die Bürgschaft of de borgtocht. Daar halen we de Duitse uitdrukking der Dritte im Bunde, oorspronkelijk voor de schuldeiser, maar nu meer algemeen voor een ‘derde partij’. In die zin spreken we veralgemenend ook over ‘derden’.

In de Noordse mythologie vinden we aan de voet van de wereldboom Yggdrasil, die drie wortels heeft, elk reikend naar een ander rijk (Asgard, Jötunheim, Niflheim/Hel), drie schikgodinnen: de drie nornen, die over verleden (Urd), heden (Verdandi) en toekomst (Skuld) regeerden. Ook in de Noordse kosmogonie vinden we drietallen; in de Völuspá zijn het Odin, HoenirenLodur die de eerste mensen Ask en Embla bezielen — Odin geeft adem, Hoenir geeft verstand/zin, Lodur geeft bloed/levenskleur. Odin, Vili en Ve zijn de drie broers die de wereld uit Ymirs lichaam vormen; dat staat dan weer in Snorri’s Gylfaginning.

Ik heb niet speciaal iets met antieke mythologie, ik sta er veeleer wantrouwig tegenover, het lijkt me allemaal veel te elitair en te literair, veeleer dan dat het een algemeen aanvoelen van een volk weergeeft. Ik kan me niet voorstellen dat de gewone Griekse burger de overvolle en complexe mythologische wereld ook maar enigszins kon volgen, laat staan begrijpen.

De Romeinse godentriade bestond uit Jupiter, Mars en Quirinus, elk bediend door een eigen hogepriester, de flamen maior. Pas later, onder Etruskische invloed, werd deze vervangen door de bekendere Capitolijnse triade van Jupiter, Juno en Minerva, die samen een tempel met drie afzonderlijke cellae deelden op de Capitolijnse heuvel. De twintigste-eeuwse mytholoog Georges Dumézil zag in de oorspronkelijke triade een weerspiegeling van wat hij de drieledige Indo-Europese maatschappijstructuur noemde: Jupiter belichaamde de soevereiniteit en het recht, Mars de krijgsmacht, en Quirinus de vruchtbaarheid en de gemeenschap van burgers. Volgens Dumézil was dat een universeel sociaal grondpatroon dat in vrijwel elke Indo-Europese cultuur, van India tot Scandinavië, in een of andere driedelige vorm terugkeert.

De bekende legende verhaalt hoe de oorlog tussen Rome en Alba Longa beslecht werd in een tweegevecht tussen telkens drie broers, de Horatiërs en de Curiatiërs. Nog in Rome waren er groepjes van drie ambtenaren, tresviri, voor verscheidene bestuurlijke taken. Die term gebruiken we nog altijd: een triumviraat voor een bewind door drie personen, zoals destijds Caesar, Pompeius en Crassus. Romeinse burgers hadden traditioneel tria nomina: praenomen, nomen, cognomen, zoals Caius Julius Caesar. De architect Vitruvius schreef voor dat een goed gebouw moet voldoen aan drie eisen: firmitas (stevigheid), utilitas (bruikbaarheid) en venustas (schoonheid); geen kwaad principe, zoals nog steeds blijkt uit de ruïnes van de overgebleven monumenten.

In het huidige Rome is er de bekende Trevi-fontein. De naam verwijst naar het samenkomen van drie wegen (tre vie)op dat plein, waar ooit een belangrijk aquaduct eindigde. Nu gooien vooral toeristen er met de rechterhand drie muntstukjes over de linkerschouder in het water: een garandeert de terugkeer naar de eeuwige stad, twee voor een amoureus succesje, drie voor een gelukkig huwelijk. De dagopbrengst voor het goede doel is ongeveer 3000 euro. Sinatra zong Three coins in a fountain en dat is ook de titel van een film.

Een dergelijke driesprong, een drieweg of drieweegse was traditioneel een drukke plek, vandaar triviaal voor alledaags en onbeduidend.

De middeleeuwse onderbouw voor de zeven artes liberales was het trivium van grammatica, logica en retorica.

Iedereen kent het raadsel dat de Sfinx voorlegde aan wie wilde passeren, en dat Oedipus oploste: wat loopt ’s ochtends op vier benen, ’s middags op twee en ’s avonds op drie? De mens…

Wanneer Orpheus de wet van de onderwereld overtreedt en toch achteromkijkt, klinkt er een drievoudige donderslag door de diepte, en verliest hij zijn geliefde Eurydice definitief. Odysseus treft hetzelfde lot in de onderwereld wanneer hij driemaal tevergeefs de schim van zijn overleden moeder probeert te omhelzen. Nog bij Vergilius is het Aeneas die drie keer vruchteloos de schim van zijn overleden vrouw Creüsa en later die van zijn vader Anchises probeert te omarmen, waarvoor Vergilius telkens dezelfde drie versregels gebruikt, een bekend autocitaat.

In Egypte is er het bekende godengezin van vader Osiris, moeder Isis en zoon Horus.

Wellicht het meest bekende goddelijke drietal is de christelijke triniteit. De natuurlijke familiestructuur van vader, moeder en zoon verschilt echter fundamenteel van de abstracte, om niet te zeggen abstruse en zelfs absurde patriarchale triniteit van een almachtige vader die uit zichzelf een zoon voortbrengt — Maria, de dienstmaagd des Heren, functioneerde enkel voor de kortstondige menswording van die eniggeboren goddelijke zoon — en een bizarre heilige geest, die uit vader en zoon voortkomt en leven geeft, ook aan Maria trouwens; alles even aseksueel als de christelijke priesters (in theorie althans). Zie ook het Kyrie, waarin achtereenvolgens de Vader, de Zoon en de Heilige Geest aangeroepen worden.

Ik vermeld hier nog een herinnering uit mijn vroegste jeugd. Mijn vader was lid van de derde orde. Dat had te maken met de paters franciscanen die in Eeklo een druk bezochte kerk hadden, waarmee de familie van mijn vader nauwe banden had. Ik heb zelf ook nog in het kinderkoor in de kerk gezongen, en eens mee opgestapt in de processie, verkleed als een franciscaantje. Die derde orde was een manier om de leken, tertiarissen genoemd, naast de eerste orde van de mannelijke en de tweede van de vrouwelijke religieuzen, meer bij de godsdienst te betrekken.

De joodse kabbala staat bol van de getallensymboliek, met talrijke drieledige concepten, zoals de opdeling van de ziel in nefesh (biologische ziel), ruach (emotionele ziel) en neshamah (de zuivere rede).

De islam wijst elk concept van een goddelijke drie-eenheid resoluut af. Maar in de Hadith van Gabriël wordt de religie opgedeeld in islam (de uiterlijke praktijk van de wet), iman (het innerlijke, intellectuele geloof) en ihsan (de spirituele uitmuntendheid). Het soefisme ziet een driedelig opwaarts pad van de sharia (de uiterlijke wet) via de tariqa (de innerlijke methode) naar de haqiqa (de directe, intuïtieve waarheid). Volgens de Koran volgt de menselijke ziel (nafs) drie morele stadia: van de nafs al-ammara (driftmatig) via de nafs al-lawwama (het zelfbewustzijn), naar de nafs al-mutma'inna (de harmonie).

In het hindoeïsme stuurt de trimurti de kosmos aan: Brahma de schepper, Vishnu de instandhouder en Shiva de vernietiger. Het boeddhisme vindt zijn fundament in de triratna, de drie juwelen: de boeddha (de leraar), de dharma (de leer) en de sangha (de gemeenschap).

Ook in het Chinese denken vormt de triade een grondstructuur. Het taoïsme onderscheidt de drie schatten of san bao: jing, de vitale essentie van het lichaam, qi, de levensadem of energie die alles doorstroomt, en shen, de zuivere geest.

In de Joodse traditie zijn er drie aartsvaders, Abraham, Isaak en Jacob. Noah laat driemaal een duif uitvliegen op zoek naar land. Bileam slaat zijn ezelin, die driemaal een engel heeft gezien, driemaal. Jona verblijft drie dagen in de (wal)vis. In Jesaja 6, 3 vinden we het trisagion, dat later een plaats vond in het Sanctus van de mis: ‘Heilig, heilig, heilig de Heer van de hemelse machten.’

In het Nieuwe Testament zijn er de wijzen uit het Oosten; in het Evangelie zijn er nog geen drie, maar misschien omwille van hun drie geschenken, goud, wierook en mirre heeft het volksbijgeloof er drie namen aan toegevoegd: Caspar, Melchior en Balthasar. In de woestijn wordt Jezus tot driemaal toe door de duivel uitgedaagd. Petrus verloochent Jezus driemaal alvorens de haan kraait.

Plato zag het goede, het ware en het schone als de ultieme waarden voor de menselijke rede.

In zijn werk Over de hemel neemt Aristoteles de Pythagoreïsche stelling over dat de wereld — en alles wat zij bevat — bepaald wordt door het getal drie, omdat begin, midden en einde samen het getal van een 'geheel' vormen. In zijn Retorica onderscheidde hij ethos (het karakter van de spreker), pathos (de emotie van het publiek) en logos (de rationele argumentatie). In zijn geschriften over de logica introduceerde hij het syllogisme, de driedelige redenering bestaande uit een algemene stelling (major-premisse), een specifieke stelling (minor-premisse) en een noodzakelijke conclusie. De menselijke kennis deelde hij op in drie wetenschappen: de theoretische, de praktische en de productieve. Voor het theater schreef hij drie eenheden voor: tijd, plaats en handeling. Traditioneel begint een voorstelling met drie harde slagen op de houten vloer (les trois coups de bâton).

De Spaanse corrida is traditioneel verdeeld in drie tercios (letterlijk: "derden"): tercio de varas, de picadors verzwakken de nek van de stier met hun lans; tercio de banderillas; tercio de muerte, de dood: de matador doodt uiteindelijk de stier, in maximaal vijftien minuten, aangekondigd door drie rituele waarschuwingen (avisos) van de voorzitter van de corrida.

Even een muzikaal intermezzo.

In de Middeleeuwen gold de driedelige maatsoort als de mensura perfecta, allicht verwijzend naar de goddelijke drie-eenheid.

Dat Bach in zijn muziek gebruik maakte van getallen en mathematische verhoudingen staat wel vast, en het getal drie is daar alomtegenwoordig. De traditionele opera bestaat uit drie bedrijven. Puccini bouwt Turandot rond drie raadsels; er is ook het trio van de geleerden Ping, Pang en Pong, en de drie slagen op de gong waarmee de kandidaten de dodelijke uitdaging aangaan. Bij Wagner vinden we de drie Rijndochters (Woglinde, Wellgunde, Flosshilde) in Das Rheingold en Götterdämmerung; ze openen en sluiten de hele Nibelungen-cyclus, een bewuste ringstructuur. De drie nornen in de proloog van Götterdämmerung spinnen en gooien ‘het gouden zeel van het lot’ naar elkaar toe. Terwijl ze over verleden, heden en toekomst zingen, breekt het zeel plotseling, een teken dat de heerschappij van de goden onherroepelijk voorbij is. Offenbach ontleedt in Les contes d'Hoffmann de liefde aan de hand van een archetypische triade van vrouwen (Olympia, Antonia, Giulietta), terwijl Prokofjev de absurde dynamiek bezingt in De liefde tot de drie appelsienen.

En dan hebben we het nog niet gehad over de beroemde, meeslepende driekwartsmaat, zoals in de alom bekende wals — zowel de ontelbare voorbeelden van de Strauss-familie, bekend van de Nieuwjaarsconcerten, als de eenmalige heerlijke La valse van Ravel. Het loze vissertje moest het meisje driemaal zoenen om vrije aftocht te krijgen. Naast het strijkkwartet, mijn meest geliefde muzikale combinatie, zijn er ontelbare trio’s gecomponeerd voor de meest verscheiden instrumenten.

In de schilderkunst zijn er talloze drieluiken ofte triptieken, denk aan het centrale stuk van Het Lam Gods’  (Van Eyck), Bosch’ Tuin der lusten en Laatste oordeel, en dat van Rogier van der Weyden. Van Memlinc zijn er verscheidene te zien in Brugge, van Rubens in de kathedraal in Antwerpen. Van Otto Dix vermeld ik Der Krieg in Dresden (niet toevallig), maar dat drieluik heeft een predella, een beschilderd voetstuk.

We maken nu een overstap naar de Verlichting.

Spinoza, de ware grondlegger van de Verlichting, hanteerde de wiskundige regel van drieën (regula trium) in zijn Ethica als een schoolvoorbeeld om het onderscheid tussen de drie verschillende niveaus van menselijke kennis bloot te leggen. Bij het oplossen van een evenredigheidsvraagstuk (a : b = c : x) onderscheidt hij de extrapolatie uit vage ervaring, de logische bewijsvoering via de ratio, en ten slotte de zuivere scientia intuitiva van het onmiddellijke inzicht.

Kant zijn drie ‘kritieken’: die van de zuivere rede, van de praktische rede en van het oordeelsvermogen.

John Locke formuleerde de drie onvervreemdbare natuurrechten van het individu: life, liberty and property (leven, vrijheid en bezit). Montesquieu ontwierp de trias politica, de strikte scheiding van de wetgevende, de uitvoerende en de rechterlijke macht om tirannie te voorkomen. Liberté, égalité, fraternité staat voor de idealen van de Verlichting, die ik zo vaak vermeld en verdedig. Voor het christendom berust het goede leven op de drie theologale deugden: geloof, hoop en liefde, maar daarover ben ik zoals bekend minder te spreken, al heb ik er veel over geschreven.

In zijn wet van de drie stadia stelde Auguste Comte dat elke tak van kennis noodzakelijk drie fasen doorloopt: een theologisch, waarin verschijnselen aan een bovennatuurlijke wil worden toegeschreven, een metafysisch, waarin die verklaringen worden vervangen door abstracte krachten en essenties, en een positief, waarin de mens zich beperkt tot de waarneembare, wetmatige regelmaat.  

Voor Hegel was ontwikkeling geen rechte lijn, maar een beweging van spanning, tegenspraak en verzoening. In populaire samenvattingen wordt dat vaak weergegeven als thesis, antithesis en synthese: een stelling botst met haar tegendeel en wordt vervolgens opgeheven in een ruimer verband, de Aufhebung. Hegel bewonderde Spinoza ten zeerste, maar dat is ongeveer de enige verdienste die hij voor mij heeft.

Johannes Kepler vatte de beweging van de planeten samen in drie astronomische natuurwetten. Niet lang daarna vatte Isaac Newton de gehele klassieke mechanica samen in drie bewegingswetten: de wet van de traagheid, de wet die kracht koppelt aan massa en versnelling, en de wet van actie en reactie (Principia Mathematica 1687). Voor alles wat hier op aarde in mensenmaat gebeurt, zijn dat nog altijd onze maatstaven. Later ontdekten natuurkundigen de drie wetten van de thermodynamica, die bepalen hoe energie, warmte en entropie zich gedragen. Boven al deze processen staat de kunstmatige wetmatigheid van de menselijke tijdsindeling: de onwrikbare opeenvolging van verleden, heden en toekomst.

Vergeten we ook de drie dimensies niet waarin we de afmetingen van voorwerpen beschrijven: L x B x H. Een voormalige buurvrouw vertelde me eens opgetogen dat ze eindelijk een egeltje in 3D had gezien, na de vele tweedimensionale op de openbare weg. De driehoek is het meest eenvoudige veelvlak: drie punten bepalen een vlak, zodat een driepikkel altijd op alle poten staat.

Enkele voorbeelden uit de literatuur.

In Dantes Divina Commedia zijn er drie sferen: Inferno, Purgatorio en Paradiso. Iedereen kent de Drie Musketiers Athos, Porthos en Aramis, en ook de gebroeders Karamazov. Sigmund Freud deelt de psyche drieledig in: het id (het instinctieve), het ego (het bewuste ik) en het superego (het morele geweten). Asimov bedacht slim de drie wetten van de robotica, in Runaround (1942):

  1. "A robot may not injure a human being or, through inaction, allow a human being to come to harm."
  2. "A robot must obey orders given it by human beings except where such orders would conflict with the First Law."
  3. "A robot must protect its own existence as long as such protection does not conflict with the First or Second Law."

Nu AI zo fel opkomt, en men waarschuwt voor de mogelijke ontsporing daarvan, moeten we die simpele wetten misschien toch eens opnieuw bekijken.

Macbeth ontmoet de drie Weird Sisters. De wijze Nathan (Lessing) vertelt een parabel over een vader met drie zonen, onder wie hij drie ringen verdeelt, een echte en twee exacte kopieën, zonder dat iemand weet welke de echte is. We kennen allemaal de drie biggetjes; ook de drie beren, kommen, stoelen en bedden uit Goudlokje. Bij de gebroeders Grimm is er het sprookje van de drie spinsters, ook een over drie veren en een over drie talen. In sprookjes mag men altijd drie wensen doen; zo ook Smidje Smee, die zijn ziel verkoopt aan de duivel in ruil voor drie maal zeven jaren voorspoed en rijkdom, maar voor zijn stoel, zijn kersenboom en een lederen plunjezak magische krachten krijgt wegens zijn gastvrijheid jegens Sint-Pieter, en daarmee de duivel verslaat wanneer die zijn ziel komt opeisen. Als kind zagen we dat toneeltje en joelden we enthousiast wanneer de duivel in de zak zit en slaag krijgt.

Een trilogie is een set van drie onderscheiden vooral literaire werken die als een geheel kunnen beschouwd worden. Het gebruik komt het eerst voor in de Griekse oudheid. Enkele beroemde trilogieën zijn de Oresteia van Aischulos, en natuurlijk Tolkiens The Lord of the Rings, althans als publicatie, niet in zijn eigen ogen. Er is een goed Wikipedia-artikel in het Engels: trilogy: https://en.wikipedia.org/wiki/Trilogy.

In de ecologie en economie spreken we over de drie pijlers van duurzaamheid: people, planet, profit (Elkington). Een vroege vorm van ecologische landbouw was het drieslagstelsel. De nucleaire afschrikking van grootmachten rust op de strategische overmacht van land, lucht en zee. De veiligheid van computernetwerken rust op de zogeheten CIA-triade: confidentiality (vertrouwelijkheid), integrity (integriteit) en availability (beschikbaarheid).

De genetische informatie in DNA en RNA wordt afgelezen in triplet-codons: telkens drie opeenvolgende nucleotiden bepalen samen welk aminozuur wordt aangemaakt. Er zijn (voorlopig?) drie subatomaire deeltjes: proton, neutron, elektron.

Ook in de akoestiek en de westerse harmonie keert onze drieledigheid terug. Laten we even dieper ingaan op de afstand tussen de verschillende tonen of noten van een toonladder, en de manier waarop die klinken als ze samen of na elkaar gespeeld worden. De afstand tussen de opeenvolgende noten van de toonladder verschilt opvallend: tussen mi en fa is er een maar een halve toon, en dat is ook zo tussen si en do. Op de piano zie je dat omdat er geen zwarte toets tussen die noten zit. De afstand tussen twee opeenvolgende noten op een piano bijvoorbeeld, noemen we een secunde. Samen gespeeld, klinkt dat echt niet goed. De afstand tussen twee niet-opeenvolgende tonen, dus als we een noot overslaan, noemen we een terts, omdat we niet naar de volgende, tweede (secundus) toon gaan, maar naar een derde (tertius). De twee tonen van die terts klinken samen vol en harmonieus. Als het anderhalve toon is (kleine terts), klinkt het melancholisch of droef, als het twee volle toonafstanden is (grote terts) klinkt het opgewekt en blij. Als we die elkaar niet-opeenvolgende tonen na elkaar afspelen, klinkt dat ook aangenamer dan wanneer we gewoon alle noten op een rijtje spelen. Do-mi-sol-do klinkt zelfs een beetje triomfantelijk, ook als samenklank.

Een muzikale eigenaardigheid is de tritonus. Een echte tritonus omvat drie hele toonafstanden, bijvoorbeeld do en fa kruis. Dat is een opvallend dissonante tweeklank, net zoals twee opeenvolgende tonen, wat verklaard wordt door de botsing van de frequentie van de geluidsgolven van die beide noten. We moeten bij de tritonus een onderscheid maken tussen de samenklank van twee tonen of noten die drie hele toonafstanden van elkaar gescheiden zijn, en de opeenvolging, het na elkaar zingen of spelen van twee dergelijke noten of tonen. In de vroege polyfonie werd de tritonus als tweeklank nog gewoon toegepast, vooral wegens de spanning die eruit voortkwam om naar een daarop volgend meer spontaan volgende en vertrouwde toon te komen. Maar de tritonus als toonafstand gold als te mijden, werd zelfs verboden, was des duivels, vandaar de (veel latere) benaming diabolus in musica. Het was voor zangers, zelfs geschoolde, niet gemakkelijk om de tritonus, een toon die volle drie toonafstanden van een andere verwijderd was, zuiver te treffen. Ook in de moderne muziek wordt de tritonus gebruikt, denk aan de Danse macabre (Saint-Saens), de Inferno-passage in Liszts Dantesonate, Wagners Tristan-akkoord, Moessorgski in Boris Godoenov, Debussy’s Prélude à l’après-midi d’un faune, Brittens War Requiem. Een analyse van het frequente en bijzondere gebruik van de tritonus in de jazz zou ons te ver leiden. Maar we kennen allemaal Maria uit Bernsteins West Side Story; Ma- is de grondtoon, -ri- is de tritonus, drie hele tonen hoger, die om een oplossing vraagt in de -a, een halve toon omhoog naar de reine kwint.

De triool deelt een binaire maat in drieën. In de sonatevorm herkennen we de drieledige opeenvolging van expositie, doorwerking en reprise, en de afwisseling snel-traag-snel. De driewegluidspreker zorgt voor een goede weergave met drie componenten: de woofer voor de lage tonen, de mid-range driver voor het middengebied en de tweeter voor de hoge tonen.

Met dank aan dr. S. Cooper en dr. A. Farrah Fowler, gerenommeerde vexillologen, hier een lijstje van nationale driekleuren, tricolores of (zuivere) tribands: België Frankrijk Guinee Ierland Italië Ivoorkust Mali Roemenië Tsjaad (verticale banen); Armenië Bulgarije Duitsland Estland Gabon Hongarije Jemen Litouwen Luxemburg Nederland Rusland Sierra Leone (horizontale).

Ik vermeld hier, louter ter aanvulling natuurlijk, dat sommige mensen weleens zin hebben in een seksueel triootje, of zelfs een langduriger driehoeksverhouding aandurven. In die context hoort ook de vermaning thuis tegen ongewenste vriendschappen of meer intieme relaties onder (christelijke) ongehuwden of verplichte celibatairen: numquam duo, semper tres, kortom numquam sex.

Toen ik hier in Residentie Populierenhof aankwam, ontdekte ik dat er een biljart aanwezig was. Een oude droom kon zo in vervulling gaan. Ik speel nu wekelijks meerdere uren met enkele medebewoners. We spelen nog wel geen driebanden, tenzij toevallig, maar het minder veeleisende libre of carambole, en dat doe je met drie ballen. Misschien is dat wel de aanleiding voor mijn belangstelling voor het getal drie?

  

Stuur door

Kijkcijfers

Kijkcijfers

Odi profanum vulgus et arceo. (Horatius, Carmina, III, 1)

Ik ben oud genoeg (°1946) om me de eerste televisies te herinneren die in mijn geboortestad Eeklo verschenen, niet bij ons thuis weliswaar, maar in de vitrines van winkels die radio’s en nu ook televisies verkochten, en vervolgens bij enkele meer begoede kennissen, waar we soms mochten gaan kijken — ik als jongste van onder de tafel. Sindsdien heb ik meer uren naar het tv-scherm zitten kijken dan me lief is, en maar heel zelden bewaarde ik daar goede herinneringen aan. Meestal verweet ik mezelf dat ik weer uren verdaan had met naar banale programma’s te zitten staren, alsof ik niet beter te doen had, en alsof er geen andere en betere manieren zijn om je te ontspannen. Er was een periode toen we zelf onze eerste kleuren-tv hadden en we ook op de BBC konden afstemmen, en ik danig opgetogen was over het aanbod daar. Sommige van die programma’s lopen nog altijd, zoals de Antiques Roadshow en Flog it! en daar kijk ik nog weleens naar, maar lang niet meer zo fanatiek. Als ik nu ’s avonds nog eens alleen voor de tv zit, zap ik vaak wanhopig van de ene zender naar de andere, en blijf dan meestal hangen bij een of andere heruitgezonden oude film, die ik dan met een half oog volg zonder geluid. Achteraf maak ik mezelf daarover terechte maar nutteloze verwijten. Mijn overheersend gevoel bij het medium is er een van teleurstelling: er is zo veel mogelijk met dat technisch schitterende medium, maar wat we ermee doen is van een zo bedroevend niveau dat als het aan mij lag, ik de tv al lang door het raam had gekeild; defenestreren noemt men dat.

Vandaag was er een mail van Telenet om het nieuwe tv-seizoen aan te kondigen op VRT en VTM. Ik heb me al vele jaren geleden geërgerd en moe-getergd afgekeerd van de VRT, zowel tv als radio: voor mij mogen ze dat ‘instituut’ nu gewoon meteen afschaffen. Dat is jammer, want ik was een fervente luisteraar van de klassieke, jazz en wereldmuziek op die zender, maar gaandeweg werden die programma’s ofwel afgevoerd, ofwel geteisterd door zelfingenomen oenen en ontstellende nulliteiten. Ik luister nu nog enkel naar gestreamde muziek. Voor het journaal was ik overgeschakeld naar VTM, uit ergernis nogmaals over wat er op VRT als nieuws en duiding kwam, maar hun andere programma’s bekijk ik niet. Ik overliep vandaag eens het lijstje van de programma’s van dat nieuwe seizoen, en er was er niet één bij dat ik ooit al had bekeken, en niet één dat ik ooit zal bekijken. Uit nieuwsgierigheid ben ik dan eens de kijkcijfers gaan opzoeken voor de top-tien Vlaamse programma’s, en ook daar was er geen een dat ik ooit al gezien had, op één uitzondering na, Down the Road, dat ik wel al eens mee-bekeken heb wanneer mijn partner aan het kijken was; maar ook bij dat programma voelde ik me allerminst goed: het voelde aan als voyeurisme, en ik had ernstige bedenkingen bij de compleet vergezochte (letterlijk en figuurlijk) beelden.

Ik vroeg me dan af of ik alleen sta met mijn desinteresse en zelfs grondige afkeer van het aanbod op de ‘gewone’ zenders. De kijkcijfers (alle cijfers die ik hier citeer komen van bronnen die Google AI me aanreikte, zoals CIM, VRT-jaarverslag, Statistiek Vlaanderen) van de top tien tonen aan dat 20 tot 30% van de volwassen bevolking naar elk van die programma’s kijkt, wat overeenkomt met 1,2 tot 1,7 miljoen mensen. Dat zijn er best wel veel in absolute cijfers, maar toch ook weer verrassend weinig, percentsgewijs. Let wel, het gaat om kijkdichtheid per programma, en mensen bekijken verscheidene programma’s uit het lijstje, of daarbuiten. Maar voor elk programma geldt toch ook weer dat 70 tot 80 % van de volwassen Vlaamse bevolking het niet bekijkt. Ik voel me al wat minder een uitzondering. Maar opgelet met statistieken: hoeveel mensen bekijken nooit een van de top tien? Dat blijkt die 23% van de volwassen bevolking te zijn die nooit tv kijkt (op de traditionele zenders). Maar ook daar zijn de verschillen groot: bij de 80-plussers bekijkt bijna iedereen weleens een en meestal verscheidene van die programma’s; slechts een bijna verwaarloosbaar percentage van hen kijkt niet, meestal omdat ze het niet meer kunnen…

Als ik het goed heb, behoor ik tot een wel erg kleine groep die wel tv kijkt, maar niet naar de top tien. Als tachtigjarige ben ik nog een veel grotere uitzondering. En dat is precies wat ik dacht, op grond van wat ik in mijn omgeving vaststel.

Als ik ook mijn luistergewoonten bekijk, blijk ik te behoren tot een groep van misschien hooguit tweeduizend Vlamingen die actief klassieke, jazz en wereldmuziek streamen.

Ik wil het niet per se op de spits drijven, maar als ik bekijk welke boeken ik lees, en in welke talen, en wat ik niet lees (kranten, weekbladen, hedendaagse literatuur), en als ik dat combineer met het bovenstaande kijk- en luistergedrag, dan kom ik tot de slotsom dat ik meer dan waarschijnlijk uniek ben. Q.E.D.

Stuur door

Oorsprong, opgang en ondergang van het godsgeloof.

De oorsprong, opgang en ondergang van het godsgeloof.

Een van de traditionele argumenten voor het bestaan van God is het alom en altijd aanwezig zijn van het geloof in een god. Dat zou erop wijzen dat het een ‘natuurlijk’ verlangen is in de mens. Daartegen heeft men altijd al ingebracht dat het onmogelijk te bewijzen valt dat er geen uitzonderingen zijn op die regel, en dergelijke goddeloze gemeenschappen heeft men dan ook her en der gesignaleerd, vaak in gebieden die ver afgelegen waren van de westerse beschaving, bijvoorbeeld bij het ontmoeten van inheemse volksstammen in de nieuw ontdekte continenten. Daaruit alleen al kan men afleiden dat godsdienst, en zeker de godsdiensten van het boek, jodendom, christendom en islam, ten gronde aangeleerd zijn, en zelfs altijd opgedrongen en afgedwongen. Dat wordt bevestigd wanneer men de verspreidingsgeschiedenis van die godsdiensten onderzoekt: die is altijd vanuit een machtspositie en bijna altijd gewelddadig gebeurd bij een onwillige bevolking. Denk aan de godsdienstoorlogen, waarbij hele bevolkingen gedwongen werden een bepaalde godsdienst te aanvaarden omdat hun gezagsdragers dat zo wilden. Maar zelfs indien werkelijk alle samenlevingen een of andere godsdienst zouden kennen, bewijst dat nog niet dat dit beantwoordt aan een algemeen menselijk verlangen: het is nog steeds mogelijk, en zelfs aantoonbaar, dat het om een opgedrongen ideologie gaat, waarmee sommige mensen hun medemensen aan zich wisten te onderwerpen. Een ander argument voor vindt men in het feit dat godsdiensten die vroeger wijdverbreid waren, nu volledig verdwenen zijn. Dat is vooral gebeurd omdat ze geen bedienaars meer hadden, hetzij omdat die zelf hun geloof hadden opgegeven en hun godsdienst onder de bevolking alle geloofwaardigheid had verloren, hetzij omdat het hun door de machthebbers streng verboden werd hun geloof nog te praktiseren. Indien die godsdiensten hadden beantwoord aan een onuitroeibaar menselijk verlangen, zouden ze op een of andere manier voortgeleefd moeten hebben, quod non. Het gaat in godsdienst niet om die ene absolute God, zoals alle godsdiensten verkondigen, waarvoor alle andere goden moeten zwichten; het gaat zelfs helemaal niet om God, maar om een specifieke ideologie die men godsdienst noemt en die inderdaad een heel menselijk verschijnsel is: dat de massa zich gemakkelijk onder valse voorwendselen en met allerlei dwangmiddelen laat inpalmen door sluwe en cynische gewetenloze lieden die enkel op eigenbelang belust zijn. Mundus vult decipi?

Een opmerkelijk voorbeeld van de spectaculaire ondergang van een dominante godsdienst is de algemene ontkerkelijking in de landen waar het christendom zijn grootste bloei heeft gekend, West-Europa. De massale uittocht op korte tijd van door het verplichte celibaat gefrustreerde, door de behoudsgezinde doctrine gedesillusioneerde of door de veranderende levensomstandigheden, inzonderheid de gezagscrisis na en door de Tweede Wereldoorlog, tot andere inzichten gekomen priesters, monniken en vrouwelijke religieuzen heeft er mede voor gezorgd dat ook de gewone gelovigen er de brui aan gaven en praktisch van de ene dag op de andere wegbleven uit de kerk. Eens het instituut het begaf, zijn maatschappelijke macht verloor en de gewone priesters verdwenen, lieten de gelovigen alle nutteloze opgelegde plichten opgelucht en zelfs enthousiast vallen. Vandaag zijn er in Vlaanderen nog amper priesters en roepingen, en al zeker bijna geen Vlaamse meer. Het kerkbezoek ligt onder de vijf procent van de bevolking, en de gemiddelde leeftijd van de gelovigen bereikt stilaan de gemiddelde levensverwachting. En er komt opvallend niets voor in de plaats: mensen zoeken geen ander geloof, ze worden ongelovig.  Dat lijkt wel een terugkeer naar de natuurlijke toestand, veeleer dan dat de cynisch afgedwongen — en verre van oprecht overtuigde — algemene gelovigheid dat ooit was.

Uit dergelijke vaststellingen kunnen we niet anders dan concluderen dat wanneer de priesters verdwijnen, ook hun godsdienst en hun goden verdwijnen. Zonder priesters is er geen godsdienst, zonder godsdienst is er geen god. Omgekeerd, dat godsdienst niet ontstaat uit een of ander diepmenselijk maar mysterieus gemis, maar altijd en overal een aangeleerde gewoonte en een onrechtmatig afgedwongen maatschappelijke machtsgreep van mensen is. Aangeleerd door personen die zich op die manier, namelijk door het verbreiden van een openbaringsreligie, van een bevoorrechte positie proberen te verzekeren, waarin een hiërarchische religieuze elite vrijgesteld is van hard labeur en grote zorgen om hun gezin, en zich verzekert van persoonlijk comfort, aanzien, invloed, macht en rijkdom, ten nadele van de bevolking waarop ze parasiteren — niet zelden met inbegrip van oprechte maar goedgelovige eenvoudige leden van de lagere clerus en van de kloosterlingen. Dat blijkt de essentie te zijn van elke godsdienst in de geschiedenis van de westerse wereld.

Een slotbedenking: de drie godsdiensten van het boek, de joodse, christelijke en islamitische, zijn ontstaan in het Midden-Oosten en hebben zich van daaruit verspreid naar West-Europa en later naar de gekoloniseerde gebieden op andere continenten. West-Europa heeft geen ‘eigen’ godsdiensten meer, en als het die ooit al gehad heeft, waren dat geen instellingen zoals bijvoorbeeld het christendom of de islam. Nu het christendom geïmplodeerd is, is er hier alleen nog het zeer beperkte jodendom en de met de immigranten ingevoerde islam, onder joden en personen afkomstig uit moslimlanden. Ze hebben geen aanhang onder de autochtone westerse bevolking, die heeft na haar bevrijding andere keuzes gemaakt, ondanks de millennia-lange massale en ongenadige indoctrinatie, of misschien juist daardoor. Om het Johannesevangelie (selectief) te citeren: ‘U zult de waarheid kennen, en de waarheid zal u bevrijden’. (Joh. 8, 32)

Stuur door

Altijd de beste zijn en de anderen overtreffen?

αἰὲν ἀριστεύειν καὶ ὑπείροχον ἔμμεναι ἄλλων

Aiei aristeuein… Het is een van die vele gevleugelde woorden die ik me tijdens mijn humaniora-opleiding eigen maakte en die me een leven lang bijgebleven zijn. De uitdrukking is een (gedeeltelijk) citaat uit de Ilias van Homerus, waar Glaucus spreekt over wat zijn vader hem meegaf als wijze raad en opdracht: ‘Hippolochus verwekte mij, van hem zegt men dat ik afstam. Hij zond me naar Troje en gaf me vele vermaningen mee: altijd de beste te zijn en de anderen te overtreffen, en het geslacht van de vaderen niet te schande te maken.’ (6, 208). De zinsnede komt nog een tweede keer voor, in boek 11, 783, waar Nestor Patroclus de woorden in herinnering brengt die Peleus tot Achilles richtte, en die Menoetius op zijn beurt tot Patroclus sprak.

Het gaat dus om een staande uitdrukking, die als kenmerkend wordt beschouwd voor de klassieke Griekse cultuur. Zonder enige twijfel kunnen we hetzelfde zeggen van alle andere culturen: men spoort altijd en overal de mensen aan om te excelleren, om beter te zijn dan de anderen. Men stuurt geen soldaten naar het front om smadelijk verslagen en afgeslacht te worden: Ritorna vincitor! (Verdi, Aida). In sportwedstrijden is deelnemen helemaal niet belangrijker dan winnen, dat is een excuus van de verliezers.

Nochtans kan men zelfs bij een blijkbaar zo algemeen menselijke drijfveer toch enkele bedenkingen maken.

Vooreerst is een heroïsche interpretatie van het antieke Griekse ideaal al te eenzijdig. Het is immers niet zo dat bij Homerus zelf of in de latere antiek-Griekse literatuur enkel helden worden opgevoerd en als voorbeeld aangeprezen. Heldenmoed is niet voorbehouden voor Griekse helden, denk aan de tegenstanders in Troje zoals Hector. En de Griekse helden zijn niet altijd even heldhaftig, denk aan de wrokkende Achilles, of de achtergelaten Philoctetes, of de waanzin van Ajax, of de ondergang van Oedipus. Noch is heldenmoed de enige of zelfs maar de voornaamste lovenswaardige eigenschap in de Griekse antieke cultuur, ook niet bij Homerus.

Daarnaast is ook de formulering zoals we die hier bij Homerus vinden voor interpretatie vatbaar. Er is niets verkeerds met het eerste deel van de opdracht: altijd de beste zijn, als men dat begrijpt als een aansporing om altijd je best te doen, je altijd in te spannen om zo goed mogelijk te zijn, je eigen mogelijkheden en de omstandigheden optimaal te benutten. Zelfs als we daarin niet altijd en volledig slagen, en wie zou dat werkelijk kunnen, zullen we gunstig afsteken tegen anderen die niet eens de moeite doen, of die nu eenmaal minder begaafd zijn, of meer tegenslag hebben. Maar als men al te eenzijdig de nadruk gaat leggen op het ‘overtreffen van de anderen’ als doelstelling voor ons handelen en ons denken, lopen we het gevaar het eerste gedeelte van het adagium uit het oog te verliezen. Het volstaat immers niet om alleen maar beter te zijn dan anderen, het gaat er vooral om dat we proberen het beste uit onszelf te halen, en daarbij mogen we de anderen niet de maatstaf laten zijn voor onze eigen ambities, noch mogen we ernaar streven dat zij onze minderen zijn, of hen willen vernederen of minachten, laat staan hen benadelen, kwetsen of uiteindelijk doden, in een Homerische tweekamp totterdood, of in meer moderne conflicten, die nog veel meer slachtoffers eisen, niet alleen onder de strijdkrachten — en dat zijn evengoed gewone mensen — maar ook onder de burgerbevolking.

Aristeuein moeten we veeleer zien als een oproep om altijd goed te zijn, dan om noodzakelijk de beste te zijn. De kern van het Griekse werkwoord is aristos, en dat is de superlatief van agathos, comparatief ameinoon. (In het Nederlands zien we ook ongeveer zoiets: we zeggen niet goed – goeder – goedst, moet goed – beter- best; ook het Engels en het Duits hebben dat.) De kern van die ongewone overtreffende trap is het substantief arètè, en dat betekent in de eerste plaats voortreffelijkheid, uitmuntendheid; bij Plato en Aristoteles is dat het kernwoord van de moraal, in het Latijn virtus. Het wordt vaak vertaald als ‘deugd’, en is in die betekenis door het christendom overgenomen. Aristeuein is dan deugdzaam handelen, of zich gedragen zoals het hoort.

Als we de oorspronkelijke betekenis van aristos behouden, dus niet als de onregelmatige overtreffende trap van ‘goed’, maar in de zin van voortreffelijk, uitmuntend, de volmaaktheid benaderend, dan betekent aristeuein niet zozeer het overtreffen van de anderen, maar de eigen voortreffelijkheid optimaal nastreven en bereiken in de mate van onze mogelijkheden en de externe omstandigheden. Het is dan opvallend dat vooral het eerste gedeelte van het homerisch citaat bewaard is gebleven en als leidraad en als motto gebruikt werd en wordt: aiei aristeuein, altijd je beste zelf zijn, en dat men het minder fraaie overtreffen of verslaan van de anderen heeft weggelaten.

We moeten echter beseffen dat ook dat ideaal, namelijk altijd maximaal jezelf realiseren, niet ongenuanceerd mag nagestreefd worden. We moeten niet werkelijk alles proberen te bereiken wat we kunnen, er zijn wel degelijk redelijke grenzen aan de menselijke ambities. Ons adagium is geen oproep tot het verwerven van excessieve macht en rijkdom, alsof dat de voorwaarden of de kenmerken zouden zijn van de menselijke voortreffelijkheid. Net zoals absolute macht absoluut corrupt maakt, is overdreven rijkdom en het etaleren daarvan veeleer een gevaarlijke ondeugd dan een voortreffelijke eigenschap. Mèden agan is een andere Griekse aansporing: niets te veel! Aristeuein is niet iets dat we rücksichtslos ten top moeten drijven, tot het nec plus ultra. Dat zien we bijvoorbeeld bij de rijkste personen ter wereld, die zo veel geld hebben dat ze het niet meer zinvol kunnen besteden. En bij de personen die het meest de macht naar zich toegetrokken hebben, dictators zoals Poetin, die ze gebruiken voor immorele oorlogen en genadeloze onderdrukking van de eigen bevolking. Bij die uitersten wordt het duidelijk dat Homerus’ helden, en de antieke Griekse cultuur in het algemeen niet dat doel voor ogen hadden, maar een veel redelijker ideaal, namelijk zich onder alle omstandigheden gedragen als een voortreffelijk mens in alle opzichten.

Zo moeten we ook over de ware aristocratie denken, als de staatsvorm waarbij het bestuur in handen is van moreel hoogstaande, voortreffelijke personen, en niet van lieden die zich met alle middelen en zonder scrupules meester gemaakt hebben van de meeste macht en de grootste rijkdommen. In die zin kan en moet ook de ware democratie waarlijk aristocratisch zijn: een samenleving die geleid wordt door vrij verkozen vertegenwoordigers van het volk die in alle omstandigheden blijk geven van het beste dat men van mensen mag verwachten: aiei aristeuein.

Stuur door

Dirk Verhofstadt in gesprek met Johan Braeckman, deel 2

Dirk Verhofstadt in gesprek met Johan Braeckman. Een zoektocht naar menselijkheid, deel 2, Antwerpen: Houtekiet, 2026, 400 blz., pb, € 24,99.

Bij het verschijnen van het eerste deel in 2023 schreef ik een enthousiaste recensie: https://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/archief.php?ID=2552842 . Na lezing van het tweede deel moet ik bekennen dat mijn hooggespannen verwachtingen niet helemaal ingelost konden worden, dat is althans mijn oprecht aanvoelen. Waaraan ligt dat? Misschien aan de onderwerpen, die mij, dat geef ik graag toe, toch wat minder liggen dan die van het eerste deel. Nochtans is spreken en schrijven over taal, geweld, maakbaarheid, de vrije wil, zingeving — de vijf hoofdstukken van dit werk — evident niet onbelangrijk, maar deze thema’s sluiten veel nauwer aan bij de actualiteit en lenen zich daarom bijna onvermijdelijk gemakkelijker tot vermelding van en wat oppervlakkiger commentaar bij opvallende concrete voorbeelden dan tot meer diepgaande analyse van en reflectie over de grond van de zaak: onze menselijkheid.

Ligt het aan de tekst zelf van dit tweede deel? Ik kan me niet van de indruk ontdoen dat de intrinsieke kwaliteit van de inhoud aanmerkelijk moet onderdoen voor het eerste deel; dat het tweetal niet altijd even gedreven is; dat de onderwerpen minder essentieel en de behandeling en de uitwerking ervan daarom allicht af en toe minder prangend zijn. De gesprekken waarop het boek gebaseerd is, of althans de uitgeschreven dialogen die eruit resulteerden, overstijgen niet altijd het niveau van de betere avondlijke gedachtewisselingen onder vrienden, en blijven ze niet zelden beneden het peil van de betere blogs. Soms kon ik me niet van de al dan niet terechte indruk ontdoen dat het nu meer gaat over badinerende tafel- of werkgesprekken, die gaandeweg opgenomen en later uitgeschreven werden. Bij het redigeren van de definitieve tekst werd dan vermoedelijk achteraf inhoudelijk materiaal uit de relevante wetenschappelijke literatuur toegevoegd is — in het beste geval; een enkele keer is dat echter niet meer dan terloopse namedropping. De uitvoerige bibliografie is eenzelfde uitbreiding, maar dan with a vengeange: veeleer een tergend lange lijst voor verdere (zeer) eventuele lectuur, la mer à boire, dan de bij monografieën gebruikelijke sobere rechtstreekse verantwoordingen van gebruikt materiaal in de tekst zelf.

Het resultaat van deze complexe ontstaansgeschiedenis en werkmethode is voor het grote publiek in ten minste een deel van de gevallen wellicht niet altijd even fascinerend en meeslepend, terwijl de traditionele veeleisende geïnteresseerde leek veel zal herkennen uit de eigen lectuur en uit de media.

Over enkele echt belangrijke onderwerpen zoals atheïsme, het voortbestaan na de dood en de echte vrije wil komt Braeckman pas goed op dreef en schrijft hij gelukkig voorwaar memorabele hoogstaande maar heel toegankelijke passages, zoals we dat van hem mogen verwachten, en lost hij de verwachtingen gewekt door zijn eerdere publicaties ruimschoots in. Daarom alleen al is het zonder enige twijfel de moeite waard om dit boek meteen aan te schaffen en het schouder aan schouder met zijn voorganger te plaatsen in het boekenrek.

Vooral bij die inhoudelijk sterkste passages van Johan Braeckman valt het des te meer op dat zijn sidekick het intellectuele niveau van de meester niet haalt.  Dat heeft onvermijdelijk gevolgen voor het ‘format’, de nogal gekunstelde, om niet te zeggen geforceerde ‘dialoog’ tussen Sherlock Braeckman en Watson Verhofstadt, die bij mij ook al in het eerste deel wat wrevel opriep. Bij hun woorden-en gedachtewisselingen zijn ze nu vaak persoonlijker, alsof het om een echt interview ging, en niet een fictieve dialoog naar het klassieke voorbeeld van Plato. Ook dat draagt mijns inziens niet altijd bij tot het literaire en inhoudelijke niveau van de uiteindelijke tekst.

Net zoals in het eerste deel is het aandeel van Braeckman gelukkig niet alleen veruit het meest uitgebreide maar ook het meest waardevolle. Na dit tweede deel kan men de vraag niet meer ontwijken waarom hij over deze en andere onderwerpen niet zelf de gedegen monografie(ën) heeft geschreven waartoe hij uitermate in staat is. Op deze pseudo-socratische formule zit helaas enige sleet; ze leidt mij althans, ondanks mijn nochtans welwillende vooringenomenheid, nu nog meer dan in het eerste deel veeleer af dan dat ze aanzienlijk zou bijdragen tot de leesbaarheid van het boek.

Bis repetita placent, maar niet altijd. Het spijt me werkelijk dat ik ondanks de vele verdiensten van dit werk geen onverdeeld lovende recensie kon schrijven. Een openhartig atheïstisch ernstig boek is in het Nederlandse taalgebied nog altijd een zeldzaamheid, en verdient voorzeker alle hulp en aanmoediging die men kan opbrengen, en dat geldt ook voor het tweede deel van deze zoektocht, dat naar wij hopen bij een ruim publiek goed onthaald zal worden, mede door de ruchtbaarheid die er terecht aan gegeven wordt. Maar een echt volwaardige opvolger schrijven voor het fameuze eerste deel, laat staan dat proberen te overtreffen, is althans in de ogen van deze lezer toch net een ietwat te grote uitdaging gebleken. Daarmee ben ik allicht helaas de enige Vlaamse auteur die in het boek nominatim vermeld wordt maar er geen blitse blurb of ronkende recensie voor gepleegd heeft. Van je vrienden moet je het hebben, zal men denken. Om in de stijl van de dialogen te blijven: amicus Plato, magis amica veritas?

 

Stuur door

Spiritualiteit?

Spiritualiteit

Het woord spiritualiteit wordt ook vandaag nog in religieuze, therapeutische, culturele en persoonlijke contexten gebruikt, maar verliest daardoor gemakkelijk zijn scherpte. Voor mij wordt de vraag pas interessant wanneer men haar losmaakt van een bovennatuurlijk wezen, een hiernamaals of een metafysische werkelijkheid achter de wereld. Wat blijft er dan van spiritualiteit over? De stelling die ik hier verdedig, is dat zij ook binnen een atheïstische en radicaal immanente levensbeschouwing betekenisvol kan zijn: niet als vlucht uit het eindige bestaan, maar als aandachtige manier om dat bestaan te bewonen.

Wie vandaag het woord spiritualiteit uitspreekt, roept zelden nog een scherp omlijnd begrip op. Het woord circuleert in yogastudio’s, coaching-gesprekken, stiltewandelingen en boeken over persoonlijke groei. Het ruikt naar wierook en welzijn, naar innerlijke rust en kosmische verbondenheid. Juist daardoor is het begrip kwetsbaar geworden: hoe ruimer het klinkt, hoe minder het soms nog zegt. Toch is die vaagheid bedrieglijk. Onder het dunne oppervlak van hedendaagse banaliteit ligt een oud woord, zwaar beladen met adem, geschiedenis en theologische strijd.

De oorsprong voert ons terug naar het Latijnse spiritualitas, verwant met spiritus: adem, luchtstroom, levensbeginsel. In dat ene woord klinkt nog de fysieke eenvoud van het ademen mee. Het Latijnse spiritus staat naast het Griekse pneuma en het Hebreeuwse ruach, woorden waarin wind, adem en geest nog niet uit elkaar zijn gevallen. Wanneer Paulus (ca. 5–ca. 64?) spreekt over de ‘geestelijke mens’, bedoelt hij dan ook geen wezen dat het lichaam achter zich laat. Hij tekent een mens die zich laat bewegen door de Geest, tegenover de mens die opgesloten blijft in begeerte, zelfbehoud en materiële gerichtheid.

Toen spiritualitas in de vroege middeleeuwen als zelfstandig begrip opdook, verwees het daarom niet naar wereldvlucht of verheven zweverigheid. Het ging om een gestalte van leven: een mens van vlees en bloed wiens handelen, oordelen en verlangen doortrokken waren van evangelische waarden en goddelijke genade. Het geestelijke stond niet buiten het leven, maar moest daarin juist gestalte krijgen.

Later verschoof het begrip. In de scholastiek werd spiritualitas sterker tegenover materialitas geplaatst: de onstoffelijke ziel tegenover het lichaam, het geestelijke tegenover het tastbare. Ook het kerkelijk recht eigende zich het woord toe en onderscheidde de geestelijke goederen, spiritualia, van de wereldlijke macht, temporalia. Pas in het zeventiende-eeuwse Frankrijk kreeg la spiritualité de klank die wij nog herkennen: de geordende weg van gebed, contemplatie en innerlijke verdieping.

Die geschiedenis maakt één ding duidelijk: spiritualiteit is niet zomaar een modern verzamelwoord voor alles wat vaag verheffend aanvoelt. Het begrip is eeuwenlang door het christendom gedragen en gevormd. Toch blijven woorden niet stilstaan. Zij verplaatsen zich, verliezen oude omheiningen en nemen nieuwe stemmen in zich op. De overgang naar seculiere, humanistische of uitgesproken atheïstische vormen van zingeving hoeft daarom niet als verraad aan de oorsprong te worden gelezen. Zij laat vooral zien hoe mensen telkens opnieuw taal zoeken voor wat hen bezielt — ook wanneer zij dat bezielende niet langer God noemen.

Vanuit die beweging kan spiritualiteit ruimer worden verstaan. Wat begon als een uitgesproken kerkelijk begrip, werd geleidelijk een taal voor de ordening van het innerlijke leven: voor de wijze waarop mensen betekenis zoeken, aandacht oefenen en zich verbinden met wat hun onmiddellijke zelf overstijgt — niet als metafysische transcendentie, maar als ervaring van natuur, gemeenschap, kunst, lichamelijkheid, tijdelijkheid en gedeelde kwetsbaarheid.

In die brede zin is spiritualiteit geen losstaande techniek en evenmin een vlucht uit de werkelijkheid. Zij is een houding tegenover het bestaan: een manier waarop een mens zijn leven bewoont, de waarden onderzoekt die hem dragen, de stilte toelaat die hem onderbreekt en de verbondenheid erkent die hem overstijgt. Voor mij blijft dat overstijgen radicaal immanent: het verwijst niet naar een bovennatuurlijke persoon, een hiernamaals of een hogere orde buiten de wereld, maar naar de diepte die in het gewone, eindige bestaan zelf kan worden ervaren.

Die spanning ken ik niet alleen als gedachte, maar uit mijn eigen geschiedenis. Ik ben katholiek opgevoed: met missen, gebeden, rituelen, woorden die vanzelfsprekend leken zolang men ze niet te hard bevroeg. Al heel snel werd de leer voor mij ongeloofwaardig: de dogma’s, het bovennatuurlijke wereldbeeld, het idee van een persoonlijke God die in de werkelijkheid ingrijpt. Toch verdween met dat ongeloof niet alles wat mij ooit had geraakt. Ik herinner mij de orgelmuziek die na de mis nog door de kerkruimte bleef trillen, laag en donker in de stenen gewelven, terwijl de geur van kaarsvet en oud hout bleef hangen. Ik herinner mij de koelte van kerken en kapellen op warme dagen, het gefilterde licht door glasramen, het zachte schuiven van stoelen, de stilte die niet leeg was maar geladen. En ik herinner mij de ontroering bij het In paradisum, juist omdat die muziek iets aanraakte waarvoor ik geen geloof meer nodig had. Wat mij daarin trof, was niet de belofte van een hiernamaals, maar de intensiteit van klank, ruimte, ritueel en herinnering in dit ene leven zelf.

Daarom beweegt spiritualiteit zich altijd op meerdere niveaus tegelijk. Zij raakt aan zingeving en waarden: aan de vraag wat werkelijk van betekenis is en hoe een leven goed kan worden geleefd. Zij raakt aan verbondenheid: met zichzelf, met anderen, met natuur, kunst, cultuur en de materiële werkelijkheid waarvan wij deel uitmaken. En zij raakt aan bewustzijn: aan momenten van stilte, aandacht, studie, meditatie of verwondering waarin het gewone bestaan dieper wordt aangevoeld, zonder dat daarvoor een transcendente werkelijkheid hoeft te worden aangenomen.

In al die vormen gaat het niet om ontsnapping aan het menselijke, maar juist om een intensivering ervan. De verwondering over de natuur, de loutering door kunst, het ethische gebaar, de filosofische vraag: zij behoren tot diezelfde poging om het bestaan niet alleen te ondergaan, maar het met aandacht te verstaan.

Die brede betekenis wordt pas werkelijk zichtbaar wanneer men haar niet alleen definieert, maar door de geschiedenis heen volgt. Steeds opnieuw hecht spiritualiteit zich aan andere vormen van leven, denken en oefenen.

Die beweging is ouder dan het christelijke vocabularium zelf, al ging het toen nog niet om spiritualiteit in de latere betekenis van het woord. In de Griekse oudheid zocht Socrates (ca. 470–399 v.Chr.) de zorg voor de ziel niet in bezit of roem, maar in het onderzochte of bewuste leven; bij Plato (ca. 428–ca. 348 v.Chr.) keerde de ziel zich van schijn naar waarheid. Later boden stoïcijnen als Epictetus (ca. 50–ca. 135) en Marcus Aurelius (121–180) een verwante oefening in innerlijke vrijheid: niet de wereld beheersen, maar de eigen verhouding tot de wereld zuiveren. Ook de mysterieculten van Eleusis, Dionysos, Orpheus en andere in andere tijden en streken spraken over inwijding, stilte en verborgen kennis — woorden die later verwant zouden raken aan het vocabularium van mystiek. Het gaat daarbij niet om een echte voorgeschiedenis van spiritualiteit, maar om verwante manieren waarop mensen altijd al het innerlijke leven hebben geoefend, geordend en verdiept.

Een sleutelpositie in die ontwikkeling neemt Augustinus van Hippo (354–430) in. In zijn Confessiones wordt het innerlijke leven met ongekende intensiteit tot onderwerp van onderzoek: herinnering, verlangen, schuld, tijd en bekering worden niet alleen theologisch besproken, maar van binnenuit beschreven. Zijn beroemde onrustige hart laat zien dat spiritualiteit niet begint bij een volmaakt bezit van waarheid, maar bij een zoekende beweging waarin de mens zichzelf pas begrijpt door zijn verlangen te onderzoeken. Historisch blijft Augustinus diep christelijk, maar zijn aandacht voor innerlijkheid, zelfonderzoek en de dubbelzinnigheid van de wil heeft ook buiten het geloof een blijvende betekenis. Zie https://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/archief.php?ID=2596023

In de middeleeuwen kreeg die oefening een uitgesproken christelijke gestalte. De woestijnvaders zochten in stilte, vasten en eenzaamheid naar een gezuiverd hart; Benedictus (ca. 480–ca. 547) gaf het monastieke leven een ritme van gebed en arbeid; Bernardus van Clairvaux (1090–1153) maakte van de liefde zelf een weg van kennis. In de late middeleeuwen bracht Geert Grote (1340–1384) met de Moderne Devotie die innerlijke oefening dichter bij het gewone leven van leken en gemeenschappen, terwijl Thomas a Kempis (ca. 1380–1471) in De imitatione Christi de navolging van Christus verwoordde als een weg van eenvoud, nederigheid en persoonlijke toewijding. Zie https://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/archief.php?ID=2624960

Bij anderen verschoof de nadruk naar een intensere taal van innerlijke ervaring. Hadewijch (ca. 1200–ca. 1260), Beatrijs van Nazareth (1200–1268), Meister Eckhart (ca. 1260–ca. 1328) en Jan van Ruusbroec (1293–1381) beschreven het geestelijke leven in beelden van minne, afgrond, vonk en vereniging — niet als theorie, maar als taal op de rand van het onzegbare.

Ook in de zeventiende, achttiende en negentiende eeuw werd die lijn niet afgebroken. In het denken van de Verlichting werd het innerlijke leven kritischer en autonomer, maar niet noodzakelijk armer. Een beslissende vroege figuur is Spinoza (1632–1677). Zijn formule Deus sive natura — God, oftewel de natuur — moet niet simpelweg pantheïstisch worden verstaan, alsof hij de zichtbare wereld eenvoudigweg tot God verklaart. Zij drukt veeleer een radicaal immanent substantie-monisme uit: er bestaat geen persoonlijke Schepper buiten de wereld, maar één noodzakelijke werkelijkheid waarvan alle eindige dingen modi zijn. In die zin verwijst ‘God’ bij Spinoza niet naar een bovennatuurlijk wezen, maar naar de immanente, zichzelf voortbrengende orde van de natuur.  Zie https://spinoza-in-vlaanderen.weebly.com/

Bij Rousseau (1712–1778) kreeg de natuur een bijna religieuze diepte; bij Kant (1724–1804) werd eerbied voor de morele wet een vorm van innerlijke verheffing. In de Romantiek keerden Novalis (1772–1801), Wordsworth (1770–1850) en later Emerson (1803–1882) zich naar natuur, verbeelding en intuïtie als plaatsen waar het zelf zijn grenzen voelt wijken. Tegelijk ontstond steeds nadrukkelijker een niet-theïstische gevoeligheid: betekenis hoefde niet langer uit een persoonlijke goddelijke orde te worden afgeleid, maar kon worden gezocht in geweten, natuurervaring, kunst, solidariteit en persoonlijke bewustwording en innerlijkheid. In mijn atheïstische lezing wordt die verschuiving nog radicaler: er is geen tweede werkelijkheid achter deze werkelijkheid, maar alleen deze wereld, die juist door haar eindigheid om aandacht, zorg en betekenis vraagt. Zie https://vrijdenkers.weebly.com/

Op dat punt ontstaat de verwarring met mystiek. Waar spiritualiteit het leven verdicht, lijkt mystiek het leven soms te doorbreken. Beide spreken over diepte, stilte en verbondenheid, maar zij doen dat vanuit een ander register. In het hedendaagse taalgebruik worden spiritualiteit en mystiek gemakkelijk in elkaar geschoven, alsof ze beide slechts namen zijn voor een innerlijke zoektocht. Dat verdoezelt echter een wezenlijk onderscheid. Spiritualiteit is de weg die een mens kiest en oefent; mystiek is de ervaring waarin die weg plotseling zijn richting verliest omdat de werkelijkheid zelf zich anders aandient. Spiritualiteit veronderstelt duur, oefening en wil. Zij bestaat in het onderhoud van de geestelijke conditie: in rituelen, studie, stilte, ethiek, aandacht en herhaling. Het ik blijft daarin aanwezig: het denkt, kiest, verlangt, corrigeert zichzelf en richt zich op een ideaal. Dat ideaal hoeft echter geen bovennatuurlijke oorsprong te hebben. Het kan even goed voortkomen uit menselijke waardigheid, solidariteit, schoonheid, waarheid of de kwetsbare verbondenheid van levende wezens.

In de hedendaagse filosofische literatuur hebben denkers als Leo Apostel (1925–1995), André Comte-Sponville (1952–), Alain de Botton (1969–), Sam Harris (1967–) en Robert C. Solomon (1942–2007) op verschillende manieren geprobeerd om spiritualiteit los te maken van dogma, kerk en bovennatuurlijk geloof. Apostel zoekt naar een atheïstische spiritualiteit die vertrekt vanuit religieuze en mystieke ervaring zonder haar aan God te binden; Comte-Sponville spreekt over een spiritualiteit zonder God; de Botton onderzoekt welke vormen van ritueel, gemeenschap en troost uit religies kunnen worden overgenomen zonder hun leerstellingen te aanvaarden; Harris verdedigt een rationele, door meditatie en bewustzijnsonderzoek gevoede spiritualiteit zonder religie; Solomon noemt spiritualiteit een natuurlijke, betrokken liefde voor het leven zelf.

Mystiek daarentegen begint in haar scherpste vorm waar die bewuste beweging wordt onderbroken. Het woord verwijst, via het Griekse myein, naar het sluiten van ogen of lippen: naar een ervaring die zich niet eenvoudig laat zeggen. Zij wordt niet gemaakt, niet gepland en niet afgedwongen; zij overkomt. In haar sterkste vorm vervaagt de grens tussen het waarnemende individu en de werkelijkheid, alsof het onderscheid tussen ziener en geziene voor een ogenblik wegvalt.

Binnen de christelijke traditie kreeg die ervaring een naam: unio mystica, de vereniging waarin de ziel de goddelijke grond raakt. Meister Eckhart en Jan van Ruusbroec spreken daarover in een taal die tegelijk uiterst precies en bijna onmogelijk is. Die religieuze taal blijft historisch belangrijk, maar ik neem haar hier niet als metafysische uitleg over. Ik lees haar als poëtische en ervaringsgerichte taal voor grensvervaging. In dat opzicht raakt zij aan wat Freud, in gesprek met Romain Rolland, het oceanische gevoel noemt: het gevoel van grenzeloosheid en verbondenheid met het geheel, dat Freud niet als bewijs van transcendentie leest, maar psychologisch probeert te verklaren als een spoor van een vroegere, nog ongedifferentieerde ik-ervaring. Ook binnen een atheïstische levensbeschouwing kan een mens iets dergelijks ervaren: tegenover een overweldigend landschap, in de architectuur van een fuga, in de stilte na een filosofisch inzicht, of in het besef deel te zijn van een groter natuurlijk en menselijk verband. Dan lijkt het ego even zijn harde omtrek te verliezen, zonder dat deze ervaring naar een God, ziel of metafysische werkelijkheid hoeft te verwijzen.

Zo wordt het onderscheid uiteindelijk een verschil in tijd en wil. Spiritualiteit is traag, herhalend en bewoonbaar: een levenslange oefening in aandacht en bezieling. Mystiek is zeldzaam, plotseling en nauwelijks te bezitten: een flits waarin het zoeken ophoudt omdat de zoeker zelf even verdwijnt. De ene is de weg die wij gaan; de andere is het ogenblik waarop de weg onder onze voeten wegzinkt.

Spiritualiteit hoeft, zoals ik haar hier begrijp, niet aan een bovennatuurlijke werkelijkheid te worden verbonden om betekenis te dragen. Zij wijst niet weg uit de wereld, maar dieper de wereld in: naar aandacht voor het eindige, zorg voor het kwetsbare, verwondering over wat bestaat en verantwoordelijkheid tegenover wie en wat dit leven met ons deelt. Mystiek blijft de naam voor die zeldzame momenten waarop het gewone bestaan zijn vertrouwde grenzen verliest, zonder dat men daarom een tweede werkelijkheid hoeft te veronderstellen. Zo eindigt spiritualiteit voor mij niet in vlucht uit het leven, maar in een aandachtiger bewoning ervan.

Voor Paulus’ onderscheid tussen de natuurlijke en de geestelijke mens, zie vooral 1 Korintiërs 2:14–15, waar de psychikos anthrōpos tegenover de pneumatikos wordt geplaatst. Sigmund Freud bespreekt het door Romain Rolland aangebrachte begrip van het oceanische gevoel aan het begin van hoofdstuk I van Das Unbehagen in der Kultur / Civilization and Its Discontents (1930), in de passage waarin hij Rollands kritiek op Die Zukunft einer Illusion samenvat en het gevoel van iets “onbegrensds” en “oceanisch” bespreekt.

Spinoza’s metafysische grondslag staat in deel I van de Ethica ordine geometrico demonstrata, De Deo: vooral definitie 3 over substantie, definitie 5 over modi, definitie 6 over God als absoluut oneindige substantie, stelling 14 over het bestaan van slechts één substantie, en stelling 18, waarin God de immanente en niet-transitieve oorzaak van alle dingen wordt genoemd. De letterlijke formule Deus sive Natura verschijnt echter elders in de Ethica, met name in het voorwoord van deel IV en in het bewijs bij deel IV, stelling 4. Zie ook het vijfde deel van de Ethica, over het opgaan van het levende individu in de eeuwigheid van het universum.

Zie verder Leo Apostel, Atheïstische spiritualiteit (1998; herdruk 2013); André Comte-Sponville, L’esprit de l’athéisme. Introduction à une spiritualité sans Dieu / The Little Book of Atheist Spirituality (2006/2007); Alain de Botton, Religion for Atheists: A Non-believer’s Guide to the Uses of Religion (2012); Sam Harris, Waking Up: A Guide to Spirituality Without Religion (2014); en Robert C. Solomon, Spirituality for the Skeptic: The Thoughtful Love of Life (2002).

Stuur door

God of de Natuur

God, of de Natuur.

Ik ben atheïst, ik ben ervan overtuigd dat er geen God is zoals bijvoorbeeld de katholieke Kerk voorhoudt. Voor mij bestaat er niets anders dan het universum. Maar niet zelden heb ik de indruk dat die God van het katholieke christendom slechts een andere manier is om over hetzelfde te spreken, namelijk het universum. Het oorspronkelijke aanvoelen, het fait primitif (Maine de Biran 1766-1824) is allicht hetzelfde: het besef van ons uitzonderlijk maar nietig bestaan in de onmetelijke ruimte, van onze verbondenheid met alle leven op aarde, en van de verbluffende mogelijkheden die de materie ons biedt. Zeggen dat God de almachtige schepper is van hemel en aarde is dan niets anders dan dat het universum zoals wij het nu kennen ooit ontstaan is uit een oerbeginsel, en dat alles wat gebeurt in en door dat universum gebeurt. Dat God alwetend is en over alles beslist, is niets anders dan dat het universum gekenmerkt wordt door universele, onveranderlijke natuurwetten, en dat er niets kan gebeuren dat daarmee niet in overeenstemming is. Gods alomtegenwoordigheid is evident als er niets anders is dan het universum, net zoals zijn eeuwigheid en onveranderlijkheid.

Zelfs met het meest heikele en contra-intuïtieve punt van elk geloof, namelijk de openbaring aan de mensheid door een bovennatuurlijk wezen, kan ik me in zekere zin verzoenen. Ik kan de boodschappen, hoe bizar en absurd die ook zijn, die profeten menen te ontvangen dan interpreteren als het resultaat van alle invloeden die deze blijkbaar zeer ontvankelijke personen ondergaan vanuit het universum, de geschiedenis van de mensheid in het algemeen en van henzelf in de omgang met hun medemensen in het bijzonder. Indien die openbaringen al niet afkomstig zijn van een hoger wezen, zijn ze daarom niet minder reëel in het ‘hoofd’ van diegenen die ze menen te ontvangen, zelfs als ze bewust verzonnen zijn, en is hun invloed daarom niet geringer. Ze verschillen in die zin niet van andere ideeën waartoe mensen komen, zoals ideologen, filosofen, poëten en andere schrijvers en kunstenaars. De geloofwaardigheid van profeten hangt trouwens ook in het Oude Testament in de praktijk niet af van de vermeende wonderen die ze doen, maar van hun persoonlijkheid en hun slaagkansen bij het voorspellen. Die wonderen zijn overigens altijd uitsluitend te vinden in (veel latere) geschriften daarover, er zijn nooit (geloofwaardige) ooggetuigen. De spectaculaire uitkomst van voorspellingen is een bekend literair genre, waarbij men na de feiten een profetie verzint en die situeert in een vroegere tijd. Lees wat ik eerder over openbaring schreef hier: https://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/archief.php?ID=2174561

De problemen beginnen echter wanneer men aan God ook morele eigenschappen gaat toekennen die zijn relatie tot de mensen kenmerken. Het universum is geen persoon, God wel. Men zou nog kunnen stellen dat Gods liefde tot de mens een manier is om uit te drukken dat de mens enkel is kunnen ontstaan in een universum dat daartoe de mogelijkheden had, maar hier botsen we al op een fundamentele tegenstelling: het universum heeft na een lange evolutie wel de mens voortgebracht, maar dat was niet van meet af aan de bedoeling, het is louter een mogelijk gevolg van de werking van de natuurwetten. Met alle andere volmaakte eigenschappen van God komen we nog verder in de problemen. Een volmaakt goede God is niet verenigbaar met al de evidente onvolmaaktheden van het universum. Een volmaakt rechtvaardige God niet met het verloop van de geschiedenis van de mensheid en van individuele mensen. Zijn oneindige genadige barmhartigheid strookt niet met zijn absolute rechtvaardigheid. Vandaar dat mensen die het geloof in het bestaan van een dergelijke persoonlijke God voorstaan zich in de meest onmogelijke bochten moeten wringen om hun opvatting te verdedigen tegen de meest voor de hand liggende bezwaren. Het wordt dan onvermijdelijk dat de twee opvattingen, het atheïsme en het geloof in God, steeds verder uit elkaar evolueren, tot ze volkomen onverenigbaar worden.

Dat gebeurt echter niet zomaar, als een metafysisch schaakspel tussen belangeloze partijen. Aan de ene kant heb je een aantal mensen, min of meer verenigd in Kerken of ideologieën, die wereldse macht en rijkdom ambiëren in een hiërarchische beleidsstructuur, op grond van een onbetwistbaar geopenbaarde en geïnterpreteerde leer, en aan de andere kant een aantal mensen die in gemeenschappelijk overleg een democratische samenleving tot stand willen brengen, met als handvest vrijheid, gelijkheid en solidariteit.

Dat zijn de uitersten, en die bestaan uit een relatief gering aantal mensen, die evenwel heel actief zijn in het uitdragen en realiseren van hun doelstellingen. De grote massa van de mensen, overal ter wereld, weet het niet zo goed, en laat zich nu eens door de ene richting en dan weer door de andere overtuigen. Soms zijn er uiterst fanatieke en agressieve individuen die nietsontziend hun ondemocratische opvatting willen doordrukken, soms gaat de massa daarin mee. De democratische principes worden steeds aangebracht en verdedigd door veeleer bedachtzame, maar daarom niet minder overtuigde en geëngageerde individuen, en soms lukt het om die principes te laten inschrijven in de grondwet en in de harten van de mensen, maar de democratie blijft een precaire toestand, altijd bedreigd door de andere, autoritaire kant, en door de onverschillige onwetendheid van de mensen.

In persoonlijke gesprekken met aanhangers van godsdiensten en autoritaire ideologieën lukt het democratisch gerichte personen vaak nog om punten van overeenstemming te vinden, zeker wanneer die aanhangers een nogal persoonlijke, minder fundamentalistische interpretatie geven van de principes van hun godsdienst of ideologie. Maar er bestaat weinig twijfel over de onverenigbaarheid van autoritaire godsdiensten en ideologieën enerzijds, en democratie anderzijds. Daar ligt het essentiële onderscheid, theoretisch maar zeker ook in de praktijk.

De verleiding van macht en rijkdom is groot. Dat ervaren ook mensen die de democratische principes toegedaan zijn. Ook in een democratie gaat het om macht en rijkdom, maar daar zou het niet mogen gaan over hoe die ongelijk verdeeld worden, maar hoe die zo gelijk mogelijk gedeeld worden. Volledige gelijkheid onder alle mensen is onmogelijk, er zijn immers geen twee identieke mensen. Rijkdom en macht zullen dus ook in een democratie ongelijk verdeeld zijn, omdat een democratie maximaal de individuele vrijheid voorstaat, naast de fundamentele gelijkheid inzake de fundamentele mensenrechten, en de solidariteit onder gelijken en van de sterkeren met de zwakkeren, met het oog op de best mogelijke samenleving. Een democratie evolueert voortdurend, omdat haar inzichten voortdurend veranderen, gevoed door de vrijheid van mening en meningsuiting, terwijl een dictatuur zoveel mogelijk een gewelddadig gevestigde hiërarchie en structuur gewelddadig in stand wil houden, en alle verzet ongenadig neerslaat.

Telkens ik weer eens probeer om in godsdiensten en autoritaire ideologieën gemene grond te ontwaren met mijn democratische overtuiging, al was het maar onze gemeenschappelijke menselijkheid, moet ik binnen de kortste keren vaststellen dat overeenstemming in de praktijk ver zoek is, en zelfs het vinden van compromissen vrijwel onmogelijk blijkt. Democratie, vrijheid, gelijkheid en solidariteit lijken voor velen een al te idealistische verre droom, het streven naar macht en rijkdom is voor hen een dagelijkse strijd, al was het maar om zelf te overleven, met alle middelen. Erst kommt das Fressen, dann kommt die Moral. Primum vivere deinde philosophari.

Nochtans kunnen we niet anders dan vaststellen dat het hoogste beschavingsniveau in de geschiedenis, dat wil zeggen het grootste geluk voor het grootste gedeelte van de mensheid bereikt wordt in de meest democratische samenlevingen. Zelfs migrantenstromen bewegen zich steevast naar (meer) democratische landen, nooit naar autoritaire regimes. Al zouden we, verblind door onze eigen welstand, geen andere argumenten zien voor onze democratische samenleving, dan zou dat alleen al ons moeten doen nadenken. Het eten is blijkbaar toch beter waar er moraal is, het leven is blijkbaar toch beter waar er gefilosofeerd wordt.

Stuur door

... hij kon niet ramen

In mijn prilste jeugd las ik ooit een voor mij vreemd gedicht, wellicht in een gedichtenbundel die ik kreeg ter gelegenheid van de proclamatie in de lagere school (1952-1959, als ik terugtel). Daarvan is me bijgebleven dat de verzen op een komische manier niet echt rijmden, omdat de klinkers veranderd waren. Helaas kon ik me alleen het slotvers weer voor de geest halen: ‘hij kon niet ramen!’. Tijdens de ongeveer zeventig jaren die daarop volgden, heb ik herhaaldelijk geprobeerd om het gedicht terug te vinden, maar zonder succes. Toen Google ter beschikking kwam, zocht ik daarmee, maar helaas. Onlangs begon ik met AI te stoeien, en dan heb ik het maar op die manier geprobeerd. En ja hoor! Ik kreeg meteen allerlei informatie over een gedicht over een ridder, een jonkvrouw en de stereotiepe draak. Toen ik de hele tekst vroeg, botste ik eerst op copyrights, maar na enig aandringen kwam het er toch, tot mijn grote blijdschap. Algauw kreeg ik echter argwaan: het klopte niet helemaal, en toen ik doorvroeg, kreeg ik een andere versie, met dezelfde elementen. Na uren van sparren met AI gaf het programma uiteindelijk toe: de tekst was verzonnen! Hallucinatie dus.

Ik was vreselijk teleurgesteld en geërgerd, en mijn aanvankelijke bewondering voor AI kreeg meteen een ferme deuk. Maar toen dacht ik: waar haalde AI die elementen: de ridder, de jonkvrouw, de draak? Waar de kreupelrijmen? Het leek me compleet onwaarschijnlijk dat AI dat zonder enig verband uit zijn duim zoog, hoewel het dat wel uitdrukkelijk stelde toen ik aandrong. Toen ik dat vroeg, was het antwoord dat ‘elementen’ in het AI-geheugen zaten, maar niet de volledige tekst, en die werd er zomaar bij verzonnen. Dus weer naar af, dacht ik… Toen heb ik het verzonnen gedicht aan AI voorgelegd, en plots kreeg ik een verwijzing naar een Facebook-pagina met het gezochte gedicht en een bronverwijzing. Nog even navragen of er niet weer gehallucineerd werd, maar blijkbaar niet. Dus hierbij een korte tekst op basis van gegevens uit AI over het gedicht, en dan de volledige tekst. Eindelijk!

"De ridder" van Jan de Cler behoort tot de populaire nonsens- en plezierpoëzie uit de naoorlogse Nederlandse radiocultuur. De precieze ontstaans- en verspreidingsgeschiedenis is niet op alle punten eenvoudig te reconstrueren, maar het gedicht past duidelijk in een traditie waarin radioamusement, taalspel en voordrachtcultuur nauw met elkaar verweven waren.

De basis voor het gedicht werd gelegd in de studio's van de Nederlandse KRO. Jan de Cler (1915–2009) was een creatieve duizendpoot: tekstschrijver, zanger, radiomaker én de man achter de iconische voetbalhit "Hup Holland hup". Later gooide hij het roer om en werd hij praktiserend huisarts. Het radioprogramma “Negen heit de klok" was vanaf het einde van de jaren veertig tot in de eerste helft van de jaren vijftig een populair amusementsprogramma op de zaterdagavond. Het programma wordt in herinneringen aan die periode vaak verbonden met de brede naoorlogse radiocultuur. Het gedicht wordt doorgaans in verband gebracht met De Clers werk voor dit radioprogramma. Mogelijk werd "De ridder" daar voor het eerst voorgedragen, misschien op 28 mei 1950, waarschijnlijk in een muzikale en komische context waarin ook medewerkers als Guus Jansen een rol speelden. Het vers — een parodie op middeleeuwse ridderballades — valt vooral op door het komische gebruik van geforceerd eindrijm, of kreupelrijm.

Hoewel dit soort gelegenheidspoëzie en radioteksten in de jaren vijftig niet altijd meteen via grote literaire uitgevers circuleerde, lijkt de tekst wel op verschillende manieren op papier te zijn doorgegeven. Het is aannemelijk dat populaire teksten en liedjes uit radioprogramma's in programmabladen, losse afdrukken of kleine bundeltjes voor luisteraars terechtkwamen. Door het opvallende taalspel leende het gedicht zich goed voor voordracht. Het kan mede daardoor in schoolse of kring zijn opgenomen in bundeltjes.

Een latere en beter controleerbare boekcontext is de bloemlezing "Ik wou dat ik twee hondjes was", die in 1982 door Vic van de Reijt werd samengesteld voor Uitgeverij Bert Bakker. De opname van "De ridder" in zo'n bloemlezing wijst erop dat het gedicht werd herkend als een voorbeeld van twintigste-eeuws Nederlands plezierdicht. Daarmee kreeg een tekst uit de sfeer van radio en voordracht alsnog een plaats in een bredere literaire en culturele herinnering. Door het hier weer te geven los ik niet alleen een tergend geheugenprobleem over een lang vervlogen herinnering op, maar breng ik het gedicht en zijn context toch weer wat meer onder de aandacht die het ongetwijfeld verdient door zijn speelse maar kundige poëtische originaliteit.

 

Jan de Cler (1915-2009)  De Ridder

Er was eens in vervlogen tijden
Een ridder, moedig als geen twijde.
Hij was zo krachtig als de beul
En woonde in een groot kasteul
Met 80 strijders, hele ruwe,
En zocht een vrouw, om mee te truwen.
Hij was verzot op steektoernooien
Van ’s morgens vroeg bij ’t hanekrooien
Tot ’s avonds laat toog hij ten strijde,
Hij had het land aan pais en vrijde.
Nu wilde het dat in die dagen
Veel ridders naar de bergen tagen,
Omdat daar volgens de berichten
Een maagd in ene kerker zichtte.
Die daar bewaakt werd door een draak.
De ridder riep; ‘Dan ga ik aak.
Wilt goed op mijn kasteel hier passen,
Want ik ga deze maagd verlassen.’
Dus bij het krieken van de morgen
Toog onze ridder naar de borgen
En plotseling stond hij voor de draak,
Maar dat bracht hem niet van de kaak.
Hij greep zijn zwaard, wou ’t ondier doden
Maar plotseling kreeg hij medeloden.
De draak was hierdoor zeer ontroerd,
Nam met verstikte stem het woerd
En sprak met tranen in zijn baard:
‘Doe maar een wens, hij wordt verhaard.’
De ridder sprak daarop verheugd:
‘Ik wens de vrijheid van de meugd,
Die gij hier opgesloten houdt.’
De draak zei: ‘Goed, maar luister goud,
Maak eerst een vers op jullie samen.’

Hij kreeg haar nooit, hij kon niet ramen!

Stuur door

De onbekende Bach

De onbekende Bach.

Ik ben een melomaan, en wel sinds mijn prilste kinderjaren. Muziek is een onmisbaar element in mijn leven. Al vroeg heb ik Bach leren kennen, eerst zijn Mattheuspassion, later al het andere werk. Ik preciseer dat het om Johan Sebastian gaat, 1685-1750; de reden daarvoor is dat ik onlangs nader kennis heb gemaakt met een van diens zonen, Carl Philipp Emanuel (1714-1788), en dat ging zo.

Ik luister nu naar muziek in de woonkamer op een ‘oude’ maar hoogwaardige stereo-set die ik in leen kreeg van mijn jongste zoon. Die koppelden we aan een nieuwe digitale streamer, de verbazende WiiM Ultra, en het resultaat is verbluffend. Als test liet ik Roon, het softwareplatform dat mijn muziekaanbod van Qobuz aanstuurt, de cd’s die ik ondergebracht heb in een afspeellijst in willekeurige volgorde afspelen. Een van de eerste cd’s was muziek van die CPE Bach, zoals die meestal genoemd wordt, en meteen werd mijn aandacht getrokken door de uitzonderlijke muzikale kwaliteit van die muziek, een pianosonate. Na die eerste cd bleef Roon muziek van CPE Bach spelen, de hele dag, en nu al enkele dagen lang, zonder een ogenblik te vervelen, of om afwisseling te vragen. Ik las er Wikipedia op na, en leerde de componist beter kennen. En dat was wel nodig! Ik had vroeger wel al eens werken van hem gehoord, maar er nooit veel aandacht aan geschonken. Mijn idee was dat het om een epigoon ging van de ultieme grootmeester, vader Johan Sebastian, die volgens Beethoven niet Bach (beek) zou moeten heten, maar Meer (zee). Na zijn dood werd CPE vergeten, zeker door het grote publiek, hoewel hij tijdens zijn leven de belangrijkste musicus van zijn tijd was, overigens net zoals zijn vader JS. Andere componisten wisten wel beter, en gingen bij hem, zijn geschriften en zijn muziek in de leer, en bouwden voort op wat hij had verwezenlijkt.

Zijn muziek is Bach zoals we die kennen van zijn vader, maar net iets anders. Ik weet niet welke adjectieven moet gebruiken om dat verschil aan te geven, maar je hoort meteen dat het Bach is, en ook dat het niet JS is. Het is fascinerend helemaal anders en toch weer niet. Het is klassiek, maar het klinkt uiterst modern, en uiterst idiomatisch, helemaal eigen en zichzelf. Het is geen Haydn, geen Mozart, geen Beethoven, geen Schubert en geen Brahms, maar je begrijpt plotseling wel beter waar die componisten de mosterd gehaald hebben. Het is een heel bijzondere ervaring.

Er komt blijkbaar geen einde aan het aanbod. Het was dus niet één cd, ook niet een dubbel-cd. Bij nader toezien gaat het om het complete verzamelde werk van CPE Bach, op 54 cd’s. Dat is het voordeel van streaming: je koopt geen cd’s, maar neemt een abonnement van amper € 14 per maand, en daarmee krijg je toegang tot ongeveer tien miljoen ‘albums’, dat wil zeggen cd’s of reeksen van cd’s, zoals deze 54 van CPE Bach. Daarbinnen kan je dan je eigen ‘bibliotheek’ opbouwen, of het programma zelf laten kiezen, willekeurig of volgens jouw smaak en eerdere keuzes.

Het was dus louter toevallig dat ik bij CPE Bach terechtkwam, maar ik beschouw het als een van mijn meest ingrijpende muzikale ervaringen van de laatste tien jaar. Ongetwijfeld zal ik me nog meer in zijn werk verdiepen en naar zijn muziek blijven luisteren, ook in andere uitvoeringen, bijvoorbeeld op clavichord, het instrument dat hij zelf verkoos, een intiem klinkende voorloper van de moderne piano. Het aanbod is ruim, er zijn ten minste 500 cd’s beschikbaar. Een absolute aanrader!

Stuur door

Het abortus-debat: de rechten van het ongeboren leven

Recht op leven

Wanneer het abortusdebat weer eens oplaait, zie je altijd dat ene tegenargument opduiken, namelijk het recht op leven van het ongeboren kind. Het is een moeilijke discussie, ook juridisch, want een foetus is geen persoon, geen rechtssubject. Pas bij de geboorte, wanneer de foetus de moederschoot verlaten heeft, spreken we van een kind, een mens. Maar het is onmiskenbaar zo dat men een kind niet los kan zien van de conceptie en de ontwikkeling gedurende de zwangerschap. Het kind ontstaat bij de bevruchting en groeit spectaculair naar levensvatbaarheid toe. De geboorte is in die zin slechts een moment in een ontwikkeling van een levend wezen. Een foetus is geen onderdeel van de moeder, zoals haar longen of haar baarmoeder. Toch voelt men aan dat de reële belangen en de fundamentele rechten van de moeder, zoals haar zelfbeschikkingsrecht, een beperking kunnen betekenen voor de bescherming die een foetus impliciet en expliciet, dus ook juridisch geniet. Dat blijkt uit e abortuswetgeving, die zwangerschapsonderbreking toelaat, maar onder voorwaarden, en niet na het verstrijken van een eerste periode. Vanaf een bepaalde — maar sterk variërende — ‘leeftijd’ van de foetus, is die ook beschermd tegen niet-therapeutische zwangerschapsonderbreking op verzoek van de moeder.

In feite is dat absurd. Waar men ook die grens trekt, het is altijd een arbitraire beslissing. Meestal erkent men 24 weken als de grens voor levensvatbaarheid, maar dat is geen absolute zekerheid, slechts een statistische benadering. Op 24 weken is er slechts 50% kans op overleven. Meestal legt men de grens voor abortus om niet-medische redenen veel eerder, op 12, 14 of 18 weken. Dat wijst erop dat men twijfelt over de status en de rechten van het ongeboren leven: in een eerste periode is de bescherming minimaal of zelfs onbestaande (de morning-afterpil, een spontaan miskraam) , dan louter afhankelijk van de beslissing van de moeder, dan absoluut, terwijl het altijd over eenzelfde levend wezen gaat. Vandaar dat veel mensen absoluut tegen ‘vrijwillige’ abortus zijn, en dat is ook mijn aanvoelen.

Er moet dus iets anders zijn dat mensen, inzonderheid moeders, ertoe brengt om toch tot zwangerschapsonderbreking over te gaan. Veelal is dat omdat de foetus op een of andere manier als een bedreiging aangevoeld wordt. Dat is een realiteit waar men niet om heen kan. Vruchtafdrijving is van alle tijden. In Vlaanderen gebeuren er jaarlijks ongeveer achtduizend (geregistreerde) abortussen, tegenover meer dan zestigduizend geboortes. Vroeger waren alle abortussen illegaal, maar ter bescherming van alle betrokkenen heeft men in België vanaf 1990 abortus onder bepaalde voorwaarden gedeeltelijk gedepenaliseerd. Dat is blijkbaar het opzet van de wetgeving: een feitelijke toestand, namelijk het (laten) uitvoeren van abortussen uit de illegaliteit halen zodat ze ook hier ongestraft onder de beste medische voorwaarden kunnen gebeuren. Er wordt geen uitspraak gedaan over het recht op leven van het ongeboren leven, en dat kan ook niet: als men dat absoluut stelt, kan abortus niet; als men dat absoluut ontkent, kan abortus ook tot vlak voor de geboorte. Over de grond van de zaak, namelijk het ontstaan van het menselijk leven bij de voortplanting, is het vrijwel onmogelijk om op grond van deugdelijke argumenten tot sluitende conclusies te komen die voor (bijna) iedereen aanvaardbaar zijn. Dus beperkt men zich tot het vastleggen van praktische wetten in het parlement bij meerderheid van stemmen — in principe zijn de parlementsleden in deze materies niet gebonden door de partijtucht, maar dat is alleen in principe zo, en niet in de praktijk —, meestal na politieke akkoorden bij de regeringsvorming.

Een argument dat in deze discussie vaak naar voren gebracht wordt, is dat van de rechten van de ouders met betrekking tot hun kinderen. Dat is zeker het geval bij abortus, waar de ouders —en uiteindelijk de moeder — beslist over leven en dood van een (potentieel) kind. Men verwijst dan naar de (bewuste of de facto) beslissing van die ouders om een kind te verwekken. Zoals gezegd, is de discussie daaromtrent eindeloos en zonder uitkomst. Wanneer het over levende wezens gaat, inzonderheid mensen, heeft iedereen wel een (al dan niet eigen, en al dan niet verdedigbare) mening, maar algehele eensgezindheid is er niet, en dat is ook niet te verwachten. Oorlog, armoede, verdeling van de rijkdom, sociale zekerheid, abortus, euthanasie, seksualiteit, moord, de doodstraf &c. geven al altijd en nog steeds aanleiding tot verhitte discussies, zowel politiek, wetenschappelijk als onder individuen.

Op de rechten van de ouders over hun kinderen wil ik nog even wat dieper ingaan. Historisch gezien is daar een enorme evolutie merkbaar, namelijk van quasi absoluut beschikkingsrecht van de ouders, inzonderheid de vader, naar een in de leeftijd van het kind steeds verder dalend recht van het kind. Dat merken we in het abortusdebat, waar men zelfs het recht op leven van het amper verwekte leven absoluut verdedigt. Ook de leeftijd van seksuele instemming is aanzienlijk verlaagd, evenals de leeftijd van de stemgerechtigdheid. Maar ook over dat recht van de ouders is er geen overeenstemming. Zo verdedigt men bijvoorbeeld het recht van de ouders om pasgeboren kinderen te doen besnijden. In de praktijk beslissen ouders vanaf de geboorte vanzelfsprekend de facto noodzakelijkerwijs over vrijwel alles, en de kinderen niets, maar verschuift dat in omgekeerde richting naarmate de kinderen opgroeien. Toch zijn er ook daar enorme individuele en collectieve verschillen. Sommige ouders blijven bazig, andere erkennen (vaak noodgedwongen) de groeiende zelfstandigheid van hun opgroeiende kinderen. Uit mijn eigen pijnlijke ervaring als kind wil ik ervoor pleiten om als ouder (en opvoeder in het algemeen) steeds slechts zo veel als noodzakelijk en zo weinig mogelijk de vrijheid van kinderen te beperken. Zeker, de ouders moeten keuzes maken voor hun kinderen, maar overleg daarover met hen van zodra dat mogelijk is, en ook met anderen, is niet alleen aangewezen, maar absoluut vereist. In die zin is iets als besnijdenis van pasgeborenen —en à la rigueur later! —uit den boze. Dat geldt ook voor het opleggen van religieuze en cultuurgebonden verplichtingen die de kinderen in een bepaalde ideologische richting sturen. In dat opzicht hebben ouders mijns inziens géén verdedigbare rechten, en is elk machtsmisbruik ter zake ten zeerste laakbaar. Men onderschat de eigen gefundeerde mening van kinderen op dat vlak meestal heel erg. Zo heb ik me vanaf mijn prilste jeugd altijd verzet tegen een alomtegenwoordige katholieke christelijke opvoeding en opname in een van de zuilen; desondanks heeft de hardvochtige gewelddadige indoctrinatie me zodanig misvormd dat ik daarvan nog elke dag de gevolgen draag.

Wanneer men ertoe overgaat om nieuw leven te verwekken, moet men ervan uitgaan dat het om een uniek zelfstandig individu gaat. Dat dat individu aanvankelijk volledig van jou afhankelijk is, en zelfs dat je het onvoorwaardelijk liefhebt, verandert daaraan niets wezenlijks. Elke mens is vrij geboren en moet in en tot vrijheid kunnen opgroeien. Als ouders, en als maatschappij, kunnen wij geen aanspraak maken op rechten tegenover kinderen, onze kinderen of die van anderen, ook al zijn ze tijdelijk van ons afhankelijk.

De verhoudingen tussen mensen onderling zijn complex en evolueren voortdurend: tempora mutantur, nos et mutamur in illis. In een democratische samenleving leggen we de grondregels daarvoor vast in wetten en besluiten. Dat ontslaat ons er niet van om ons ook voortdurend te bezinnen over de grondvragen van ons bestaan. Errando discimus, we leren uit onze fouten, of uit het besef dat iets beter kan. Berusten in de bestaande toestand, of die verdedigen met dogmatische argumenten, verhindert vooruitgang op de weg naar grotere volmaaktheid. Plus est en nous. Meliora sequamur.

Stuur door

Sekseverschillen?

Griet Vandermassen, Wie is er bang voor sekseverschillen?, Antwerpen: Houtekiet, 2026, 216 blz., pb.

Griet Vandermassen is al jaren vaste columniste voor de krant De Standaard. Dit boek is een selectie van herwerkte columns, maar zelfs voor wie haar volgde in de krant is het geheel veel meer dan de som der delen. Rond zes thema’s brengt ze een keur van scherpzinnige maar uiterst vlot geschreven korte opstellen: Seksualiteit en partnervoorkeuren; Interesses en prioriteiten; Agressie en seksuele competitie; Ideologie; Jongens en mannen; Buiten de lijntjes. Een proloog en een epiloog (over Trans tieners) ronden de bundel af. Er is ook nog een ruime literatuurlijst voor wie haar bronnen wil nalezen.

De charme van dit boek is ongetwijfeld de verfrissende, onbevangen, ongegeneerde manier waarop de auteur omgaat met onderwerpen waarop nog vele bewuste en vooral onbewuste taboes en vooroordelen rusten. Alleen al door ze met grote vanzelfsprekendheid ter sprake te brengen, levert ze een belangrijke bijdrage aan het debat, aan de verruiming van de gemoederen en aan de volksontwikkeling in het algemeen. De leesbaarheid stijgt nog door de opeenvolging van de korte opstellen. Een lang essay zou de lezers allicht sneller vermoeien. Nu kan je je beperken tot één artikel, of enkele na elkaar, of zelfs het hele boek in een ruk uitlezen, maar telkens wordt een onderwerp concies maar bevattelijk uiteengezet en tot een zinvolle, redelijke en overtuigende conclusie gebracht. Ook als je het daarmee niet (helemaal) eens bent, zal je telkens moeten toegeven dat de ideeën van de auteur intrinsiek belangrijk zijn en tot nadenken stemmen, ook al heb je er nog niet eerder over nagedacht. Haar grote eruditie en wijde belezenheid garanderen dat we hier veel meer aangeboden krijgen dan het gewone krantenvoer: efemere en arbitraire journalistiek en gelegenheidscommentaren bij de actualiteit. Keer op keer brengt de auteur, germaniste en doctor in de wijsbegeerte, ons op het spoor van de onderliggende problematieken en de niet altijd voor de hand liggende oplossingen of alternatieve benaderingen van de complexe omgang van mensen met hun seksuele eigenheid en die van anderen. Als ‘man’ heb ik genoten van de ‘vrouwelijke’ inzichten van de auteur. Dat ook personen met een andere geaardheid/sekse/gender die ervaring zullen delen, daaraan twijfel ik geen ogenblik. Een echte aanrader voor het ruimst mogelijke publiek.

 

Stuur door

Godsdienst zonder God?

Koert van der Velde, Dan maak je maar zin. Pleidooi voor religie zonder geloof, Zutphen: Walburg Pers, 2026, 268 blz., pb.

Dit heel persoonlijke boek is enerzijds een eerlijke bekentenis van het ongeloof van de auteur, en een realistische analyse van het ongeloof van vele mensen heden ten dage, en anderzijds een misplaatste poging om godsdienst/religie en zelfs God te redden. De auteur meent dat als men godsdienstige beleving afwijst omdat men niet meer in God gelooft, men het kind met het badwater weggooit. Om bij zijn beeldspraak te blijven: hij heeft het kind, namelijk God weggegooid, en houdt alleen het vieze badwater over. Hij is ervan overtuigd dat de vele rituelen die mensen verzonnen hebben op zich zinvol zijn, en dat de beleving ervan kan leiden tot religieuze gevoelens. Maar daar wringt het schoentje, want wat zijn precies religieuze gevoelens? We krijgen daarop geen eerlijk antwoord. Even onduidelijk is wat de auteur bedoelt men ‘transcendent/ie’. Soms is dat wat onze kennis te boven gaat, wat we dus onmogelijk kunnen kennen. Soms ook datgene wat volkomen anders is en dus onze kennis te boven gaat, maar niettemin bestaat, en zich aan ons openbaart. Die tweespalt is het gevolg van de agnostische ingesteldheid van de auteur: veeleer dan ronduit te stellen dat God niet bestaat, beperkt hij zich ertoe te bekennen dat hij niet in diens bestaan gelooft, maar niet kan uitsluiten dat hij bestaat. Dat verleidt hem ertoe voortdurend ‘sporen’ te zien van het transcendente, wat hoe dan ook absurd is.

Al die onduidelijkheden brengen je voortdurend op je ongemak. Religie zonder geloof is niet zomaar een paradox, het is een oxymoron. Aan religie doen zonder God of godsdienst is een ondoenlijke zaak, zo blijkt uit de vele materiële en gedachte-experimenten en waaraan de auteur zich waagt.

Een essentieel aspect van alle godsdienst/religie waarvoor de auteur grotendeels Oost-Indisch blind blijft is het inherente wereldse aspect ervan. Godsdiensten en religieuze ervaringen bestaan niet in het luchtledige, men moet steeds de vraag stellen cui bono? In essentie zijn het steeds overlevingsstrategieën, niet voor de gelovigen, maar voor de parasiterende geloofsverkondigers, dat wist men al in de oudheid, lees eens Alexander of de leugenprofeet van Lucianus van Samosata (2de eeuw). De auteur ziet daarin geen graten, hij spoort ons zelfs aan om hetzelfde te doen: heeft het allemaal geen zin? Dan maak je maar zin. Daarbij zal dit boek je evenwel niet helpen: het is in zijn opzet en argumentering ten gronde onzinnige ongein.

 

Stuur door

Transcendent en immanent

We moeten het eens hebben over een essentieel begrippenkoppel, namelijk transcendent en immanent. Over het onderscheid tussen die twee zijn dikke theologische en filosofische boeken geschreven; men zou zelfs kunnen stellen dat alle theologie en filosofie over dat onderscheid gaat. Laten we eens kijken of we het zinvol kunnen duiden.

Met immanent bedoelen we dat er slechts één werkelijkheid is. Alles wat we een zijnswaarde toekennen, behoort tot één en dezelfde structuur. Er is dus niets dat daarbuiten valt, er is niets dat op een andere manier ‘is’. Men noemt dat monisme, van monos, het Griekse woord voor enig, alleen. Wie aanneemt dat er twee zijnswijzen zijn, is dan een dualist en stelt dat er dingen zijn die het eerste zijnsniveau overschrijden of transcenderen.

Het monisme is natuurlijk de eenvoudigste structuur. Alles wat is, behoort tot hetzelfde domein en kan dus ook volledig vanuit die structuur verklaard worden. Men kan nooit een beroep doen op een totaal andere structuur of op totaal andere wezens om die eerste structuur te verklaren. Dat is precies wat er gebeurt in het dualisme: de hogere structuur, het transcendente is de wezensgrond en de verklaring van al het andere en verschilt daarvan fundamenteel. Het transcendente heeft te maken met het goddelijke, met God zelf.

Wie vasthoudt aan een eenheidsstructuur van het zijn, aan het immanente, heeft geen behoefte aan een bovennatuurlijke God die de verklaring is van alles. Voor de monist is denken aan een totaal andere vorm van zijn een contradictio in terminis: zijn is een absolute categorie, je bent of je bent niet, iets is of het is niet, er zijn geen alternatieven. Zijn is zijn. Er zijn ongetwijfeld eindeloos veel manieren van zijn, maar ze hebben allemaal ten minste één gemeenschappelijk kenmerk, namelijk dat ze behoren tot hetzelfde universum. Dat wil in de praktijk zeggen dat ze in principe voor de mens kenbaar zijn, dat ze tot onze leefwereld behoren. En dat op zijn beurt veronderstelt op zijn minst een band met het materiële.

Het zou echter fundamentele een vergissing zijn wanneer men daaruit zou besluiten dat alleen het materiële bestaat. Dat het materiële bestaat, is voor ons een evidentie. Die materie heeft echter bijzondere vormen aangenomen, die wij levende wezens noemen, en die materiële wezens hebben in en met hun lichaam vermogens ontwikkeld waarmee zij actief kunnen ingrijpen in hun omgeving. Zij geven zin en betekenis aan de materiële dingen en aan de andere levende wezens. Zij denken. Dat is een activiteit van materiële wezens, die men ook objectief kan waarnemen, bijvoorbeeld met gesofisticeerde meetapparatuur, in de hersenen. Men kan zo echter (voorlopig?) hoofdzakelijk vaststellen dat er een dergelijke activiteit is; de inhoud en de betekenis van die activiteit op die manier doorgronden is enkel mogelijk voor primaire gedachten, niet voor meer complexe ideeën of conversaties. Dat kan alleen in een echte communicatie tussen personen, vooral door de taal. Er is dus een aspect van de werkelijkheid dat gebaseerd is op de materie, maar die zelf niet materieel is, namelijk de inhoud van onze denkactiviteit, de betekenis die wij aan de dingen en de gebeurtenissen geven.

Het is dus geenszins zo dat de werkelijkheid zich beperkt tot het zintuiglijk waarneembare. Niets is meer reëel dan ons denken en voelen, niet alleen als een activiteit van ons lichaam, maar vooral als zingeving van ons bestaan. Die mentale dimensie van onze lichamelijke denkactiviteit behoort echter uitsluitend en volledig tot de wereld waarin we leven; zij is ontstaan uit de evolutionaire aanpassing van levende wezens aan hun omgeving, zonder enige inmenging vanuit een bovennatuurlijke dimensie. De mens is niet meer dan een dier met uitzonderlijk verfijnde mentale mogelijkheden die we in andere gradaties ook aantreffen bij andere levende wezens.

Dat is een eerste probleem in de discussie over het onderscheid tussen immanent en transcendent. Dualisten hebben de neiging om onze mentale vermogens los te maken van de materie. Ze spreken van een geest, een ziel, een verstand enzovoort en ze bedoelen daarmee iets dat in wezen niet materieel is, dat de materie overstijgt, dat dus behoort tot de transcendente wereld waar ook God zich bevindt. De ziel bestaat voor hen werkelijk, los van de materie. Ze is dan ook onsterfelijk, onzichtbaar, niet tastbaar enzovoort. Ze kan bestaan los van het lichaam waarin ze huist tijdens het leven. Ze heeft daardoor iets goddelijks.

Monisten zijn het daarmee absoluut niet eens. Voor hen zijn onze mentale vermogens onlosmakelijk verbonden met ons lichaam. Als dat lichaam sterft, is het ook gedaan met die bijzondere vermogens, net zoals een tijdelijke of permanente beschadiging of defect van de hersenen onmiskenbare gevolgen heeft voor onze mentale vermogens, ons denken en voelen.

Voor alle duidelijkheid: ik ben natuurlijk een aanhanger van het monisme. Als we daarvan vertrekken, al was het maar als een veronderstelling, dan is het dualisme weliswaar een fundamentele vergissing, maar anderzijds toch een verschijnsel waarvoor we een verklaring moeten geven: waarom denkt men zo? Waarom hebben zoveel mensen zo lang zo gedacht? Waarom denken nog steeds miljarden mensen zo? Wat is het mechanisme dat mensen zo doet denken? Wat is de functie van het dualisme en van het vooropstellen van het transcendente, van God?

Voor een rechtgeaarde monist is er geen sprake van transcendentie of God. Er moet dus een reden zijn waarom sommige mensen toch zo denken. Die reden kan, nog steeds vanuit onze immanente redenering, niet zijn dat er een andere dimensie is, zoals de dualisten beweren. Als er met andere woorden geen God is, waarom hebben de mensen die dan uitgevonden?

Gelovigen beweren dat op die manier de werkelijkheid het best kan verklaard worden en dat op die basis de mens het best kan leven en samenleven. Meer nog: wie niet in God gelooft, kan onmogelijk de hele werkelijkheid verklaren en kan ook niet leven zoals het hoort. Maar hoe weten ze dat? Omdat sommige mensen dat zeggen. En hoe weten zij het? Omdat God het hun, naar hun eigen zeggen, rechtstreeks heeft geopenbaard. Gods bestaan en alles wat daaruit volgt is dus, volgens de monistische en immanente redenering, een verzinsel van mensen. Het kan dan een welmenende waanidee zijn, een loutere vergissing, of een boosaardige list, waarmee men mensen om de tuin leidt, met een verborgen agenda. Als het gewoon een vergissing is, dan kan men dat ook inzien, gewoon door het gezond verstand te gebruiken. Als het een list is, die men met alle middelen probeert in stand te houden, vooral indoctrinatie en intimidatie, is het veel moeilijker om die list en die arglistige mensen en structuren te ontmaskeren, zeker voor eenvoudige mensen.

Wat kan de reden zijn van een dergelijke grootschalige manipulatie? Laten we even stellen dat die misleiding gebeurt met de beste bedoelingen, namelijk om de wereld zo leefbaar mogelijk maken voor iedereen. Maar dan moeten we aannemen dat de mensen die ons dat voorhouden ons enerzijds iets voorliegen over de grond van de zaak, namelijk het bestaan van een transcendente structuur en van God, maar anderzijds toch het beste met ons voorhebben. Bovendien moeten we ook aannemen dat zij gelijk hebben met dat te doen en dat uitgerekend en alleen zij ook nog weten wat het beste is voor ons allen en voor het hele universum. Dat wordt moeilijk, natuurlijk. Het volstaat te kijken naar wat zij ervan terecht gebracht hebben om in te zien dat er meer dan één haar in de boter is.

De wereld die door de godsdiensten beheerst wordt, is verre van volmaakt, ondanks alle beloften. De godsdienstige mens is niet beter dan de ongodsdienstige, en ook niet gelukkiger. Godsdienst is veeleer een splijtzwam en een reden tot haat en oorlog dan een oorzaak van vrede en welvaart. De enigen die echt baat hebben bij de godsdienst, zijn de bedienaars en sommige aanhangers van de eredienst.

De transcendente structuur die de dualisten hebben uitgedacht, is een middel om hun macht te legitimeren. In plaats van te spreken uit eigen naam, beroepen zij zich op God, het Almachtig Opperwezen. Veel beter kan men niet doen. Door een maatschappelijke structuur uit te bouwen die volledig berust op het principe van de Almachtige, Alwetende God, onderwerpen zij iedereen, niet aan die overigens onbestaande God, maar aan zichzelf, de bevoorrechte dienaars van God en de enigen die zijn boodschap kunnen verkondigen en verklaren. Toon mij een arme priester en ik zal geloven.

Wanneer filosofen spreken over het transcendente, gaat het met andere woorden niet over een puur filosofische veronderstelling met betrekking tot de structuur van het zijn, maar over een maatschappelijk fenomeen waarbij sommige mensen anderen misleiden met vergezochte waanideeën, met uiteindelijk als enige bedoeling het verwerven en behouden van macht, aanzien en bezit in de maatschappij.

Men kan mij natuurlijk verwijten dat ik uitga van een veronderstelling, namelijk dat het monisme waar is, en het dualisme bijgevolg onwaar. Hetzelfde kan echter gezegd worden van het dualisme, dat de transcendentie en het bestaan van God vooropstelt. Bovendien meen ik dat, louter filosofisch gezien, het monisme meer waarschijnlijk moet geacht worden dan het gelovig dualisme, dat immers steeds afhangt van een andere inbreng dan de filosofie zelf, namelijk het gratuite, arbitraire aannemen of geloven dat een dergelijke bovennatuurlijke structuur werkelijk bestaat en dat ze zich aan de mens openbaart.

 

Stuur door

Tolerantie, ofte verdraagzaamheid

Tolerantie, ofte verdraagzaamheid.

Een onvermijdelijk gevolg van pacifisme, ofte vreedzaamheid, is tolerantie, ofte verdraagzaamheid. Als we afzien van het gebruik van geweld, kunnen we immers niet anders dan aanvaarden dat anderen anders zijn, omdat we dat niet kunnen verhinderen met geweld. Er zijn allicht andere middelen dan fysiek geweld, of het dreigen daarmee, om iemand tot andere gedachten te brengen, maar niet zelden is er toch sprake van een of andere vorm van geweld, zoals bij propaganda of sterker nog, indoctrinatie. Maar zelfs het loutere weigeren om verdraagzaam te zijn, kan al een vorm van geweld zijn. Het is mijn stellige indruk dat onze huidige tijd gekenmerkt wordt door een toename van de intolerantie, en bijgevolg van geweld in vele vormen. Heden ten dage is zowat alles polemisch. Men neemt geen vrede met het vaststellen dat men van mening verschilt, noch met het objectief, niet-agressief verwoorden en duiden van die meningsverschillen, nee, elke woordenwisseling of monoloog moet polemisch zijn om goed te zijn. Meer nog, men moet consequent de daad bij het woord voegen, wil men geloofwaardig zijn.

Ik neem het voorbeeld van de Israëlische dirigent Lahav Shani (°1989). Ondanks zijn uitstekende staat van dienst, die door niemand in twijfel getrokken wordt, werd hij (samen met de Münchner Philharmoniker) geweerd voor het Festival van Vlaanderen, en ook een gepland optreden in Bozar wordt nu gecontesteerd: drie bestuursleden nemen ontslag, de partij Groen eist dat het concert geschrapt wordt, en de afdeling cultuur van de socialistische vakbond ACOD uit scherpe kritiek. Dat gaat allemaal duidelijk veel verder dan het laten blijken van ongenoegen, of het verwoorden van een mening: het komt neer op een beroepsverbod, niet alleen voor de dirigent zelf, maar ook voor het orkest waarvan hij chef-dirigent is, als opvolger van een indrukwekkende lijst topdirigenten zoals Kempe, Celibidache, Levine, Thielemann, Maazel, en Gergiev (met wie de samenwerking in 2022 verbroken werd wegens zijn nauwe banden met Poetin). Shani, die ook chef-dirigent is van het Israëlisch Filharmonisch Orkest, wordt verweten dat hij zich niet duidelijk genoeg zou distantiëren van het optreden van Israël in Gaza, wat hijzelf betwist, terecht verwijzend naar zijn expliciete uitspraken ter zake.

Het is dus blijkbaar voldoende dat bepaalde personen de indruk hebben dat men hun radicale opvattingen over de politieke situatie in Israël en ‘Palestina’ (nog steeds niet erkend door België) niet deelt, om te eisen dat iemand persona non grata wordt, ook voor zaken die niets met de situatie te maken hebben, zoals een concert van klassieke muziek. Men stelt zich niet tevreden met het uiten van een mening, men eist dat die eenzijdig gecontesteerde zaken niet doorgaan, wat anderen daarover ook mogen denken. Het gaat er dus niet om anderen te overtuigen, maar om de eigen mening door te drukken. Men wil met andere woorden verhinderen dat iets gebeurt, veeleer dan een gesprek daarover op gang te brengen.

Dat is ondemocratisch. In een rechtsstaat mag alles gebeuren wat niet verboden is. De vrijheid van meningsuiting laat toe dat men protesteert, zolang dat protest zelf niet strijdig is met de wet en de openbare orde. Men mag vanzelfsprekend ook ontslag nemen uit protest, maar dat wijst op een intolerante houding, omdat men weigert het gesprek aan te gaan en zich neer te leggen bij de beslissing van de meerderheid. Eisen dat een concert geschrapt wordt gaat te ver, meen ik: een politieke partij is geen betrokken partij in de discussie over het al dan niet plaatsvinden van een concert, haar belangen worden daardoor niet geschaad.

In deze en andere zaken gaat het me om het democratische overleg tussen mensen die over talloze zaken grondig van mening kunnen verschillen, maar toch tot compromissen bereid zijn. Als men het nooit eens raakt, als men zich nooit neerlegt bij wat de meerderheid beslist, kan er vanzelfsprekend niets meer gebeuren: er zal altijd wel iemand zijn die niet akkoord gaat. En dat is wat we zo vaak zien: één persoon, of een groep, of een instantie… verzet zich tegen iets, en daardoor wordt de hele zaak geblokkeerd. Overigens beweer ik niet dat de meerderheid altijd gelijk heeft, een meerderheid kan zich evengoed vergissen als een minderheid, of één persoon. Ik bedoel enkel dat bij betwisting een democratische meerderheid beslist, of ze nu gelijk heeft of niet. Dat is ook wat ik versta onder tolerantie ofte verdraagzaamheid, namelijk dat men onder alle omstandigheden de vrijheid van mening en meningsuiting respecteert, en dat men tevens eenieders vrijheid van handelen aanvaardt, zolang dat niet strijdig is met de wet of het algemeen belang. Wie dat niet doet, maakt zich schuldig aan machtswellust.

Concreet volgt daaruit dat men zijn ongenoegen kan uiten over het optreden van een dirigent, om welke reden dan ook, en op welke manier ook, maar dat wanneer een meerderheid zich daar niet tegen verzet, men niet mag verhinderen dat het optreden plaatsvindt, en dat zelfs niet mag wensen.

Meer algemeen is het meer dan wenselijk dat men afziet van blokkeren, beroepsverboden, ernstige verstoringen van de openbare orde, het banaliseren van uitdrukkingen als ‘onaanvaardbaar’, ‘onverenigbaar’, ‘genocide’, ‘misdaden tegen de mens(elijk)heid’ en dies meer. Aan de andere kant is het nodig dat we onze stem — beschaafd — blijven verheffen telkens wanneer wij ervan overtuigd zijn dat het algemeen belang in het gedrang komt, en zelfs wanneer wij menen dat anderen ongelijk hebben in een kwestie van enig belang. Uit die vreedzame confrontatie van mensen en ideeën komt waarheid en waarde voort, niet uit het opleggen of afdwingen van eenzijdige opvattingen.

Dat betekent ook dat de ideale wereld, waarin iedereen het met iedereen over alles eens is, niet voor morgen is, en waarschijnlijk ook niet voor later. We zullen dus moeten leven met meningsverschillen en met minder dan ideale situaties, zowel in onze eigen directe omgeving als op wereldvlak. Het blijft evenwel mijn heilige overtuiging dat we vooruitgang maken, globaal gezien, en dat steeds meer mensen het steeds beter hebben. Dat maakt de uitzonderingen helaas des te schrijnender.

Stuur door

Een ware Jood?

Natanaël: een ware Jood in wie geen bedrog is?

Veel van onze gevleugelde woorden komen rechtstreeks uit de Bijbel. Dat is nauwelijks verwonderlijk als we bedenken hoe die Bijbel het leven van talloze mensen blijvend getekend heeft. Eeuwenlang waren de Bijbelse verhalen, de Gewijde geschiedenis de enige literatuur die ze tijdens hun leven te horen kregen.

Een van de gezegdes is: ecce vere Israelita, in quo dolus non est. Dat wordt weleens gezegd om iemand te prijzen om diens eerlijkheid, oprechtheid, de afwezigheid van elke kwade bedoeling of arglist. Niet zelden gebeurt dat in een overlijdensbericht, een in memoriam, in obituaria en grafredes: de mortuis nil nisi bene, spreek over de doden geen kwaad.

Het citaat komt uit het Johannesevangelie 1:47. Dit is de context:

43Toen Jezus de volgende dag naar Galilea wilde vertrekken, trof Hij Filippus aan en zei tot hem: “Volg Mij.”  44Deze Filippus was van Betsaïda, de stad van Andreas en Petrus.  45Filippus ontmoette Natanaël en zei hem: “Degene over wie Mozes in de Wet geschreven heeft en ook de profeten, Hem hebben wij gevonden: Jezus, de zoon van Jozef, uit Nazareth.”  46Natanaël smaalde: “Uit Nazareth, kan daar iets goeds vandaan komen?” Waarop Filippus antwoordde: “Kom dan kijken.”  47Jezus zag Natanaël naar zich toekomen en zei, doelend op hem: “Dat is waarlijk een Israëliet in wie geen bedrog is!”  48Natanaël zei tot Hem: “Hoe kent Gij mij?” Jezus gaf hem ten antwoord: “Voordat Filippus u riep, zag Ik u onder de vijgenboom zitten.”  49Toen zei Natanaël tot Hem: “Rabbi, Gij zijt de Zoon Gods, Gij zijt de Koning van Israël.”  50Jezus antwoordde: “Omdat Ik u zei dat Ik u onder de vijgenboom zag, gelooft ge? Gij zult grotere dingen zien dan deze.”  51En Hij voegde er aan toe: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: gij zult de hemel open zien en de engelen Gods zien opstijgen en neerdalen in dienst van de Mensenzoon.”  

De ruimere context is de roeping van de apostelen. Het begint als een fait divers: Jezus komt een man tegen, Filippus genaamd, en zegt hem gewoon: volg mij. Blijkbaar deed Filippus dat, zoals de vorige geroepenen, en verbleef hij enige tijd in Jezus’ gezelschap, maar dat wordt hier niet vermeld; dat was voor hem nochtans voldoende om ervan overtuigd te raken dat Jezus een heel bijzondere persoon was, niemand minder dan de Messias, de Gezalfde, voorzegd door Mozes zelf in de Wet, en door de profeten. Want dat is wat Filippus vervolgens zegt aan Natanaël, kennelijk een vriend of dorpsgenoot die hij ontmoet. Die Natanaël is niet meteen overtuigd, en zegt smalend: Jezus van Nazareth is de Messias? Dat zal! Wat voor goeds kan er uit die uithoek van Galilea komen? Filippus overhaalt hem toch om Jezus te gaan opzoeken. En dan komt onze gevleugelde uitspraak van Jezus: Kijk, dat is waarlijk een man zonder kwaad opzet! Natanaël is verbaasd over die woorden: hoe kan Jezus dat weten zonder hem te kennen of iets over hem vernomen te hebben? Jezus antwoordt: je zat onder een vijgenboom toen Filippus jou aansprak. Natanaël is verbluft, en treedt Filippus bij in nog krachtiger bewoordingen: rabbi, meester, Zoon van God, koning van Israel. Jezus doet er nog een schepje bovenop: je bent onder de indruk van mijn kunsten? Je hebt nog niets gezien!

Het is best wel een vreemde perikoop, vind ik. Het begint al met de roeping van Filippus, die zonder aarzelen ingaat op Jezus simpel woord: volg me. Dat kan uit nieuwsgierigheid geweest zijn, maar meer komen we daarover hier niet te weten. Dan is er Jezus’ verrassende uitspraak bij het zien van de hem onbekende Natanaël: wat brengt hem ertoe die met woorden te prijzen die we nu nog gebruiken om iemands hoogste lof te zingen? Waarom noemt hij hem ‘Israëliet’? Dit is een hapax in de Evangelies, het woord komt nergens anders voor. Wat is, of was er verkeerd met Nazareth, de geboorteplaats van Jezus, behalve dat het een onooglijk gehucht was in Galilea, ver van Jeruzalem, en dat niet eens vermeld wordt in de Joodse Bijbel? Die en de vele andere vreemde elementen in dit einde van het eerste hoofdstuk van het Johannesevangelie hebben commentatoren van meet af aan verleid tot allerlei verklaringen en veronderstellingen.

Vooreerst is er verwarring ontstaan over het woordje ‘waarlijk’. In de originele Griekse tekst is dat alèthoos, in het Latijn vere, en dat zijn allebei bijwoorden. Al heel vroeg is dat in het Latijn het bijvoeglijk naamwoord of adjectief verus geworden, en dat verandert de betekenis aanzienlijk. Het wordt dan: ‘Ziedaar een ware Israëliet in wie geen bedrog is.’ Dat is ook de vorm waaronder de uitspraak in het Nederlands bekend is. De term ‘Israëliet’ betekent dan niet meer dan ‘Jood’, iemand zoals alle andere Joden toentertijd in die landstreken; er had evengoed kunnen staan: ‘mens’. Maar omdat Jezus hier uitzonderlijk die specifieke term gebruikt, is men gaan zoeken naar een bijzondere reden daarvoor. Natanaël zou dan geen persoon zijn die zich onderscheidt van sommige anderen doordat hij niet arglistig of bedrieglijk is, zoals mensen nu eenmaal soms wel zijn, maar veeleer doordat hij een Jood is, en Joden nooit bedriegers zijn: een ware Jood, komma, in wie geen bedrog is; in tegenstelling tot ‘een ware Jood in wie geen bedrog is’, zonder komma, waarbij er ook onder de Joden bedriegers zijn. Wanneer we vandaag over iemand zeggen dat hij een ware Jood is, in wie geen bedrog is, gebruiken we de eerste betekenis, die stelt dat Joden geen bedriegers zijn. Als we immers zouden veronderstellen dat er ook bedriegers zijn onder de Joden, kunnen we maar beter die term weglaten, en zeggen: dat is een waarachtige mens, in wie geen bedrog is.

Door het bijwoord ‘waarlijk’ te veranderen in het adjectief ‘waar, ware’, veranderen we niet alleen de oorspronkelijke betekenis, maar komen we serieus in de problemen bij het verklaren van de tekst: ofwel kan men ons verdenken van antisemitisme, omdat we van Natanaël zeggen dat hij —uitzonderlijk! — geen bedrieger was, terwijl Joden dat gewoonlijk wel zijn; ofwel van een onterecht filosemitisme, waarbij we zouden beweren dat ware Joden, of alle Joden zonder bedrog zijn, alsof iemand slechts een ‘ware Jood ‘ is als die zonder bedrog is.

De hele context wijst erop dat we hier niet te maken hebben met een historisch verslag over ware gebeurtenissen aan het begin van Jezus’ openbare leven, maar met een gebrekkig fictief verhaal over de roeping van enkele van de eerste volgelingen van Jezus van Nazareth, de traditionele Twaalf Apostelen. Filippus wordt in de synoptische Evangeliën slechts eenmaal vermeld, namelijk in de lijst van de twaalf; bij Johannes komt hij behalve in onze perikoop ook nog voor bij de broodvermenigvuldiging (Joh. 6:5-7), als boodschapper (12:20-22) en bij het Laatste Avondmaal (14:8-9), maar nooit met enige rol van betekenis. De eerste volgeling kennen we niet eens van naam, de tweede blijkt Andreas te zijn, en die spreekt zijn broer Simon aan, en die krijgt bij zijn eerste ontmoeting met Jezus al meteen te horen dat hij ‘de rots’ zal heten (Kefas, Petrus); bij Matteus (16:18) voegt hij eraan toe dat hij ‘op die rots zijn Kerk zal bouwen’. Dat is evident een latere toevoeging uit de tijd dat er al een Kerk was, en Petrus daarvan de (of een) leider was. Andreas speelt in het Evangelie evenmin enige rol van betekenis.

Al de magische elementen in deze perikoop lijken veeleer goedkope fabeltjes die Jezus’ bovennatuurlijke macht, zijn goddelijkheid en zijn statuut van Gezalfde (Messias, Christus) moeten bewijzen, en die uit latere tijden afkomstig zijn.

Laten we besluiten. Zoals wel vaker is het nog steeds gebruikte gevleugeld woord over de ware Israëliet in wie geen bedrog is, weliswaar afkomstig uit het Evangelie, maar is het tekstueel onnauwkeurig en tevens compleet uit zijn context gerukt. Bovendien is het in zijn context onderdeel van een verwarde, duidelijk twijfelachtige passage die enkel bij Johannes voorkomt, en helemaal geen uitspraak over de al dan niet betrouwbaarheid van Joden in het algemeen. Veeleer dan iemands bijbelvastheid, laat staan exegetische kennis te bewijzen, wijst het gebruik van deze uitdrukking vandaag veeleer op enige algemene culturele belezenheid, zonder overigens veel betekenisvols bij te dragen aan wat men met die uitdrukking over iemand zegt. Vandaag iemand anders dan een Jood een ware Israëliet noemen is op zich al riskant; elke verdere uitleg over bedrog is in die context om moeilijkheden vragen.

In een tijd van toenemende vermenging van culturen in onze samenleving zijn westerlingen weleens geneigd om zich te beroepen op hun eigenheid, en dan komt de joods-christelijke traditie onvermijdelijk ter sprake. Uit het bovenstaande blijkt dat we dat argument maar beter met enige voorzichtigheid en vooral met voldoende kennis van zaken hanteren.

 

Stuur door

Het heilige & het taboe, Herman De Dijn

Herman De Dijn, Het heilige & het taboe. De herontdekking van het rooms-katholicisme, Antwerpen: Otheo Books, 2026, 255 blz., hardcover, € 25,99.

Wat moet een atheïst als ik met een boek als dit? Vooreerst ken ik de auteur, Herman De Dijn, sinds onze studententijd aan de Leuvense universiteit, en werkten we nadien allebei ons hele actieve leven aan diezelfde universiteit, hij als hoogleraar, ik in de administratie en het beheer; bovendien hebben we allebei Spinoza bestudeerd en over hem gepubliceerd; en ten slotte zijn we sinds kort zelfs buren. Ook in onze andere publicaties hebben we ons voortdurend over dezelfde aangelegenheden uitgesproken. Maar daar houdt elke gelijkenis dan ook op. Herman is overtuigd en wervend katholiek, ik overtuigd atheïst. Ik ben het dan ook met niets van wat hij in dit boek beweert ook maar enigszins eens. Zoals hij zelf herhaaldelijk expliciet schrijft, zijn onze opvattingen fundamenteel onverzoenbaar. Dat vind ik doodjammer. Want over de allerdiepste grond van de zaak kan men het nooit oneens zijn: ‘waar het om gaat’ (het meest gebruikte cliché in het boek) is het geluk van de mensen in de samenleving.

De diepe, fundamentele, ja onverzoenbare verschillen gaan dus over de middelen. Voor De Dijn en het rooms-katholieke christendom bestaat er een bovennatuurlijke drie-ene God, naast nog andere bovennatuurlijke wezens (engelen, duivels, heiligen) en heilige zaken. Het is een complex en tot in de details door de eeuwen heen grondig uitgewerkt systeem, dat grote invloed heeft uitgeoefend in deze wereld, en dat op vele plaatsen nog doet. Zowel Herman als ikzelf zijn daarin opgevoed, maar ikzelf heb nooit geloofd. Herman wel, en hij is dat geloof trouw gebleven tot op zijn huidige gezegende hoge leeftijd. Dat respecteer ik vanzelfsprekend, maar dat verhindert niet dat ik meen dat hij zich ofwel volkomen vergist, ofwel bewust ad captandum vulgus spreekt en schrijft. Met dat laatste bedoel ik de vele filosofen, theologen, schrijvers en kunstenaars die zich als priester of leek tot het christelijk geloof bekend hebben en hun vaak indrukwekkende kennis en kunde ten dienste gesteld hebben van de Kerken, maar wier geloof niet altijd even ongetwijfeld of onbetwijfelbaar was als ze lieten uitschijnen; vaak was dat omdat hun aanzien, welstand en macht onlosmakelijk met hun trouw aan dat geloof en de Kerk verbonden was. Wiens brood men eet, diens woord men spreekt. Welk van beide alternatieven op Herman De Dijn van toepassing is, zullen we wellicht nooit weten, en het doet er ook niet echt toe, behalve voor hemzelf. Zijn vergissing is in beide gevallen dezelfde, hoewel ze erger zou zijn in het tweede geval.

Waarin bestaat nu onze onverenigbaarheid (veeleer dan onverzoenbaarheid, die wederzijdse verdraagzaamheid lijkt uit te sluiten)? De auteur heeft het voortdurend over niet-materiële aspecten van het bestaan, het ‘reëel-symbolische’, de ‘niet-natuurlijke door symbolen vorm gegeven realiteit’ (18). Daar scheiden onze wegen. Ik ben een naturalist, materialist, monist: voor mij is er slechts één werkelijkheid, en die is materieel. De mens benadert het universum met alle menselijke capaciteiten, en duidt het in complexe gedachten en vertolkt die in benaderende bewoordingen. Godsdiensten menen dat ze om de werkelijkheid te verklaren een beroep moeten doen op een zich openbarende bovennatuurlijke werkelijkheid, en op een wereldlijke hiërarchische organisatie om die geopenbaarde verklaring te verwoorden en andere mensen tot geloof in en eredienst aan het bovennatuurlijke te brengen. Ze menen dat het goddelijke rechtstreeks almachtig alomvattend ingrijpt in de wereld, al kennen ze de mens noodgedwongen maar schoorvoetend enige autonomie toe, zij het dan uitsluitend om het evident kwade te doen, en ook wat zij zelf daarnaast als het kwade bestempelen. Het christendom gelooft dat God mens is geworden in de historische persoon Jezus van Nazareth, die door zijn kruisdood de zondige mensheid met God verzoend heeft.

Ik heb dat toch wel erg onwaarschijnlijke en eindeloos verder uitgewerkte en aangedikte verhaal nooit kunnen geloven. Van kindsbeen af aan zag ik in dat het niet echt waar was, maar echt een verhaal, helemaal verzonnen door mensen. Herman De Dijn denkt daarover helemaal anders. Hij verdedigt uit alle macht die zich openbarende bovennatuurlijke werkelijkheid, en al de verbijsterende theologische en liturgische consequenties die de christelijke Kerken sinds hun ontstaan in de loop der eeuwen eraan verbonden hebben. Hij beweert bij hoog en bij laag dat de mensheid alleen daardoor kan gered worden, niet alleen met het oog op de wederopstanding na het laatste oordeel, maar ook van alle onheil in onze moderne wereld.

Wat Herman De Dijn hier debiteert, terwijl hij onverveerd Paulus’ gladius Fidei hanteert, is consequent conservatief, wat op zich geen schande is; maar het is veel meer dan dat, het is agressief aartsconservatief, op het rabiaat fundamentalistische af. Dat brengt hem ertoe om niet alleen al wat niet-godsdienstig is misprijzend af te wijzen en ongenadig te veroordelen, zonder ook maar één ogenblik blijk te geven enige kennis van, laat staan waardering voor eventuele valabele tegenargumenten, of om die bewust te verzwijgen, verblind door het eigen nochtans pijnlijk onwaarschijnlijke grote gelijk, maar ook om elke inhoudelijke of vormelijke evolutie binnen de Kerken, ook de katholieke als ketters af te doen. Met verdedigers als deze heeft de godsdienst en de Kerk voorwaar geen vijanden meer vandoen.

Onze auteur ziet zelfs hoopvolle tekenen voor een revival, zoals de ondertitel van zijn boek aangeeft, al geeft hij toe dat dat niet zozeer in West-Europa merkbaar is. Dat beweren zou ook heel moeilijk zijn: de secularisering is hier doorgedrongen tot in de kerkelijke ideologie en structuren zelf, en de ontkerkelijking is massaal en onomkeerbaar. Zijn stem is dan ook die van een eenzaam roepende in de woestijn, die compromisloos een compleet ongeloofwaardige — veeleer dan een ‘ongelooflijke’ — boodschap predikt, een kwalijk relict van een voorbije illusie zonder toekomst, getuigend van een hopeloos gefrustreerde aftandse geloofsovertuiging, die overigens nooit aanspraak kon maken op veel echte bijval, van een heilloos puritanisme, een fanatiek uitdagend traditionalisme, en een verwijtend nostalgisch pessimisme, dat bovendien schaamteloos en onvergeeflijk stekeblind blijkt voor de onvoorstelbare misdaden waaraan kerkelijken zich schuldig gemaakt hebben en blijven schuldig maken, en dat zich maar niet kan neerleggen bij het finale debacle van een onzalige, onder het mom van een godsdienstige heilsleer gewelddadig opgedrongen wereldse machtsideologie.

Veel van wat hier naar voren gebracht wordt, kwam al uitvoerig aan bod in eerdere publicaties van zijn hand. Verwacht dus niets nieuws, behalve een nog meer wereldvreemde en geradicaliseerde, ja uitdagende en soms zelfs scheldende taal, die het boek amper leesbaar maken voor zelfs deze welwillende lezer: ik beken dat ik me wegens de ergerlijke inhoud slechts met tegenzin door de hoofdstukken en de vele eindnoten heb geworsteld. Wat de auteur ook moge beweren, van filosofisch inzicht of methode is hier geen sprake, en al evenmin van theologie; vaak heeft het meer weg van een lezing voor zeldzame gelijkgestemde reactionaire Rome-getrouwen, of een homilie op een retraite van een ultraconservatieve sekte; niet zelden zijn het zure oprispingen bij de voor hem teleurstellende gebeurtenissen en ontwikkelingen in de wereld. Ik weet niet welk doelpubliek de mij overigens onbekende uitgeverij Otheo voor ogen had, maar ik kan me nauwelijks een groep of zelfs een individu voorstellen, binnen of buiten de Kerk, dat onverdeeld gelukkig zal zijn met deze péchés de viellesse, op althans enkele van de geciteerde auteurs na, allicht.

Si tacuisset, philosophus mansisset.

Stuur door

Sofokles: Aias, Herakles, Elektra, Filoktetes

Sofokles, Vier helden, Aias, Herakles, Elektra, Filoktetes, Vertaald en toegelicht door Patrick Lateur, Eindhoven: Damon, 2026, 350 blz., hardcover met leeslint, € 29,90.

Na de eerdere uitstekende vertaling van de drie Thebaanse tragedies rond Oidipous en Antigone (klik hier https://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/archief.php?ID=2625951) brengen Patrick Lateur en Uitgeverij Damon ons nu de vier overige bewaarde tragedies van Sofokles (496-406) in het bekende fraaie formaat dat de uitgaven van Damon kenmerkt en siert. Wat ik toen schreef blijft integraal gelden en wordt door deze nodige en bijzonder nuttige aanvulling bekrachtigd.

Het viel mij weer op dat je een zo’n tragedie op vrij korte tijd kan lezen zonder enige moeite: je blijft zonder meer geboeid door het verhaal, de dialogen en de scenische illusie die ook in deze ‘moderne’ vertaling zorgzaam bewaard blijven. Des te meer verwondert het me dat we toentertijd op school slechts moeizaam enkele verzen gelezen hebben van Homeros, en ik me weinig of niets herinner van andere Griekse auteurs, hoewel we vier tot zes uur per week Griekse les hadden, vijf jaar lang. Ook nadien heb ik deze tragedies nooit gelezen, hoewel ik toch enkele duizenden boeken gelezen heb in mijn leven. Dat is dus zonder enige twijfel de grote verdienste van de onvolprezen vertaler, Patrick Lateur, die al zoveel gedaan heeft voor de ontsluiting van de klassieke en met name de Griekse literatuur. In een tijd dat men de mond vol heeft van de verdediging van onze Westerse waarden past het dat we teruggrijpen naar de bronnen van onze beschaving, en in het besef van onze afhankelijkheid van het genie van mensen die vijfentwintig eeuwen geleden leefden, leren inzien wat precies die waarden zijn, en waarom andere, minder verheven en minder integere waarden, die ons vanuit andere tradities komen aanwaaien en zelfs bedreigen, resoluut ontkracht en afgewezen moeten worden.

Ook in deze tragedies gaat het in de eerste plaats om mensen, om hun aanvoelen, hun emoties, hun afwegingen, hun redeneringen, hun overhaaste of juist weloverwogen daden, en de gevolgen daarvan. Af en toe wordt verwezen naar goden, maar dat zijn niet meer dan pro forma literaire conventies en namen die men traditioneel geeft aan juist dat aanvoelen, die krachtige elementaire emoties, zoals liefde en haat en wrok, hoop en vrees en wanhoop en vreugde en wat die met mensen doen; en aan het wereldbestel, zoals het lot, de natuurwetten, leven en dood, ziekte, moord en vergelding.

Deze tragedies hebben hun Sitz im Leben, hun omkadering en hun herkenbaarheid in de rijke Griekse mythologie en literatuur. Het zijn als het ware commentaren, toevoegingen, parafrases, prequels en sequels op vooral de Homerische verhalencyclus, die toentertijd alom bekend was. Wij kunnen ons moeilijk voorstellen hoe zelfs de kleinste allusie voldoende was om bij het publiek de juiste snaar van het collectieve geheugen te doen trillen. Als wij in onze huidige eigen cultuur zouden moeten gaan zoeken naar eenzelfde even algemeen gedeeld gedachtengoed, dan zou dat ons snel tot algehele en uitzichtloze verwarring brengen. Welke figuren, thema’s, verhalen uit onze beschavingsgeschiedenis zijn in onze veel grotere wereld alom bekend en geapprecieerd, tenzij precies die enkele uit de klassieke oudheid zoals Oidipous, Elektra, Antigone, Odysseus, Heracles, Orpheus en Erydice, Hector en Achilles? Het is niet verwonderlijk dat grote figuren uit de wereldliteratuur niet zelden naar dergelijke figuren teruggegrepen hebben als inspiratiebron voor hun eigentijdse (her)scheppingen.

Het belang van publicaties als deze kan dan ook niet overschat worden. Uitzonderlijke vertalers als Patrick Lateur, die nog bij machte zijn om op eigen kracht en met grote kennis van zaken deze teksten uit het oorspronkelijke Grieks voor een zo ruim mogelijk publiek te onthullen en te vrijwaren, kunnen niet genoeg geprezen worden om hun onverdroten inspanningen, die hun even weinig roem als gewin opbrengen, zonder dat hen dat blijkbaar ooit ontmoedigt. En een even uitzonderlijke uitgeverij als Damon verdient een ereplaats in de helaas steeds meer bedreigde, altijd al dun bezaaide rij van ernstige instellingen die zich nog bekommeren om ons gezamenlijke culturele erfgoed, en niet toegeven aan de ontstellende banaliteit van kookboeken, reisgidsen, thrillers, egotrippers en pornostrippers. Tolle, lege!

Stuur door

Goede Vrijdag 2026

attende Domine et miserere

 

ik heb gebeden

zoals me werd geheten

ze wisten zelf niet beter

of wouden het niet weten

 

holle frasen lege woorden

gepreveld zonder zin

die niemand verhoorde

als was mijn woord te min

 

ik heb gebeden en gezocht

als kind en ook later

toen bloed en rede in mij vocht

met het verlangen naar een Vader

 

het mocht niet baten

hoe ik ook smeekte en vroeg

om een woord een teken te laten

een wenk was me al genoeg

 

maar zelfs dat was mij niet vergund

ik wend me af in arren moede

van wie me geen blik waardig gunt

geen oren heeft naar mijn vrees of woede

 

ik heb gebeden en bitter geweend

me geweigerd geweten en verlaten

om niet geen genade verleend

aan mijn armzalige zelf overgelaten

 

tot ik mijn rug heb gerecht

opgestaan

het gevecht

ben aangegaan

 

er was geen Vader en geen zonde

wat men ook beweerde of beval

er was alleen de diepe wonde

de laffe leugen van de zondeval

 

bevrijd van last van eeuwen

kon ik koppig mijn eigen weg gaan

mijn diepe onschuld uitschreeuwen

geen mens kon me in de weg nog staan

 

de hemel was leeg

de aarde vervuld van belofte en pracht

was wat ik zomaar kreeg

de stralende zon in ruil voor de nacht

 

Karel D’huyvetters

Goede Vrijdag 2012

 

 

 

 

 

 

 

Stuur door

Laïcité en godsdienstvrijheid

Laïcité en godsdienstvrijheid

In 2025 werd in Frankrijk enige aandacht besteed aan het 120-jarige bestaan van de laïcité, zoals die geformuleerd werd in de befaamde wet van 1905. In Franstalig België wordt die term gebruikt voor wat in Vlaanderen veelal vrijzinnig humanisme genoemd wordt. In beide landen is er een grondwettelijke scheiding van Kerk en Staat, wat een breuk betekent met de eerdere verregaande verstrengeling van de christelijke, en vooral de katholieke godsdienst met het staatsapparaat. Die scheiding kwam tot stand door het verzet van linkse politieke partijen en niet-gelovige en agnostische intellectuelen en wetenschappers tegen het klerikalisme, de inmenging van de godsdienst in de staat, inzonderheid het onderwijs, de gezondheidszorg en de zorg voor weduwen, wezen en ouderen, de kunst en cultuur, en de morele en levensbeschouwelijke principes en hun toepassingen.

Men heeft echter een zware prijs moeten betalen voor die wettelijke scheiding van Kerk en Staat. In de wet werden namelijk de verschillende Kerken officieel erkend, en werd het aan hen toegestaan om hun activiteiten ongehinderd te ontplooien, al werd althans in Frankrijk de subsidiëring van de godsdiensten afgeschaft, met uitzondering van het onderhoud van de kerkelijke gebouwen, die eigendom van de staat werden als ze voor 1905 gebouwd waren.

Vandaag verdedigen alle Franse godsdiensten ten minste publiekelijk die wet van 1905, en ook in België zijn de Kerken best tevreden met de grondwettelijk verankerde godsdienstvrijheid. In België worden bovendien de wedden van de bedienaars van de erkende erediensten al sinds 1801 betaald door de staat; de staat subsidieert katholieke scholen, ziekenhuizen en andere caritatieve instellingen, zoals dat ook gebeurt voor de niet-confessionele, met beperkte uitzonderingen en verschillen.

Men zou dus kunnen veronderstellen dat tout est pour le mieux dans ce meilleur des mondes, maar niet iedereen is het daarmee eens. De Belgische situatie is allesbehalve een strikte scheiding van Kerk en Staat, gezien de zware subsidiëring van de godsdiensten en hun (neven)activiteiten, waarvoor iedereen, dus ook niet-gelovigen betalen, terwijl minder dan drie procent van de bevolking de wekelijkse eredienst bijwoont, slecht één op drie kinderen gedoopt wordt, minder dan een op tien huwelijken kerkelijk bekrachtigd wordt, en minder dan een op drie begrafenissen kerkelijk is. Er is dus een overgrote meerderheid in België die niet meer feitelijk kerkelijk is, en de trend van die secularisatie is stijgend.

Dat betekent dat veruit de meeste mensen niet gelovig zijn. Ze zijn dan agnostisch: ze hebben geen enkel bewijs of kennis van het bestaan van dergelijke wezens; of antiklerikaal: dan is men voorstander van de scheiding tussen Kerk en Staat, en tegen de inmenging van de Kerk in de staat; of atheïstisch, dat wil zeggen dat ze niet geloven in het bestaan van een persoonlijk bovennatuurlijk opperwezen; of anti-theïstisch: dan verzet men zich tegen het geloof in dergelijke wezens als onwaar en als schadelijk voor wie erin gelooft en voor de gemeenschap; of antigodsdienstig: dan is men niet alleen gekant tegen het geloof in dergelijke wezens, maar ook tegen individuen, organisaties en instellingen die dat geloof voorstaan en verbreiden; in feite is men dan niet tegen godsdienstigheid als dusdanig, laat staan tegen godsdienstige personen, maar tegen godsdiensten. Er zijn verschillende combinaties mogelijk: zo kan men antiklerikaal zijn zonder atheïst te zijn; of atheïst, maar niet anti-theïstisch en antigodsdienstig.

Ikzelf ben dat allemaal, overtuigd en fervent.

Daarbij wil ik evenwel met klem benadrukken dat ik even overtuigd en fervent pacifist ben. Dat betekent dat ik vooropstel dat er onder geen enkel beding geweld mag gebruikt worden om de overtuigingen die ik deel en voorsta te verspreiden en te bevorderen, of zelfs ze te verdedigen. Ik veroordeel daarom de inspanningen van het Sovjetregime, die in Albanië en onder de Khmer-rouge om de godsdienst uit te roeien in die landen, net zoals ik het geweld veroordeel waarmee godsdiensten elkaar bestreden hebben en bestrijden, en het even gruwelijke geweld waarmee ze niet-gelovigen vervolgd hebben en blijven vervolgen, evenals elke gedwongen bekering, en elke bestraffing van apostasie. Ik pleit voor een verregaande ideologische, levensbeschouwelijke en religieuze verdraagzaamheid of tolerantie, maar dat sluit niet uit dat ik mijn eigen opvattingen ter zake wil kunnen uiten, en anderen daarvan proberen te overtuigen, niet het minst door te wijzen op de flagrante onwaarheden en de manifest erg schadelijke aspecten van alle godsdienstigheid.

Er zijn dus twee betekenissen van laïcité. Dat blijkt overduidelijk uit het feit dat in Franstalig België die term uitsluitend en trots gebruikt wordt voor de georganiseerde vrijzinnigheid, dus voor mensen die expliciet niet gelovig zijn, en hun seculiere waarden verdedigen en uitdragen. Ze houden het niet alleen bij de zo verregaand mogelijke scheiding van Kerk en Staat, maar staan uitdrukkelijk voor een niet-confessionele levensopvatting. De godsdiensten en hun gelovigen zien in de wettelijke laïcité van de staat uitsluitend de vrijheid die ze daardoor hebben om hun godsdienst te belijden en te propageren. In ruil voor die vrijheid hebben ze afstand gedaan van hun klerikale aanspraken, en aanvaarden dat de publieke ruimte ‘neutraal’ is, maar dat laatste veeleer schoorvoetend: voortdurend proberen ze toch hun invloed te laten gelden, denk maar aan het hoofddoekendebat. De godsdiensten zijn wel voorstanders van de wet op de laïcité, om de bekende voordelen die dat voor hen oplevert, maar geen onverdeelde voorstanders van de laïcité van de samenleving; het liefst zouden ze willen dat iedereen gelovig was, zodat de ook de staat gelovig zou zijn, een theocratie, en dat is niet alleen de doelstelling van de islam.

De wetten op de scheiding van Kerk en Staat zijn er niet gekomen door de godsdiensten, wel integendeel: zij hebben die uit alle macht tegengewerkt en tegengehouden. Het zijn de niet-gelovigen en de niet-fundamentalistische, rationeel denkende gelovigen (als die er al zijn…) die de laïcité bedacht en doorgevoerd hebben, om zo toch enigszins de geüsurpeerde macht van de godsdiensten aan banden te leggen. Het is in hun strijdende traditie dat ik mij met mijn opvattingen plaats. Ik ben voorstander van godsdienstvrijheid, maar een beetje zoals de godsdiensten voorstander zijn van de wet op de laïcité: het liefst zou ik willen dat de godsdiensten hooguit een marginaal verschijnsel zouden zijn, zoals het katholicisme in België vandaag, en dat de samenleving vrij zou zijn van godsdienst: in 1905 was dat een nieuwe interpretatie van godsdienst-vrijheid, namelijk de vrijheid om geen godsdienst aan te kleven, ongehinderd en vanzelfsprekend vrij of bevrijd van godsdienst te zijn.

Imagine, no religion!

Stuur door

Gered door het geloof

Godsdienst als panacee?

Het valt me op dat er recentelijk her en der columns en opiniestukken verschijnen, van onder anderen (te)veelschrijver Rik Torfs, waarin een lans gebroken wordt voor de godsdienst als een middel tegen zowat alle kwalen van onze moderne tijd, niet het minst de beruchte burn-out die zovelen treft. De oorzaak, zo beweren althans deze en andere gelovige auteurs, is het nihilisme van onze huidige tijd. Wij hebben de godsdienst verlaten, en er is niets in de plaats gekomen. Die leegte brengt vertwijfeling mee, of ten minste onverschilligheid, banaliteit, verveling, het zwarte gat. Toen we nog met zijn allen godsdienstig waren, kwamen dergelijke beschavingsziektes niet voor. We hadden een doel om naar te streven, en die motivering gaf ons zekerheid, of toch hoop, of zelfs het geloof, dat bergen verzet.

Vreemd genoeg kijken die auteurs met danig misprijzen neer op die gelovigen van vroeger, die ze ervan betichten dat ze nauwelijks iets afwisten van hun geloof, zich wel (ongewild) lieten dopen, hun eerste en plechtige communie deden, gevormd werden, en voor de Kerk trouwden, maar zich voor de rest bitter weinig gelegen lieten aan de vele verplichtingen en verboden van de Kerk, laats staan dat ze zich zouden verdiept hebben in de meer arcane mysteries van de christelijke dogmatiek. Kijk: ofwel was iedereen vroeger diepgelovig, en waren er toen geen burn-outs, ofwel was de overgrote meerderheid slechts nominaal gelovig, en was er dus geen echte motivering, geen zekerheid, amper hoop, en zo goed als geen geloof.

Beweren dat er vroeger geen psychische problemen waren omdat iedereen gelovig was, is de waarheid wel heel erg veel geweld aandoen. Integendeel! Ontelbaar zijn de eenvoudige gelovigen die in vertwijfelde gewetensnood en diepe wanhoop terechtkwamen door de voorschriften en de leer van de Kerk ernstig en vaak letterlijk op te nemen, waardoor de innerlijke tegenspraken en de onhoudbare bovennatuurlijke aanspraken in al hun schrijnende onwaarschijnlijkheid onvermijdelijk naar voren kwamen. Het christelijke geloof is fundamenteel ongeloofwaardig, het vereist dat men afstand doet van het gezond verstand en de logica, en een sprong waagt in het ijle, om te geloven wat onmogelijk en ondenkbaar is. Voor velen werd die sprong helaas een salto mortale.

Moderne apologeten zeggen nu dat het allemaal niet zo bedoeld was, dat het om symbolen en beeldspraak gaat, en dat daarin juist de schoonheid en de kracht van de boodschap gelegen is. Dat geloven in feite een illusie is, maar wel een ‘nuttige’ illusie. Dan komt het christendom op één lijn met alle andere dergelijke illusies, godsdiensten, sekten, heilsmiddelen, verkooppraatjes, politieke programma’s, piramidespellen, wonderolie en designer drugs. God bestaat niet echt, maar als we doen alsof, komt het allemaal wel goed.

Quod non. Het ging vroeger, toen iedereen zogezegd nog geloofde, helemaal niet goed. Het gaat nu veel, ongelooflijk veel beter, en voor zoveel meer mensen, en wel inzonderheid daar waar de godsdienst zo goed als verdwenen is. Het is dan ook niet misplaatst ten minste te veronderstellen dat het ene, namelijk de spectaculaire vooruitgang van de welstand en de beschaving, alles te maken heeft met het andere, namelijk de achteruitgang van het geloof en het klerikalisme. De bewijzen liggen voor de hand, ook voor het tegenovergestelde: waar het geloof onder dwang —is er een geloof dat niet onder dwang tot stand komt en standhoudt? — aanwezig is, is de graad van beschaving altijd aanzienlijk lager, evenals de welstand. Vrijheid, gelijkheid en solidariteit, de idealen van de Verlichting die ongelovigen nastreven,  zijn afwezig in gelovige instellingen en staten. Niemand ontvlucht de vrije wereld om te gaan leven in een achterlijke staat of gemeenschap, wel andersom. Dat belet bepaalde mensen niet om vanuit hun geprivilegieerde positie in een vrij en nog nauwelijks gelovig land te pleiten voor het herstel van een vermeende gouden eeuw, toen de Kerk het voor het zeggen had, en niemand een burn-out kreeg, tenzij letterlijk, op de brandstapels van het geloof.

Het valt me telkens weer op dat die vermetele apologeten zonder uitzondering (goed tot zeer goed) betaald worden door de Kerk, dat ze hun aanzien en hun invloed te danken hebben aan hun publieke trouw aan de Kerk en haar gezag, en dat ze daarzonder ongetwijfeld stuk voor stuk zonder meer onbenullige randfiguren zouden zijn. In feite zijn zij de valse profeten voor wie in Matteüs 7, 15 gewaarschuwd wordt, ‘mensen die tot u komen in schaapskleren, maar van binnen roofzuchtige wolven zijn’, overigens een beeld dat we al vinden bij Aesopus, die 600 jaar eerder leefde. Ze zijn niet bezorgd om de anderen, maar uitsluitend om hun eigen hachje, hun veilige situatie, hun ruime materiële voordelen en hoge welstand. Zij zijn de echte parasieten van onze maatschappij, die zich voeden en verrijken zonder te werken, en dan bovendien nog het lef hebben om ons de les te lezen, en ons proberen wijsmaken dat wij het helemaal verkeerd voor hebben als we onze wereld proberen uit te bouwen tot een plaats waar het voor iedereen goed is om te leven, en ons enkel bekommeren om het leven na onze dood als het om het leven van onze nakomelingen gaat.

Je moet met andere woorden al behoorlijk betoeterd zijn om je ook nog maar enigszins door dergelijke praatjes te laten misleiden. Laten we liever de passage in Matteüs 7, 15-23 ter harte nemen:

‘Wacht u voor de valse profeten, mensen die tot u komen in schaapskleren, maar van binnen roofzuchtige wolven zijn. Aan hun vruchten zult ge ze kennen. Plukt men soms druiven van dorens of vijgen van distels? Zo brengt iedere goede boom goede vruchten voort, maar de zieke boom brengt slechte vruchten voort. Een goede boom kan geen slechte vruchten dragen, noch een zieke boom goede vruchten. Iedere boom die geen goede vruchten voortbrengt, wordt omgehakt en in het vuur geworpen. Aan hun vruchten dus zult ge ze kennen.
   Niet ieder die tot Mij zegt: Heer, Heer! zal binnengaan in het Koninkrijk der hemelen, maar hij die de wil doet van mijn Vader die in de hemel is. Velen zullen op die dag tot Mij zeggen: Heer, Heer, hebben wij niet in uw Naam geprofeteerd en hebben wij niet in uw Naam duivels uitgedreven en in uw Naam veel wonderen gedaan? Maar dan zal Ik hun onomwonden verklaren: Nooit heb Ik u gekend; gaat weg van Mij, gij die ongerechtigheid doet! ‘

Stuur door

Meer van Kroniek

↑ Terug naar de berichten