bij een overlijden: Macbeth
Lady Macbeth is een tragische figuur in het koningsdrama van Shakespeare, Macbeth (ca. 1603-07). Zij moedigt haar man aan om de koning van Schotland te vermoorden zodat hij zelf koning wordt, en zij koningin. Maar nadien wordt zij gekweld door schuldgevoelens en in het laatste bedrijf stelt men vast dat ze dood is, blijkbaar door zelfdoding. Dit is de scene, gevolgd door mijn werkvertaling:
A cry of women within
It is the cry of women, my good lord.
Exit
I
have almost forgot the taste of fears;
The time has been, my senses would have cool'd
To hear a night-shriek; and my fell of hair
Would at a dismal treatise rouse and stir
As life were in't: I have supp'd full with horrors;
Direness, familiar to my slaughterous thoughts
Cannot once start me.
Re-enter SEYTON
She
should have died hereafter;
There would have been a time for such a word.
To-morrow, and to-morrow, and to-morrow,
Creeps in this petty pace from day to day
To the last syllable of recorded time,
And all our yesterdays have lighted fools
The way to dusty death. Out, out, brief candle!
Life's but a walking shadow, a poor player
That struts and frets his hour upon the stage
And then is heard no more: it is a tale
Told by an idiot, full of sound and fury,
Signifying nothing.
‘(geschreeuw van vrouwen in het kasteel)
Macbeth
Wat is dat lawaai?
Seyton
Dat zijn vrouwen die roepen, mijn dierbare Heer.
(exit)
Macbeth
Ik heb de smaak van de vrees bijna vergeten;
er was een tijd dat mijn zintuigen zouden verkillen
bij het horen van een schreeuw in de nacht en mijn wilde haren
bij een ijzingwekkend verhaal ten berge rezen
als kwamen ze tot leven; nu ben ik van horreur wel verzadigd;
gruwelijk onheil, zo vertrouwd in mijn moorddadige gedachten
kan me niet meer verontrusten.
(Seyton komt terug)
Wat was de reden van dat geroep?
Seyton
De koningin, mijn Heer, is dood.
Macbeth
Ze had nu nog niet horen te sterven;
er was nog tijd genoeg voor die mare.
Morgen na morgen na morgen,
sluipt op kousenvoeten van dag tot dag
tot aan de laatste snik van onze toegemeten tijd
en al onze dagen van gisteren hebben dwazen bijgelicht
op hun weg naar dood en stof en as. Uit! doof uit, kort kaarsje!
Het leven is slechts een schaduw die voorbijschuift, een slechte acteur
die zich een uurtje op de planken mag aanstellen en sikkeneuren
en dan voorgoed van het toneel verdwijnt: het is een verhaal
verteld door een gek, niets dan geraaskal en wild gebral,
zinloos, zonder betekenis.’
Ik aarzel een beetje om na die gevleugelde woorden nog zelf de stem te verheffen. Als je die korte, gedrongen Engelse zinnen diep in jezelf laat doordringen, blijf je sprakeloos achter. Hier passen nog enkel de laatste woorden van Hamlet: “… the rest is silence.”
Ik wou deze scene even onder de aandacht brengen omdat ze zo prangend vertolkt wat wij aanvoelen bij de dood. Enkele dagen geleden viel mijn oog op een doodsbrief; de naam van de overledene sprak me niet meteen aan, maar toen las ik dat ze bankbediende was in ons dorp, en meteen verscheen ze voor mijn ogen, zoals ik ze herhaaldelijk had gezien aan het loket, zakelijk maar oprecht vriendelijk, onomwonden zichzelf, een zelfstandige vrouw die de wereld met een innemende openheid complexloos in de ogen keek. En zie: plots is ze er niet meer, na amper drieënvijftig jaar, bezweken aan een hartfalen.
Zij heeft zoals elk van ons haar dromen gehad, haar verwachtingen, haar teleurstellingen en haar momenten van intens geluk. Het leven zal haar meestal een zinvolle bezigheid geleken hebben, elke dag de moeite om eraan te beginnen, is het niet voor belangrijke dingen, dan toch voor de kleine geneugten en de banale kopzorgen.
Het is pas wanneer ze er niet meer is, dat we ons de vraag stellen: wat heeft haar leven betekend? Wat betekent ons leven voor ons?
Wanneer een mens sterft, breekt de veer die het lichaam in gang hield. Het organisme van vlees en bloed en knoken dat op een bijna miraculeuze wijze in leven bleef, en de bron was van al ons denken en doen, valt plots stil. Wat overblijft, kan zich niet meer in stand houden en takelt razend snel af. Wij bespoedigen dat proces door het te verbranden of onder de grond te stoppen. En onvermijdelijk stellen we ons bij het horen van de woorden: “van as tot as, van stof tot stof” de vraag: wat was het meer dan een indruk die we hadden van onszelf, een vaag beeld dat we waren voor anderen, even hier en dan voor altijd weer weg. In het geheel der dingen, in de oneindigheid van de tijd en van het universum is een mensenleven, welk mensenleven ook, zo goed als niets. Het heeft slechts zin in het hier en nu, voor mij, voor jou en voor enkele anderen ten hoogste. Dat is alles. We maken veel kabaal tijdens ons leven, we doen alsof al wat we doen belangrijk is, we hebben grote behoeften, we maken een grote ecologische voetafdruk, zolang we leven. Wij zijn het centrum van ons bestaan, alles staat in functie van onszelf, wij zijn de ogen die kijken en wenen, de mond die spreekt en zalft en kwetst, de huid die zalig zont, de handen die bouwen en breken, de gedachten die alles in ons oproept en die ons doen en laten dragen.
Tot op een dag de veer, het hart breekt en de ontnuchtering volgt. Was het dat maar? Ja, dat was het maar.
En toch was het de moeite, zolang het duurde. Het is pas wanneer het voorbij is, dat we inzien dat het niet meer was dan een ‘schouwtoneel’, waarin we even een bescheiden rolletje speelden. Het is goed dat we bij elk afscheid en bij elke geboorte, ja elke dag en elk uur die beide gedachten voor ogen houden: het is al bij al en achteraf bekeken, in het licht van de eeuwigheid, niet veel, het leven. Maar zolang ons hart klopt en onze gedachten van dit lichaam een persoon maken, is het een wonderbaarlijk fascinerend gebeuren, vol kansen en mogelijkheden, die we met beide handen moeten aangrijpen, ook al weten we dat het einde elke dag op kousenvoeten nadert en elke morgen een gisteren achter zich laat en ons een stap dichter brengt bij de vergetelheid.



