het ruimere perspectief

Hoe meer we ontdekken over de complexiteit van het menselijk lichaam, hoe meer we ons verbazen over de ongelooflijk precieze en complexe mechanismen die ons in leven houden. Dat is zeker het geval bij het onderzoek naar de functie en de werking van het DNA en van het brein. We bevinden ons in beide gevallen op het niveau van het minuscuul kleine. Een DNA-streng bestaat uit
nucleotiden; zo één nucleotide is
3,3 ångström lang; 1 ångström is een tiende van een nanometer, anders
gezegd een tien miljardste van een meter). In onze hersenen zijn er ongeveer
honderd miljard neuronen, in grootte variërend tussen vier en honderd
micrometer; een micrometer is een miljoenste van een meter.
Het is dan niet verwonderlijk dat wij ons soms afvragen of die intricate maar accurate structuren ‘zomaar’ ontstaan zijn. We bedoelen dan, al beseffen we het niet altijd, dat ze zo geëvolueerd zijn volgens de wetmatigheden die Darwin ontdekt heeft en die gebaseerd zijn op de evolutie door natuurlijke selectie. Volgens die theorie zijn de gunstige erfelijke afwijkingen die zich voordoen bij de voortplanting de oorzaak van de diversiteit en de complexiteit van de levensvormen op aarde. Alle biologische verschijnselen, dus ook het DNA en het brein van de mens, zijn louter het resultaat van de evolutie, die aan sommige exemplaren een evolutionair voordeel gaf, te beginnen met de eerste, uiterst simpele levensvormen, die zich amper onderscheidden van de ‘dode’ materie.
Tot aan Darwin was dat idee ondenkbaar, behalve bij enkele uitzonderlijk scherpzinnige denkers. Dat uit eencellige wezens naast allerlei andere levende wezens ook de mens zou voortkomen, met geen andere ‘motor’ voor die evolutie dan de subtiele voordelen die sommige exemplaren bleken te hebben, dat lijkt inderdaad onwaarschijnlijk. Dat het ‘toeval’ zou kunnen leiden tot iets zo spectaculairs als een mens, dat was ondenkbaar. En dus nam men aan dat al de levende wezens, maar zeker de mens, geschapen waren zoals hij/zij is, door een God.
Een toeval is dat
echter niet: echt toeval, in de zin van willekeur, bestaat niet; er zijn enkel
de onwrikbare natuurwetten waaraan niets ontsnapt, maar waarbinnen ontelbaar
veel mogelijkheden zijn. Zelfs dan lijkt het niet waarschijnlijk dat dit
onbedoeld een mens zou opleveren, en alle andere dieren. Het is alsof je als
landbouwer zou wachten tot er op een goede dag spontaan een veld vol graan zou
verschijnen, of een weide vol koeien, klaar om te melken. Nee: als je iets wil,
dan moet je maken dat het er komt. Als er iets zo complex als een mens is, dan
moet iets of iemand daarvoor gezorgd hebben. Iets maken gaat nu eenmaal veel
sneller dan wachten tot iets ‘vanzelf’ ontstaat, zeker als het om iets
ingewikkelds gaat. Bij al wat mensen maken is het zo: een computer ontstaat
niet vanzelf, dat is absurd. Waarom zou het dan wel zo zijn voor al wat leeft?
De grote moeilijkheid voor Darwins publiek was het tijdsperspectief. Men nam toen algemeen aan dat de aarde een recent verschijnsel was, en dat de mens door God geschapen was van bij het begin van de aarde, zowat vier duizend jaar geleden. Een procedé zoals de evolutie werkt langzaam, ongemerkt. Men merkte die evolutie niet in de geschiedenis, en dus was ze er niet. Pas toen men de grenzen ging verleggen, steeds verder, begon men de veranderingen te zien. Het universum begon twaalf miljard jaar geleden; de aarde is 4,5 miljard jaar oud en het leven is ongeveer een miljard jaar later ontstaan; de zoogdieren pas tweehonderd miljoen jaar geleden, homo sapiens tweehonderd duizend jaar geleden, de moderne mens is niet ouder dan ongeveer tienduizend jaar. De natuur heeft er dus de volle onvoorstelbare twaalf miljard over gedaan om de mens op te leveren. Als je het zo ziet, dan kan je al beginnen aannemen dat er over een zo lange periode wel een en ander kan veranderen. Dat vraagt wel een mentale openheid die men honderdvijftig jaar geleden niet had en die ook vandaag nog bij de overgrote meerderheid van de mensen ontbreekt.
Als ik aan die enorm lange en uiterst trage evolutie denk, dan vraag ik me af of het werkelijk zo is dat het sneller vooruitgaat als men in doelgericht en efficiënt een bepaalde richting werkt. Grote wetenschappelijke ontdekkingen gebeuren vaak ‘toevallig’, als men er niet naar zoekt. Intensieve opzoekingen leiden vaak tot niets. Onderzoeksresultaten sluimeren vaak zeer lange tijd onbekend en vergeten in duistere archieven of gespecialiseerde laboratoria. Briljante ideeën verdwijnen in de geschiedenis om pas eeuwen later weer op te duiken en begrepen en gebruikt te worden. Inzichten hebben een heel lange incubatieperiode, denk maar aan Copernicus en inderdaad ook Darwin. Zij waren niet op zoek naar wat ze vonden, en geen van beiden was bereid om zijn onderzoeksresultaten te publiceren. Darwin was niet op de hoogte van het werk van Mendel. Enzovoort.
Soms zijn er
mensen die het willen doen vooruitgaan, die de geschiedenis willen veranderen,
die hun stempel willen drukken op de wereld. Zelfs als we aannemen dat ze
daarbij steeds de beste bedoelingen hadden, wat in een aantal gevallen, zoals bij
Stalin, Hitler, Pol Pot, Sadam Hoessein helaas niet zo was en bij Napoleon en George
W. Bush op zijn minst twijfelachtig, loopt het meestal toch niet zo goed af. De
democratie is niet plotsklaps tot stand gekomen, opgelegd door een of andere
vorst of een instantie. Het is een evolutie, een lange weg van vallen en
opstaan. Ik heb mijn twijfels over de snelle, drastische ingrepen. Meestal
heeft men niet lang en ver genoeg nagedacht en merkt men pas achteraf dat het
toch niet zo’n goed idee was. Dat zien we keer op keer. Zoals nu met de
opwarming van de aarde. Wie had daarvan gehoord, vijfentwintig jaar geleden? Of
fijn stof? Fossiele brandstoffen leken een godsgeschenk, maar nu blijkt het een
doos van Pandora te zijn, die ons bestaan zelf bedreigt.
Idem ditto voor nucleaire energie.
Fools rush in where angels fear to tread (Alexander Pope, An Essay on Criticism (1709). Wij
hebben de neiging om overhaast te werk te gaan. We zijn gehaast, want ons
tijdsperspectief is beperkt. We leven niet langer dan zeg maar zeventig,
tachtig jaar, gemiddeld; slechts een klein aantal van die jaren zijn we
productief en hebben we enige invloed op onze omgeving. Wij plukken de vruchten
niet van de bomen die we planten, we maaien niet waar we gezaaid hebben, en dat
zint ons niet. We zien niet in dat het levensritme van de haastige individuele
mens niet past in het majestueuze trage tempo van de natuur. Die werkt in
miljarden jaren en op een veel, veel grotere schaal. Het is op die gigantische
schaal dat wij zijn ontstaan, en op die schaal moeten we ook onze toekomst
plannen. Pas dan zien we de grote lijnen, de evolutie, het perspectief van de
mogelijkheden en de gevaren. Door onze nietigheid in ruimte en tijd terdege te
beseffen, kunnen we proberen ons lot in eigen handen te nemen. Tot nog toe zijn
we enkel bezig geweest met vandaag, niet eens met de dag van morgen. We zijn
kortzichtig.
We hebben nog niet bijgeleerd. We denken nog altijd dat we er toe doen, dat wij de wereld kunnen en moeten veranderen, terwijl bijna al onze pogingen catastrofale vergissingen blijken te zijn, of nutteloze spielereien.
Misschien is dat omdat wij zoveel kunstlicht hebben gemaakt dat wij de sterren niet meer zien.

















