Heilig
Is er dan niets meer heilig?
Salman Rushdie schreef er, naar aanleiding van de zware commotie rond zijn Duivelsverzen, een essay over (Granta, 1990). Voor hem schreef Schiller al:
Nichts heiliges ist mehr, es lösen
Sich alle Bande frommer Scheu,
Der Gute räumt den Platz dem Bösen,
Und alle Laster walten frey.
Misschien is het omdat vroeger zowat alles heilig was, dat er nu nog zo weinig heilig is. Men heeft het woord en het begrip verkwanseld door overmatig gebruik en misbruik. Want wat is heilig?
Etymologisch heeft het te maken met ‘heel’, in de zin van volkomen, volmaakt. Wat volmaakt is, is bewonderenswaardig, boezemt ontzag en eerbied in. De Kerk heeft zich het woord aanmatigend toegeëigend, en zichzelf en al het hare heilig verklaard: haar God, het Heilig Geloof, onze Moeder de Heilige Kerk, de Heilige Vader, het Heilig Kruis, het Heilig Sacrament, de Heilige Geest, de Heilige Schrift, de heiligen &c. Door iets als heilig te bestempelen verleent men het een dwingend onaantastbaar karakter. Maar als men te veel heilig verklaart, verwatert allengs de unieke eigenschap van heiligheid, en weet op den duur niemand meer wat heilig betekent.
Het christendom gebruikte de profane Latijnse vorm sanctus, met dezelfde betekenis als in het klassiek Latijn: geheiligd, gewijd (een altaar, een bron, een plek); heilig, onschendbaar, onverbrekelijk, onaantastbaar; eerbiedwaardig, verheven; onschuldig, onberispelijk, gewetensvol; vroom. Het adjectief is het verleden deelwoord van het werkwoord sancio, met dezelfde betekenis: heiligen, wijden, onschendbaar maken, bekrachtigen; maar ook sanctioneren, straffen, op straffe verbieden.
Wat oorspronkelijk een louter profane betekenis had, namelijk iets omwille van zijn eigenschappen als ontzagwekkend en eerbiedwaardig erkennen, werd in de godsdienst een systeem om door iets heilig te noemen, het — ook ritueel — te wijden, louter en alleen daardoor ontzag en eerbied af te dwingen voor iets dat uit zichzelf niet algemeen als dusdanig beschouwd wordt, terwijl voor de Joden enkel God heilig was (qadowos, Jes. 6:3, geciteerd in het Sanctus van de mis-tekst). De Kerk (let op de hoofdletter) was in feite niet meer dan een organisatie van mensen; door zichzelf heilig te noemen, verplichtte zij iedereen om haar met eerbied te benaderen en te behandelen, als was ze goddelijk. Alles wat met de godsdienst en haar rituelen te maken had, werd gewijd, en dus heilig voor alle gelovigen. En niet alleen voor hen, maar voor iedereen: als on- of andersgelovigen zich vergrepen aan een van de heilige symbolen, laat staan aan de Kerk zelf, was dat evengoed of nog meer heiligschennis, en moest dat gesanctioneerd worden, heel zwaar bestraft, totterdood. Zo werd een stukje brood door zijn wijding of consecratie heilig, onaantastbaar voor gewone gelovigen. Wie een hostie ontwijdde, maakte zich schuldig aan heiligschennis, het zwaarst mogelijke misdrijf. Dat werd herhaaldelijk en volkomen onterecht toegeschreven aan de joden, als een onderdeel van hun blijvende discreditering en vervolging.
Wanneer men zich als ongelovige afvraagt wat in het christendom bedoeld wordt met ‘heilig’, blijft er ten langen leste niets anders over dan: wat door de Kerk als zodanig gekenmerkt wordt. Het woord heeft geen specifieke godsdienstige betekenis naast de algemene, die van ‘eerbiedwaardig’. Maar door er de zwaarste sancties aan te verbinden, krijgt het woord ‘heilig’ een plaats in de christelijke moraal van goed en kwaad, van verdienste en bestraffing. Heilig betekent dan weer sanctus, iets waaraan zware straffen verbonden zijn bij schending, en dat is de overheersende betekenis in het christendom, waar overigens de beteugeling altijd belangrijker is dan de bevrijding. Heilig is dan niet meer zozeer wat uit zichzelf ontzagwekkend is, maar wat met de term ‘heilig’ en de bijhorende sanctionering beschermd wordt tegen mogelijke schending, inzonderheid de Kerk zelf.
Is er dan niets meer heilig? Dat is de retorische vraag die men soms nog hoort als er weer eens een heilig huisje gesloopt wordt, als er weer eens een norm vervaagt, een gevestigde macht sneuvelt, een waarde waardeloos wordt. Letterlijk genomen moeten we concluderen dat inderdaad niets meer heilig is, omdat niets ooit heilig was, althans niet in de kerkelijke betekenis. Niets is immers zo verheven dat het onaantastbaar, heilig is, behalve de mens zelf, en zelfs die enkel in principe, want in de praktijk is niets zo kwetsbaar als de mens, als individu of in groep, of in het algemeen, als mensheid. Seneca (Brieven aan Lucilius 95, 33) schreef, verontwaardigd over de toenmalige danig populaire ‘spelen’ van de gladiatoren: ‘Een mens, een wezen dat voor een ander mens iets heiligs moet zijn, wordt al bij wijze van spel en voor de grap gedood.’ Ook vandaag is overal ter wereld een mensenleven niet meer heilig. In La personne et le sacré schreef Simonne Weil kort voor haar dood: ‘Diep in het hart van ieder mens is er, van de wieg tot het graf, iets dat onomstotelijk verwacht dat men elke mens goed zal behandelen en geen kwaad zal doen. Dit is wat bovenal heilig is in de mens.’
Wij bepalen zelf wat wij als heilig beschouwen, en dat is almaar minder en minder. Mensen zijn geen heiligen, zegt men nu, want de volmaaktheid is niet van deze wereld; een andere wereld dan deze is er evenwel niet. Dus is niets nog heilig, en zo hoort het. Niets is absoluut ‘heilig’, omdat wij zelf bepalen wat wij als min of meer heilig beschouwen, of zouden willen dat het heilig was, ook als het dat (nog) niet is.
Zoals tal van andere woorden uit de christelijke godsdienst, zoals God, ziel, zonde, boete en vergeving, verlossing, genade, verrijzenis, hiernamaals, laatste oordeel, hemel, hel en vagevuur, is ook het woord en het begrip ‘heilig’ zo goed als verdwenen uit onze leefwereld, zonder veel erg, blijkbaar. Wat tweeduizend jaar lang heilig was, is het niet meer. Zo gaat het uiteindelijk met lege begrippen en ijdele woorden, als met kledij die men niet meer draagt: die gaan in de lappenmand. Nu er geen kerkelijk machtsapparaat meer is om heiligschennis zwaar te sanctioneren, blijkt het begrip ‘heilig’ zelf weg te eroderen, te atrofiëren. Dat bewijst dat het geen intrinsieke betekenis had, maar slechts een handige, of smerige truc was om al wat kerkelijk was te beschermen tegen alle belagers, door het een vermeende goddelijke status te verlenen. Nu ook die verzonnen God niet meer kan standhouden tegenover het gezond verstand en de rede, worden met de vele lege kerken ook de laatste heilige huisjes gesloten en gesloopt, of krijgen ze, na ontwijd te zijn, een profane in plaats van een ‘sacrale’ functie.
We kunnen het betreuren dat in onze taal veel van wat ooit verheven, belangrijk, goed en schoon was onherroepelijk verdwijnt. Niets verplicht ons echter om als we de oude gewaden afgelegd hebben in ons blootje te staan, niets weerhoudt ons ervan om de oude woorden gepast te blijven gebruiken. Spinoza gebruikte spontaan het woord ‘God’ meer dan 350 keer in zijn Ethica en weigerde consequent om atheïst genoemd te worden; Einstein geloofde in Spinoza’s God, die niets anders is dan het universum, dat we zonder enige schroom gerust heilig mogen noemen. We kunnen nog steeds spreken van het heilig vuur, van een heilige plicht, of heilige verontwaardiging, zelfs van het doel dat de middelen heiligt, of dat iets ons heilig is. Zolang we weten wat we zeggen, en woorden niet ijdel gebruiken, of te kwader trouw, zijn we geloofwaardig. Terwijl niets meer heilig is, wordt alles dat voor de mens werkelijk van waarde is, en ook weerloos (Lucebert), werkelijk heilig voor wie het goed voorheeft met zichzelf en met de anderen.


