
Waarschijnlijk behoort het tot de taboesfeer waarin de meesten van ons, senioren, opgevoed zijn, dat we niet al te veel weten over de menselijke voortplanting. Enkele momenten van welbedoelde maar nauwelijks nuttige seksuele voorlichting, noch de lessen biologie op school hebben daar veel aan verholpen, althans niet bij mij en ik vermoed zo dat ik daarin niet alleen ben. In wat volgt ga ik proberen om niet de zelfde fouten te maken. Ik zal geleerde woorden zoveel als mogelijk vermijden, praktische voorbeelden geven en ‘er geen doekjes om doen’.
Voortplanting kan je op vele manieren benaderen. Ik wil het hier eerst even hebben over de technische kant van de zaak, al zijn de consequenties veel ruimer, zoals later zal blijken.
De mens plant zich seksueel voort. Hij is daarin niet alleen, de meeste planten en dieren doen dat ook. Dat wil dus zeggen dat je twee variëteiten hebt: mannelijk en vrouwelijk, die ook uiterlijk duidelijk van elkaar (kunnen) verschillen. Bij de mens gebeurt de voortplanting door het bijeenbrengen van een mannelijke zaadcel, het sperma en een vrouwelijke eicel. Dit blijken heel bijzondere cellen te zijn. Al de cellen van ons lichaam hebben dezelfde unieke set van 46 chromosomen, of beter van 23 paren van chromosomen. Daarop zit al onze genetische informatie. Bij de productie van de zaadcel en de eicel gebeurt iets zeer eigenaardigs: in plaats van alle chromosomen te krijgen, krijgen ze maar de helft, 23 dus. Als de twee bijeenkomen, heb je terug een ‘normale’ cel, de bevruchte eicel, die weer 23 paar chromosomen heeft, dus 46. Een chromosomenpaar kan bestaan uit twee chromosomen met identieke kenmerken, het kan ook zijn dat de twee leden van het chromosomenpaar verschillen.
Dat kan zeer ingrijpende gevolgen hebben voor het individu, zie bijvoorbeeld wat ik hier schreef over het syndroom van Down op 17.06.2007. Een ander duidelijk voorbeeld: bij de mens is het 23ste chromosomenpaar bepalend voor de seksualiteit; je hebt daar een groot chromosoom, dat we X noemen en waarop veel genetische informatie zit en een klein, dat we Y noemen, met veel minder informatie. Een eicel heeft altijd een X-chromosoom, de zaadcel kan een X- of een Y-chromosoom hebben; als de zaadcel op nummer 23 een X heeft, dan is het resultaat X+X en dat zorgt uiteindelijk voor een vrouwelijk kind (vandaar dat een eicel altijd een X-chromosoom heeft). In het andere geval van X+Y krijgen we een mannelijk exemplaar en bij de celdeling die zaadcellen maakt kan je dus een X óf een Y krijgen.
Wij krijgen dus de helft van ons genetisch materiaal van onze vader en de andere helft van de moeder en dat zorgt voor een unieke combinatie. Dat heeft geleid tot systemen om via DNA-onderzoek iemands vaderschap te bewijzen of te ontkrachten, of om verdachten te laten veroordelen of vrijspreken.
Niet alle genetisch materiaal is even krachtig. Neem nu de kleur van de ogen: zwart (A) is sterker dan blauw (a). Als een pure blauwogige Zweed trouwt met een pure zwartogige Spaanse, en in de veronderstelling dat ‘puur’ echt bestaat, dan hebben hun kinderen zwarte ogen.
Niet alle genen zijn ‘goed’: er zijn er bijvoorbeeld die zorgen dat je groeit, maar er zijn er ook die maken dat er iets verkeerd gaat met dat groeiproces. De meest agressieve schadelijke genen verdwijnen vanzelf, want ze maken dat de mensen in wie ze voorkomen vroeger sterven, of minder kans maken om te overleven en zich voort te planten.
Als een schadelijk gen ook zwak is, recessief, noemt men dat en dat is het tegenovergestelde van dominant, dan gebeurt die natuurlijke uitwieding niet: de negatieve eigenschappen van het zwakke schadelijke gen worden onderdrukt door het dominante gen op het andere chromosoom. Zo blijven er schadelijke genen rondsluipen. Dat kan soms toch zeer negatieve gevolgen hebben. Stel dat een bepaald ‘slecht’ en ‘zwak’ genetisch gegeven zich bevindt op het X-chromosoom. Dat is bijvoorbeeld het geval voor kleurenblindheid. Bij vrouwen, die XX hebben, is de kans klein dat dat ‘gen’ zich op allebei hun X-chromosomen zou bevinden, want chromosomen zijn op zichzelf ook unieke combinaties van genetisch materiaal. De kans is dus veel groter dat op het andere X-chromosoom het dominant gen aanwezig is dat kleurenblindheid tegenhoudt. Maar bij mannen, die XY zijn, is dat positieve dominante gen gewoon niet aanwezig, want het komt enkel voor op het X-chromosoom en mannen hebben er maar één, dus… komt kleurenblindheid enkel bij mannen voor, net zoals de zeldzame bloedziekte hemofilie: in verscheidene koningshuizen was het genetisch materiaal daarvoor aanwezig, het werd doorgegeven door de vrouwen, maar was bij hen (meestal) recessief en dus trad de ziekte niet op, maar bij de mannen wel.
Dat brengt ons bij een ander aspect, namelijk inteelt.
Boeren en dierenliefhebbers wisten veel over erfelijke eigenschappen, al heel lang voor de Oostenrijkse monnik Gregor Mendel (1822-84) de basisregels ontdekte en opschreef; zijn inzichten zouden overigens veertig jaar lang zonder gevolg blijven, pas rond 1900 begon men het belang ervan in te zien. Zoals ik zei, boeren en andere ‘kwekers’, bijvoorbeeld duivenliefhebbers, hadden al heel lang door dat je door een goede selectie van de koppels het resultaat van de kweek kon beïnvloeden. Stel dat je witte koeien hebt en zwarte en dat je merkt dat de witte meer melk geven. Dan kweek je verder met enkel de witte, de zwarte eet je op. Of zelfs binnen een groep: met een bijzonder struise stier en een heel goede melkkoe heb je, althans volgens het gezond boerenverstand, meer kans op struise koeien die ook nog veel melk geven, en zo verder met schapen en geiten en kippen, of met duiven: Darwin zelf heeft zich daarmee zeer intensief bezig gehouden, in die mate zelfs dat toen hij zijn werk over de evolutieleer aan zijn uitgever voorlegde, een andere geleerde als advies gaf: laat hem iets schrijven over het kweken van duiven, dat zal beter verkopen, want er zijn talloze duivenliefhebbers…
Misschien wil je ook een soort ‘zuiver’ houden, bijvoorbeeld omdat je die mooi vindt; dan elimineer je alle onduidelijke exemplaren en je kweekt enkel verder met de ‘raszuivere’. Mendel werkte met erwten en slaagde erin om door kruising bepaalde kleuren te selecteren in de bloesems, zuivere of juist gemengde, of bepaalde eigenschappen van de plant, bijvoorbeeld groot of klein of veel bloemen of weinig.
Met het kweken van planten en dieren kan je zo ongeveer doen wat je wil: als het resultaat tegenvalt gooi je het weg, of je eet het op, al naar gelang. Je kan bijvoorbeeld aan inteelt doen, dat wil zeggen kweken met directe verwanten, zoals vaders en dochters, moeders en zonen &c. Zo vermijdt je dat er vreemde, ongewenste elementen binnensluipen in je kudde. Hoe komt dat? Het is heel simpel, eens dat je het door hebt. Aangezien elk seksueel wezen, of het nu een dier of een mens is, de helft van zijn genen doorgeeft aan zijn ‘kinderen’, is het genetisch materiaal van die kinderen voor 50% gelijk aan dat van zijn ouders. Idem voor broers en zusters: omdat ze hun genetisch materiaal van dezelfde ouders hebben, is het voor 50% hetzelfde. Een stap verder: nonkels en tantes, volle neefjes en nichtjes, dus de kinderen van je eigen broer of zuster, grootouders en kleinkinderen hebben voor 25 % hetzelfde materiaal, net zoals halfbroers en –zusters. Nog een stap verder: kozijnen en ‘nichten’, dat zijn de kinderen van je oom of tante (de broers en zusters van je ouders), hebben 1/8 het zelfde materiaal.
Dat heeft allerlei gevolgen voor de voortplanting, vooral bij mensen. Keren we daarvoor even terug naar onze voorbeelden van kleurenblindheid en van hemofilie: deze afwijkingen, die het gevolg zijn van zwakke genen, komen enkel naar voren indien er geen sterk gen is op het andere chromosoom van het paar; twee partners die voor de helft het zelfde genetisch materiaal hebben, zullen, statistisch gezien, een groter aantal chromosomen hebben die identiek zijn met elkaar. Daardoor wordt de invloed van schadelijke zwakke genen niet alleen niet verhinderd, maar zelfs versterkt. Dit is precies wat er gebeurd is toen de Europese koningshuizen aan inteelt gingen doen door onder elkaar te gaan trouwen. Voor de vrouwelijke leden gaf dat niet onmiddellijk problemen, maar de aanwezigheid van één persoon met het gen voor hemofilie was voldoende om talrijke, om niet te zeggen alle mannelijke leden de ziekte te doen krijgen. Zoals gezegd, dit soort van probleem lost zichzelf gedeeltelijk op doordat de mannelijke leden vaak sterven voor ze zich voortplanten.
‘Inteelt’ bij mensen is iets om te vermijden: kinderen van nauwe verwanten hebben ‘meestal’ minder overlevingskansen dan kinderen uit huwelijken met partners van buiten de familie. Maar lang voordat men dit inzag, en dat gebeurde pas heel recentelijk: kinderen stierven en sterven helaas ook nu nog vaak en vroeg, om allerlei redenen, zodat het moeilijk is de precieze reden te onderkennen; lang voor men zelfs inzag dat seksualiteit en voortplanting met elkaar te maken hadden, lang voordat men inzag dat er een vrouwelijke eicel was (de mannelijke zaadcellen zijn iets beter zichtbaar), lang dus voor men met eigen ogen kon zien dat menselijke inteelt te mijden is, zijn er in vrijwel elke ontluikende beschaving, binnen families, groepen of clans regels vastgelegd werden die seksuele omgang tussen nauwe verwanten verbieden: het incesttaboe. De schadelijke gevolgen voor de kinderen uit incestueuze verhoudingen bleef daarbij onuitgesproken, omdat die gewoon niet bekend waren. Het verbod nam de vorm aan van een mythe, een ‘goddelijke’ wet, een ‘groot verbod’, zoiets doet men niet!
Neem nu Oidipoes: wanneer zijn vader van het orakel verneemt dat zijn eigen zoon hem zal vermoorden, geeft hij het bevel om zijn zoontje Oidipoes in de wildernis achter te laten; het kind wordt gered en naar een verre stad gebracht. Wanneer het orakel daar ook hem voorspelt dat hij zijn ‘vader’ zal vermoorden en met zijn ‘moeder’ huwen, vlucht hij weg, precies naar zijn geboortestad, natuurlijk. Zich niet bewust van zijn afkomst, doodt hij de koning, zijn vader, in een gevecht en trouwt vervolgens met zijn moeder, Iokaste. Maar op de stad rust sindsdien een vloek en een ziener zegt dat Oidipoes de oorzaak is. Wanneer de ware toedracht stilaan duidelijk wordt, verhangt Iokaste zich en Oidipoes steekt zich de ogen uit met de spelden van haar kleed. Later zullen zijn beide zonen elkaar vermoorden om de heerschappij, zijn dochter Antigone zal zich verhangen omdat ze door Kreoon, de broer van Iokaste veroordeeld is om levend begraven te worden omdat ze haar broer heeft begraven tegen zijn bevelen in; haar verloofde, de zoon van Kreoon, zal daarom zijn eigen vader doden en dan zelfmoord plegen, zijn moeder zal zich verhangen… Een krachtiger signaal tegen incest met de eigen moeder kan je je moeilijk indenken. Deze mythe heeft haar wortels in het prille begin van de Griekse beschaving rond -800 en is sindsdien niet weg te denken uit onze beschaving.
Let wel: inteelt en incest zijn twee duidelijk onderscheiden begrippen. Inteelt is de voortplanting onder nauwe verwanten, incest is elk seksueel contact tussen nauwe verwanten, ook los van concrete voortplanting. In die zin kan het incestverbod ook uitgebreid zijn tot verwanten bij wie geen enkel gevaar van inteelt aanwezig is, bijvoorbeeld tussen ouders en hun adoptiekinderen of tussen stiefouders en stiefkinderen. Sommige bevolkingsgroepen hebben strengere incestregels dan andere, maar die tussen de partners met het grootste aantal identieke chromosomenparen is algemeen verspreid.
Waar komt dat algemeen verspreide incesttaboe vandaan? Wat is de diepste oorsprong van de mythe en van de verhalen en de morele of juridische regels die mensen hebben rond incest? Het is uitgesloten dat het gaat om een bewust inzicht in genetische verwantschap en erfelijkheid, want dat is pas rond 1900 duidelijk beginnen worden in onze westerse beschaving. We kunnen nog aannemen dat bij een zeer gering aantal mensen in de loop van de geschiedenis stilaan het besef gegroeid is dat menselijke inteelt risico’s met zich meebrengt, maar dat lijkt een totaal onvoldoende reden of oorzaak voor een taboe dat zo algemeen verspreid is. Bovendien kennen ook de meest primitieve stammen en de vroegste vormen van beschaving dit verbod, zonder het te verklaren op eugenetische gronden.
Misschien moeten we achteruit redeneren: als het incesttaboe zo algemeen is, dan moet dat een belangrijk element zijn in de evolutie van de menselijke stam en misschien nog ruimer dan dat. Het betekent dat mensen en dieren die om een of andere reden het incesttaboe toepassen, die met andere woorden trouwen buiten de eigen familie, meer succes hadden in de strijd voor het overleven dan zij die dat niet doen; er zijn namelijk geen overlevenden van bevolkingsgroepen die het incesttaboe stelselmatig overtraden. Er is dus wellicht ergens een stukje genetisch materiaal dat de normale seksuele aantrekkingskracht tussen man en vrouw, hét mechanisme voor de voortplanting, ernstig saboteerde in het geval van nauwe verwanten, of dat leden van buiten de eigen groep als meer aantrekkelijke natuurlijke partners deed ervaren.
We mogen daarbij niet al te mechanistisch denken: er is een gen dat incest verbiedt, dus er is geen incest. We weten dat dat zo niet is, er is wél incest. Genen bevelen niemand iets: het gaat hier om een strategie van de soort, om een zeer algemene regel die enkel een statistische realiteit is, maar dan wel een erg belangrijke.
Als we bedenken dat ook hogere diersoorten grotendeels dezelfde regels blijken toe te passen, dan moet dat gunstige genetisch materiaal al heel lang aanwezig zijn in levende wezens, lang voor enig uitgesproken bewustzijn dat het een voordeel betekende in de overlevingsstrijd of dat het negeren ervan nadelig was. Dieren, inclusief de voorouders van de mens, die in het bezit waren van die eigenschap, bleken betere overlevers te zijn dan andere soorten, die dat ‘verbod’ niet hadden. Het is daarbij merkwaardig dat zelfs de vroegste en meest exotische en primitieve specifieke bepalingen van het taboe bijna wiskundig precies de genetische verwantschapsregels volgen die pas in de twintigste eeuw duidelijk geworden zijn.
Omwille van de algemene verspreiding en het historisch gezien uitzonderlijk vroeg en universeel verschijnen van het incestverbod, gekoppeld aan de uiterste kracht waarmee het opgelegd wordt en zijn verbazende duurzaamheid tot op onze dagen, ben ik geneigd te denken dat het incestverbod zijn verre oorsprong heeft ergens in de vroegste ontwikkelingen van het leven op aarde, toen gedurende vele miljoenen jaren vele miljarden levende organismen en wezens vochten om het bestaan en daarbij gaandeweg de meest gunstige strategieën selecteerden. Toen de eerste ‘bewuste’ diersoorten ontstonden, namen ze de ‘herinnering’ mee aan een van die succesvolle strategieën, namelijk het vermijden van de nauwste verwanten bij de voortplanting, en vertaalden die, eerst in een blinde ‘gewoonte’, later in blindelings aanvaarde mythen, nog later in schuld-veroorzakende morele gedragsregels en afdwingbare en bestrafbare juridische voorschriften, tot men uiteindelijk de wetenschappelijke gronden van de erfelijkheid blootlegde in de twintigste eeuw, inzichten die voldoende moeten zijn om elke incestueuze voortplanting te vermijden.
We hebben hier te maken met twee van de meest fundamentele drijfveren van de menselijke soort. Enerzijds is er de voortplantingsdrang, anderzijds het uiterst krachtige taboe op incest. Beide zijn primaire gegevens, maar beide zijn, wat de mens betreft, ook essentiële elementen van onze beschaving, zoals moge blijken uit onze kunsten en onze wetenschappen, die de worsteling van de mens met deze primaire gegevens illustreren in al haar verschrikkelijke en heerlijke complexiteit.
Stilaan lijkt de westerse mens zich los te maken van het nefaste en onnodige taboe dat het christendom tweeduizend jaar lang op seksualiteit gelegd heeft. Stilaan groeit een dieper inzicht in onze genetische samenstelling en in de uitstekende redenen voor het incesttaboe. Maar meteen duiken nieuwe problemen op. Onze technische vooruitgang heeft een scheiding seksualiteit en voortplanting mogelijk gemaakt; ondanks pauselijke banbliksems wordt geboorteplanning door het gebruik van voorbehoedsmiddelen volop toegepast. Meteen krijgt seksualiteit een waarde op zichzelf, niet alleen los van de voortplanting, maar ook los van die andere vaste waarde in onze beschaving: het gezin. Jongeren beleven seksualiteit als een manier van verkennend omgaan met elkaar, zonder meteen aan kinderen te denken. Ouders beleven hun seksualiteit binnen het huwelijk als een volwaardig aspect van hun liefde, ook los van kinderwens. Volwassenen beleven hun seksualiteit op vele manieren, binnen en buiten het gezin, met opeenvolgende of gelijktijdige partners, van het zelfde geslacht of niet.
Op termijn moet dat aanleiding geven tot zeer complexe toestanden. Nieuw samengestelde gezinnen, pleeggezinnen, adoptiegezinnen: de relaties tussen allerlei vormen van ouders en allerlei vormen van kinderen en andere verwanten zullen de traditioneel zeer duidelijk afgebakende familiebanden grondig in de war brengen. Ik zelf leef in een gezin waarin de kinderen van mijn partner niet die van mij zijn en omgekeerd, waarin twee van de drie overlevende kinderen van mijn partner geen ‘echte’ broer en zus zijn, want twee van hen zijn geadopteerd en ook niet biologisch verwant met elkaar, en zo kan ik nog een tijdje doorgaan, alleen door in mijn naaste omgeving te kijken. Wij zien aarzelingen bij grensverleggend of –overschrijdend gedrag, bijvoorbeeld als Woody Allen tot grote woede van zijn toenmalige echtgenote, Mia Farrow, huwt met een jonge vrouw die ooit haar (en dus zijn) adoptiekind was. In onze beschaving hebben wij, om psychologische en sociale redenen, het incestverbod uitgebreid tot gevallen waarin het gevaar op negatieve genetische afwijkingen onbestaand is, bijvoorbeeld adoptiekinderen of schoon- of stiefouders en –kinderen. Voortplanting is voor de mens geen louter biologisch proces, mensen zijn geen fokdieren, onze omgang, ook de seksuele, is veel rijker dan dat. Eugenetische experimenten, zoals die van de Nazi’s, wekken enkel afschuw.
Wij hebben het verbod op procreatie met nauwe verwanten (wel erg laat…) vertaald in juridisch vastgelegde regels over het beleven van seksualiteit tussen allerlei personen. Wij moeten ons ooit de vraag stellen of de primitieve en zo lang onverwoestbare genetische gronden voor het incesttaboe bruikbaar zullen blijven voor het regelen van de moderne menselijke samenleving. Indien zou blijken dat bevolkingsgroepen of individuen die het doorbreken daarvoor niet meer zouden gestraft worden, niet door de goden, niet door God, niet door een ‘minderwaardige’ kroost, dan zal onze beschaving andere gronden moeten gebruiken om het menselijk seksueel verkeer te regelen. De oude mythen kennen we alleen nog bij naam, we hebben meestal geen idee wat er in staat en nog minder wat ze betekenen. ‘De wetgever’ ziet zich voortdurend voor nieuwe uitdagingen geplaatst, zowel wat het begin van het leven betreft als het einde ervan en recentelijk ook over het samenleven van bijvoorbeeld homoseksuele personen en hun ‘rechten’ om samen kinderen te ‘hebben’. Politici en hun adviserende specialisten en experten en hun ondersteunende drukkingsgroepen zoeken naar grootste gemene delers en aanvaardbare politieke compromissen, zonder zich veel om principes te bekommeren.
Terwijl sommigen enkel heil zien in een wanhopige terugkeer naar de oude waarden, zonder goed te weten wat die waren, zijn anderen bereid om de nieuwe uitdagingen aan te gaan en als bewuste mensen samen te zoeken naar het geluk, waar dat ook moge liggen. Nog nooit hebben er zoveel mensen op deze planeet geleefd, nog nooit is het algemene beschavingspeil zo hoog geweest. Wij mensen kunnen er iets van maken, zonder de goden en de demonen van weleer, als we ons maar laten leiden door de liefde voor elkaar en voor onze wereld.