Naar de inhoud

Kroniek

mijn blik op de wereld /span>
akke.beakke.be
Welkom op mijn blog, mijn eigen website en dank voor je bezoek. Ik hoop dat je iets vindt naar je zin.
Vrij vaak zijn er nieuwe berichten, dus kom nog eens terug? Bedenkingen? Stuur me een mailtje: karel.d.huyvetters@telenet.be

Mening en misleiding

Mening en misleiding

Toegegeven, het is vandaag de dag niet simpel om het hoofd koel te houden, en de naald van het morele kompas stabiel. Iedereen heeft een mening en maakt gretig gebruik van de vrijheid die ons — vooralsnog — vergund is om die te uiten, zelfs op gewelddadige wijze. Opinies verdelen ons onverbiddelijk, ook als we dat niet willen, en dus zijn bepaalde onderwerpen, en niet de minst belangrijke, ongemakkelijke taboes in gesprekken onder collegae, kennissen, vrienden en familieleden.

Ik zal het daarom niet hebben over een of meer van die hete hangijzers; terzijde: de aloude uitdrukking verwijst naar het haardijzer waaraan potten opgehangen werden, of naar handijzers, gloeiende staven in gebruik bij de vuurproef, een vast onderdeel van de vroege ‘justitie’. Niet dat ik geen mening heb over bijvoorbeeld de Vlaamse, de Belgische, de Europese of zelfs de Amerikaanse begroting, over de Palestijnse of de Joodse kwestie, over woke, godsdiensten, onze hedendaagse rechtspraak, druggebruik of verkeersveiligheid, om slechts die te noemen; maar omdat het ventileren van mijn mening daarover slechts een onbeduidende stem zou zijn in het zo al dissonante koor, en zo alleen maar zou bijdragen tot het probleem, veeleer dan tot een oplossing, of zelfs maar tot een daling van de decibelpieken.

Wat me stilaan — op mijn tachtigste weliswaar — opvalt, is dat (sommige, vele, de meeste?) mensen blijkbaar behoefte hebben aan een Mening. Blijkbaar is het voor hen niet voldoende om meningen te hebben over verscheidene zaken: er moet één mening zijn die vooropstaat, één vlag waaronder men zich schaart, een zaak waarvoor men zich inzet. En niet zomaar een vlag of een zaak. Het moet om iets belangrijks gaan, nog het liefst om iets van levensbelang, voor onszelf en/of voor anderen. En anderen moeten zich ook daarvoor inzetten, het liefst veel anderen, en ook de media moeten ermee begaan zijn. Er moeten herkenbare tekenen zijn: vlaggen, sjaals, hesjes, kleren in een bepaalde kleur, buttons, pins… En slogans die men kan scanderen en op pancarten kan meedragen en op muren kan spuiten.

De inhoud van datgene waarvoor men zich inzet, is daarentegen van veel minder belang. Dat blijkt uit het feit dat er voor zaken zowel voor- als tegenstanders zijn. Het maakt ook niet veel uit of men tot een minder- of meerderheid behoort, hoewel het comfortabeler is als de minderheid niet al te klein is. Maar precies daar vindt men de meest fervente en rabiate aanhangers.

Men zou dus kunnen stellen dat de oorzaak van de polarisatie niet te vinden is in de tegengestelde meningen die men voorstaat, maar in de behoefte die (sommige, vele, de meeste?) mensen hebben om een mening te hebben en die ook te uiten.

Personen die nog nooit iemand met een andere huidskleur van nabij gezien hebben, laat staan ermee gesproken, hebben desondanks een meer uitgesproken mening over dergelijke personen. Personen die nooit in de file staan, laten niet na zich erover te beklagen. Mensen die werkelijk niets tekortkomen, spreken schande van sociale en/of witteboordenfraude. Ongehinderd door enige kennis van zaken spreekt men zich uit voor of tegen om het even welke aangelegenheid, hoe complex ook. Wij denken dat we gelijk hebben, dat we het beter weten, dat we ons voorbeeldig gezond verstand gebruiken, dat we voortgaan op ons gedegen inzicht en ons terechte individueel oordeel.

Het gevaar op misleiding is echter groot. Heel groot. Ik heb het gelukkig niet meegemaakt, maar ik moet vaak denken aan het nazisme in Duitsland. Heel veel gewone Duitse mensen waren toen blijkbaar overtuigd dat het nazisme het goed voorhad met hen en met het land, en zelfs met de hele wereld. Wij weten nu enigszins hoe het zo ver heeft kunnen komen: door de propaganda, de indoctrinatie, de intimidatie en het geweld van het overheidsapparaat. Ook vandaag nog gebeurt dat in tal van landen, en niet de geringste. De media, alle media, spelen een onvoorstelbaar grote rol in de opinievorming, zonder dat wij ons daarvan terdege bewust zijn. Wat wij weten, of menen te weten, wordt in feite grotendeels bepaald door anderen. Wij zijn met meer dan acht miljard mensen, en als je het globaal bekijkt, zijn we veeleer schapen in een kudde dan lone wolves. We lopen gemakkelijker pijpende rattenvangers achterna dan we tegen de stroom ingaan. We geloven zomaar dat er geen rook is zonder vuur (figuurlijk dan, natuurlijk). We trappen zonder veel aarzeling in de val van massahysterie of publieke verontwaardiging. We vertrouwen te veel op ons hooguit precair rechtvaardigheidsgevoel. We verwarren vermeend en vermoedelijk. We kiezen vlot voor de lectio facilior, het meest voor de hand liggende, datgene wat het best past in ons kraam. We nemen zelden de tijd en doen nauwelijks moeite om ernstige vragen te stellen bij wat men ons probeert wijs te maken, of om iets onbevooroordeeld van verscheidene kanten te bekijken, of stil te staan bij de complexiteit van kwesties, een complexiteit die onze intellectuele en emotionele mogelijkheden heel vaak ruimschoots overschrijdt.

Dat is nu eenmaal zo. Het is altijd zo geweest, en zal allicht altijd zo blijven. Het is des mensen; wij zullen het niet meteen kunnen oplossen. Onder die omstandigheden zouden we ten minste één conclusie moeten trekken: onze eigen mening, die overigens nauwelijks eigen genoemd kan worden, doet er al bij al niet erg veel toe, en het is zeker vermetel om op grond daarvan andere, even arbitraire meningen te verwerpen, laat staan ze te verbieden.

Dat betekent echter niet dat we die andere meningen niet kritisch mogen onderzoeken, op voorwaarde althans dat we bereid zijn om even kritisch te staan tegenover onze eigen mening. De waarheid ontspringt uit de botsing van ideeën, maar toch liever uit open dialoog.

Daarnaast horen we te beseffen dat we door ons al te krachtdadig te profileren en zelfs gewelddadig uiting te geven aan onze al dan niet terechte en eigen mening, anderen kunnen intimideren en provoceren. Het begint misschien met goedbedoelde symbolen, maar voor we het weten staan we tegenover elkaar op barricades, onder eigen vlag — of een geleende, maar met dezelfde dodelijke wapens.

En zo ver zou het nooit meer mogen komen. Echt niet.

Stuur door

Fagot

Fagot

Onlangs maakte ik kennis met iemand met een verrassende familienaam: Fagot. Voor een melomaan is dat weliswaar geen onbekende zaaknaam, maar als familienaam? Ik althans had er nog nooit van gehoord, en de naamdrager die ik ontmoette, gaf zelf ook aan dat het een ongebruikelijke naam was.

Op dat ogenblik deed zich iets voor dat voor mij evident is, maar blijkbaar niet voor iedereen. De spontane verwondering zet me onverwijld aan tot nadenken en opzoekingswerk. Ik wil meteen weten hoe de naam van een muziekinstrument ook als familienaam gebruikt wordt. Het is een hebbelijkheid geworden, een vaste gewoonte. Ik verwonder me over alles, ben uitermate nieuwsgierig, en zeer vasthoudend in het napluizen van informatie. (Zie daarover deze tekst over ‘the unexamined life’ https://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/392-socrates-ironie )

Mijn hele leven lang heb ik daartoe materiaal verzameld, duizenden boeken, waaronder honderden encyclopedieën, woordenboeken en naslagwerken. Sinds we het internet hebben, en vooral sinds we ook zoekmachines hebben, en dan speciaal Google, zijn de mogelijkheden enorm uitgebreid. Met AI gaan we een stap verder, maar nu duiken er onverwachte caveats op. Zie mijn desbetreffende blogtekst: https://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/2720642-ai .

Er zijn — ten minste — twee mogelijke verklaringen.

Enerzijds is er de Franse uitleg, die vertrekt van het oud-Franse woord voor takkenbos: fagot, en dan is het een beroepsnaam, zoals D’huyvetters trouwens. De overgrote meerderheid van de Fagots komt inderdaad voor in Frankrijk: meer dan 4.000 geboorten met die naam in de 20ste eeuw. In België zijn er ongeveer 200 naamdragers.

Merkwaardig is anderzijds ten minste één geval van een andere uitleg, die ik met enige moeite vond via Google en ChatGPT.

“Amandus Fagot komt voor in de Brabantse genealogie. Lokale geschiedkundige publicaties (waaronder heemkundige bijdragen over de parochie Korbeek-Dijle en over vondelingen in de regio) beschrijven zijn dossier: Amandus werd op 3 februari 1814 als vondeling binnengebracht in Leuven. Zijn geboorteakte werd blijkbaar in het Frans opgesteld. Omdat zijn ouders onbekend waren, kreeg hij de speciaal door de ambtenaren bedachte achternaam Fagot. Het Leuvense armenbestuur (de Burgerlijke Godshuizen) heeft de vondeling vervolgens uitbesteed aan een gezin in Korbeek-Dijle, eerst bij de familie Berthels en later bij Ludovicus Pelgrims). Hij werd in het dorp "Mandus" genoemd. Op 30-jarige leeftijd is Amandus in Korbeek-Dijle getrouwd met Elisabeth Moris (ook geschreven als Maris). Hij is er in 1874 overleden.”

Terzijde: deze informatie kreeg ik van de AI van Google. Toen ik navraag deed of dat geen verzinsels waren, kreeg ik de gebruikelijke bekentenis en verontschuldiging. Maar in het antwoord stonden ook verwijzingen, en toen ik die nakeek, bleek die informatie toch te kloppen. Toen ik dat vervolgens voorlegde aan AI, kreeg ik weer de bekentenis en verontschuldiging: de vorige was verzonnen. En zo verder in aeternum? Als je om een retractie vraagt, krijg je er een, blijkbaar, wat de feiten ook zijn. Ach, AI…

Vondelingen hadden geen bekende ouders, en dus moest er een naam gegeven worden door de ambtenaar van de burgerlijke stand. Dat mochten in principe geen bestaande namen zijn, om verwarring met concrete families te vermijden. Vandaar dat er ongebruikelijke familienamen gegeven werden, soms met verwijzing naar concrete omstandigheden, zoals Cloosterin voor een vondeling die bij een klooster werd achtergelaten, vaak bij de Zwarte of Grauwe Zusters; zo ook Van der Stoep, Poortman, Van de Kerke, Kerckhof, Steegmans, Brugman, Bankaert. Maar ook Eersteling (nieuwjaar), Zondag of een andere dag van de week, of van de maand, zoals November; De Winter, Kleine, Witrok, of Afschrift, naar de geboorteakte zelf.

Fagot past echter niet in die context, althans niet in het Nederlands, want het was niet gebruikelijk om vondelingen muzikale namen te geven (hoewel AI me dat probeerde wijs te maken, met een heel orkest aan verzonnen muzikale vondelingennamen, geordend per week naar koper- en houtblazers, strijkinstrumenten, slagwerk…; de verbeelding van AI is soms spectaculair en vermakelijk, maar daarom niet minder ergerlijk).

Wat wel voorkwam, is dat de ambtenaar een willekeurige naam haalde uit een Frans woordenboek — fagot voor takkenbos, misschien omdat het kind bij of onder een takkenbos was aangetroffen — of uit een lijst van Franse familienamen. In ons voorbeeld zijn we in 1814, en stond de administratie onder Franse invloed. Fagot was dan een goede keuze, aangezien die naam althans in Vlaanderen ongebruikelijk was in beide opzichten.

Heden ten dage kennen we fagot enkel nog als het muziekinstrument, en associëren we de familienaam Fagot dus spontaan daarmee, maar blijkbaar etymologisch ten onrechte, omdat we de oorspronkelijke betekenis niet meer kennen. Wellicht ligt die eerste betekenis nochtans aan de oorsprong van de naam van het best wel vreemde muziekinstrument. Dat bestaat immers uit een lange luchtpijp, in twee parallelle houten kokers die onderaan met elkaar verbonden zijn, samen 2,5 tot 2,8 meter lang. Via de Latijnse, Italiaanse en Franse woorden voor takkenbos zou zo het imposante en sonore instrument aan zijn naam kunnen zijn gekomen.

Over het zeer menselijke verschijnsel van kinderverlating in West-Europa, van de late oudheid tot de Renaissance, kan ik het uitzonderlijk rijk gedocumenteerde, wetenschappelijke maar tegelijk aangrijpende en onthutsende werk van John Boswell ten zeerste aanraden: The Kindness of Strangers (1988). Dat zou verplichte lectuur moeten zijn voor iedereen die inzicht wil in onze familierelaties en in ons menszijn tout court.

 

Stuur door

En andermaal kraaide de haan.

En andermaal kraaide de haan…

Het is nu niet echt het moment om uit te weiden over het passieverhaal van Jezus van Nazareth zoals dat in de vier evangelies staat. Onlangs viel mijn oog op een boek van Karlheinz Deschner in mijn bibliotheek, Abermals krähte der Hahn (1962). Ik wou mijn herinnering aan die perikoop, over Petrus die Jezus verloochent, even opfrissen aan de hand van de tekst zelf.

Het verhaal gaat als volgt.

Na het laatste avondmaal gaat Jezus met de leerlingen naar de berg van Olijven. Daar waarschuwt hij hen dat ze hem die nacht zullen verloochenen. Ze protesteren, en vooral Petrus verzekert hem dat hij althans hem nooit zal verloochenen. Jezus antwoordt hem dat hij hem deze nacht tot driemaal toe zal verloochenen nog voor er een haan kraait, bij Marcus voor de haan tweemaal kraait. (Mt 26:34; Mc 14:30; Lk 22:34; Joh 13:38). Het Griekse werkwoord dat daar gebruikt wordt, skandalizo, betekent letterlijk iemand een struikelblok (skandalon) in de weg leggen, doen struikelen; iemand tegen iets doen aanstoten, doen vallen, of afvallig doen worden, zoals hier door te loochenen; in het passief wordt dat dan: aan het struikelen of ten val gebracht worden door iemand. Jezus voorspelt dat hij een struikelblok, een steen des aanstoots zal worden voor zijn leerlingen, zodat ze hem verloochenen om hun eigen hachje te redden.

Later, wanneer Jezus gevangengehouden wordt door de hogepriester, houdt Petrus zich op in de binnenplaats, en ontkent daar tot driemaal toe dat hij iets te maken heeft met Jezus. En terstond kraaide een haan (tweemaal volgens Marcus). (Mt 26:69–75; Mc 14:66–72; Lk 22:54–62; Joh 18:15–18 + 18:25–27)

Er is echter heel wat aan te merken op de teksten. Bij Lucas en Johannes gebeurt de voorzegging al tijdens het laatste avondmaal, niet op de Olijfberg. Bij Marcus staat ‘voor de haan tweemaal kraait’; in de drie andere evangelies ‘voor een/de haan kraait’. Maar in enkele belangrijke manuscripten staat er ook bij Marcus geen ‘tweemaal’. Ik bedoel: als ze het er nog niet over eens kunnen worden hoeveel keer de haan moest kraaien… Er zijn nog talrijke andere discrepanties, onder meer in de volgorde waarin de teksten voorkomen, en in de bewoordingen. Zo vinden we enkel bij Lucas dat Jezus zich bij het hanengekraai omkeerde en Petrus aankeek, waarop Petrus zich de voorspelling herinnerde, en — al dan niet bitter — weende.

Het is precies over het kraaien van die haan dat ik het hier wil hebben.

Dat sprekende onderdeel van het passieverhaal hebben we altijd gelezen als een voorspelling die Jezus doet, namelijk dat zijn leerlingen zullen vluchten als de meester uitgeschakeld wordt, zoals in het citaat uit Zacharias (13, 7) over de herder en zijn schapen dat hij aanhaalt. En tevens dat ze hem allen zullen verloochenen, inzonderheid Petrus, tot driemaal toe, die hem nochtans verzekert dat hij nog liever zal sterven met hem dan hem te verloochenen. En Jezus voegt eraan toe: dat zal vandaag nog gebeuren, deze nacht nog, voor de haan kraait. Verderop lezen we dan het vervolg, waarin de voorspelling uitkomt: Petrus ontkent onder ede (Mt) en met vloeken en zweren (Mc) dat hij bij Jezus hoort of hem zelfs maar kent. En ‘aanstonds, of terstond, kraaide een haan’. Bij Marcus kraait er in sommige versies al een haan na zijn eerste ontkenning, en kraait die voor een tweede keer na zijn derde loochening.

Jezus voorspelde dus precies wat er zou gebeuren, tot in het kleinste detail: de verloochening, ondanks alle beloften van trouw, deze nacht nog, door Petrus tot driemaal toe, en het kraaien van de haan. Een profetische uitspraak die in vervulling gaat, en daarmee een bewijs van de goddelijke voorkennis van Jezus.

Maar is dat wel zo? Het citaat van Zacharias over de schapen die verstrooid worden als de herder er niet meer is, bewijst dat het geen heel vergezochte mogelijkheid is die hier voorspeld wordt. Elke leidinggevende weet dat men zich niet kan verlaten op de onvoorwaardelijke trouw van volgelingen. In de nood kent men zijn vrienden. Dat Petrus dat tot driemaal toe zou doen, lijkt te beantwoorden aan een vast literair patroon waarin driemaal herhalen een cliché geworden is. En dan het kraaien van de haan. In de tekst lijkt het wel alsof de haan daar in de buurt gewacht heeft om te kraaien tot Petrus Jezus verloochend heeft, zodat de voorspelling bewaarheid kan worden. In feite beginnen hanen —herhaaldelijk! — te kraaien bij dageraad (hoewel ook veel vroeger, in mijn ervaring), zeker in de literatuur, daarvan zijn talloze voorbeelden in teksten uit de oudheid, en nog meer daarna. Nog voor de haan kraait betekent hier dan niets meer dan: nog voor deze nacht voorbij is.

Waarom kraait hij tweemaal bij Marcus? Het is vooreerst niet eens zeker dat hij dat werkelijk doet. Het eerste gekraai ( Mc 14, 68) is op zijn minst tekstueel onzeker en betwist, en ook ‘voor een tweede maal’ (dis, iterum) komt in belangrijke manuscripten, zoals de gezaghebbende Codex Sinaiticus, niet eens voor bij Marcus (Mc 14, 72). Het maakt ook niet uit: als Jezus zegt dat er nog geen haan gekraaid zal hebben, eenmaal of tweemaal, voor Petrus hem driemaal zal verloochend hebben, bedoelt hij gewoon dat het zelfs heel binnenkort zal gebeuren, nog voor de nacht voorbij is. Wellicht is tweemaal kraaien gevormd naar analogie met driemaal verloochenen. In mijn eigen herinnering, dus voordat ik de teksten erop nasloeg, aarzelde ik tussen tweemaal en driemaal kraaien; andermaal betekent immers nogmaals, dus ook een derde keer, en niet noodzakelijk de tweede keer. Het gekraai heeft evenwel niets wonderlijks, dat is wat (literaire) hanen nu eenmaal doen bij het ochtendgloren, al zolang er hanen zijn, en mensen om het te horen — helaas, vaak: het kraaien van de haan kondigt in de literatuur ook het einde van een liefdesnacht aan, een signaal dat het tijd is voor de verboden geliefden om afscheid te nemen van elkaar.

We hebben hier te maken met een tekst die belangrijke verschillen vertoont in de vier versies van de evangelies, en die de literaire vorm heeft van een profetie door een meer dan menselijke persoon, en die letterlijk in vervulling gaat. Dergelijke voorspellingen zijn inderdaad een typische literaire kunstgreep die we vooral in religieuze teksten vinden: men vertrekt van een feit waarover weinig discussie kan zijn, bijvoorbeeld dat Petrus zich uit de slag trekt door te ontkennen dat hij een leerling van Jezus is wanneer die gevangengenomen is door de hogepriester. Daaraan laat men dan in de tekst een voorspelling voorafgaan van dat toekomstige feit, met een bijzonder teken om te bewijzen dat het wel degelijk een wonderlijke voorzegging is, in dit geval het kraaien van een haan. Het is een van de vele geslaagde literaire vondsten in het passieverhaal, zoals dat in de loop der tijd geweven is rond het lijden en de dood van de figuur van de gezalfde, in het Hebreeuws Messias, in het Grieks Christos. Verhalen over dergelijke figuren vinden we overal terug in de oudheid, met talrijke opvallende gelijkenissen, zowel in de Joodse Bijbel als in andere tradities uit het Midden-Oosten en Griekenland.

Ik zal niet ontkennen dat het passieverhaal op mij altijd al grote indruk heeft gemaakt. Tijdens mijn jeugd ben ik er talloze keren mee geconfronteerd op alle mogelijke manieren, en ook nadien heeft het in artistieke vorm, zoals de passies van Bach en anderen, nog lang gevoelige snaren geraakt. Maar stilaan heb ik ook daarvan afscheid genomen. De muziek van Bach wordt voor mij ontsierd door de melige toegevoegde teksten en door het verhaal zelf. De bewoordingen van de toegevoegde teksten zijn vaak ronduit ridicuul, en het verhaal spreekt me alleen nog aan als de tragische ondergang van een mens die valselijk beschuldigd wordt, zonder enige religieuze context van verlossing, opstanding, eeuwig leven, goddelijkheid of wat dan ook. Deze analyse van een van de wonderverhalen over Jezus en zijn apostelen, de haan van Petrus, zoals we het kennen uit het passieverhaal, bevestigt me in mijn overtuiging dat we in de evangelies te maken hebben met literaire creaties, niet met een historische relaas, en al zeker niet met goddelijke openbaringen. Q.E.D.

 

Stuur door

Paulus?

Paulus

Als kind leerden we Paulus kennen door de verplichte dagelijkse mis op school; zijn ‘Brieven’ zijn een vast onderdeel van de eucharistieviering, beter bekend als het epistel, van het Griekse woord voor brief. Ook in de godsdienstles kwam hij voortdurend ter sprake, zeker in de humaniora. Daar werden zijn omzwervingen uitvoerig en tot in het kleinste detail gevolgd en toegelicht. Ik herinner me een examenvraag daarover, naar een bepaalde plaats die ik op de kaart van het Middellandse-zeegebied moesten situeren. Ik had geen idee, en dus sloot ik de ogen en plaatste mijn vulpen (toen verplicht schrijfgerief) op goed geluk af op de blinde kaart; helaas was dat midden in de zee. Geen wonder dat ik het niet wist, trouwens: ik had aan de jonge priester-godsdienstleraar gezegd dat ik niet (meer) geloofde, en was tot mijn eigen verbazing door hem ‘vrijgesteld’ — tijdelijk, weliswaar —van het luisteren tijdens zijn lessen! Hoe dan ook heb ik van die eerste kennismaking met de figuur van Paulus geen snars begrepen en niets onthouden. De misteksten van het epistel, fragmenten uit de Brieven, waren voor jonge knapen onbegrijpelijk, zeker in het Latijn waarin ze voorgelezen werden.

Ik heb me nadien af en toe verdiept in de mythische christelijke figuur van Paulus, en er ook overgeschreven op mijn website. Ik noem het een mythische figuur, zoals we ook Zeus en Prometheus en Osiris mythisch noemen, hoewel ze voor de mensen van toen cultureel en religieus zeer reëel waren: de godsdienst van de enen is de mythologie van de anderen. Voor mij is werkelijk mythisch, een product van de verbeelding en de overlevering. Er zijn immers geen onafhankelijke historische bronnen die zijn bestaan bevestigen. Hij wordt enkel vermeld als de auteur in de brieven die aan hem toegeschreven worden, en in de Handelingen van de apostelen, eveneens een uitsluitend christelijke bron.

Van de dertien zogenaamd Paulinische brieven zijn er zeven waarover men het onder christelijke theologen over het algemeen eens is dat ze grote taalkundige, stilistische en inhoudelijke overeenkomsten vertonen. Dat betekent echter nog niet dat ze aan een en dezelfde auteur toegeschreven kunnen worden. Er zijn geen autografen van Paulus, men veronderstelt zelfs dat die er nooit geweest zijn, en dat de teksten ooit gedicteerd zijn door een of meer personen, wellicht op basis van eerdere teksten die in vroegchristelijke kringen circuleerden.

De zes andere wijken daarvan in meerdere of mindere mate af, zodat men aanneemt dat ze in een andere omgeving ontstaan zijn.

Maar het geheel van de brieven vertoont de typische kenmerken van een corpus van pseudonieme, literaire brieven uit die tijd, die in de vorm van echte brieven van een mythische figuur aan een concrete of fictieve persoon of gemeenschap, om die teksten een zweem van historische realiteit te geven, en zo hun geloofwaardigheid en prestige te verhogen. Paulus is dus een verzonnen figuur, misschien losjes gebaseerd op een of meer historische figuren uit het vroege christendom. De teksten zouden tot stand gekomen zijn in het midden van de tweede eeuw, veeleer dan de veel vroegere data die de christelijke traditie hanteert, de periode van 50 tot 60 van onze tijdrekening voor de zeven zogenaamd authentieke brieven, de periode van 70 tot 110 voor de andere. Die kritische, sceptische bestudering van de Paulinische literatuur vinden we al terug bij Bruno Bauer (1809-1882), die ronduit wantrouwig stond tegenover hun historische betrouwbaarheid, en veeleer hun literaire vorm en betekenis benadrukte. In Nederland waren het in de late 19de en de vroege 20ste eeuw radicale figuren als A.D. Loman († 1897), W.C. van Manen † 1905), Allard Pierson († 1896) en later G.A. van den Bergh van Eysinga († 1957) die daarop voortbouwden, naast de Zwitserse exegeet R. Steck († 1924).

In een recent boek, The Letters of Paul in Their Roman Literary Context: Reassessing Apostolic Authorship. Cambridge University Press; 2024, sluit Nina Livesey (University of Oklahoma) daarbij aan, en gaat nog veel verder. ‘In het tweede hoofdstuk stelt ze de historiciteit van Paulus en van de gemeenschappen waaraan de brieven van Paulus gericht zijn ter discussie, en betwist de waarschijnlijkheid dat de brieven werkelijk authentieke correspondentie zijn. Hoewel de wetenschap uitgaat van het auteurschap van Paulus voor de zogenaamde ‘authentieke’ brieven, bestaat er, afgezien van bijbelse of op de Bijbel gelijkende bronnen, geen enkel bewijs voor de historische Paulus. Ook de opvatting dat de historische Paulus actief was in het midden van de eerste eeuw, is grotendeels een voorstelling die we aantreffen in Handelingen en de brieven van Paulus. Evenzo ontbreekt er duidelijk archeologisch bewijs voor het bestaan van antieke gemeenschappen die met Paulus verbonden waren. Het hoofdstuk betoogt dat interne verwijzingen naar gemeenschappen in huiselijke contexten binnen bekende geografische gebieden het best retorisch en niet historisch kunnen worden geïnterpreteerd. Wanneer de brieven als één geheel worden gelezen, functioneren de ver van elkaar gelegen gebieden effectief als middel om de verre verspreiding van de boodschap naar belangrijke gebieden te symboliseren. Het ontbreken van bewaard gebleven bewijsmateriaal voor, en verwijzingen naar, de brieven van Paulus als een samenhangende verzameling — zoals men bij authentieke correspondentie zou verwachten — werpt twijfel op hun status als authentieke correspondentie. Bovendien wijzen verwijzingen naar de brieven van Paulus in latere bronnen op een datering van de verzameling in het midden van de tweede eeuw. Deze gecombineerde argumenten ondersteunen de these dat de brieven vanaf het begin pseudoniem en fictief waren.’ (CUP).

Een van de eerste verzamelingen van de brieven van Paulus is het Apostolikon van Marcion van Sinope (? 85-160). Het bekende probleem met deze en dergelijke figuren is dat niets van hun geschriften bewaard is, en dat we over hen en over hun opvattingen alleen veel latere teksten hebben van hun tegenstanders. En zo blijven we bezig. Paulus, zijn reizen, de christelijke gemeenschappen die hij zogezegd gesticht heeft, en zijn geschriften zijn een latere constructie, misschien van Marcion, die op zijn beurt mogelijks een later verzinsel is van weer andere auteurs, van wie we evenmin betrouwbare teksten hebben: Justin Martyr (ca. 100 – ca. 165) — noemt Marcion rond 150–160; Irenaeus van Lyon (ca. 130 – ca. 202) — Adversus haereses, ca. 180; Tertullianus (ca. 155 – ca. 220) — Adversus Marcionem, ca. 207–208; Hippolytus van Rome (ca. 170 – ca. 235) — schreef eveneens tegen Marcion; Clemens van Alexandrië (ca. 150 – ca. 215) — verwijst naar Marcion en marcionitische opvattingen; Origenes (ca. 185 – ca. 253) — bespreekt Marcion in verschillende werken. Epiphanius van Salamis (ca. 315 – 403) — Panarion, hoofdstuk 42, vierde eeuw, belangrijk voor de reconstructie van Marcionteksten. De eerste manuscripten van deze auteurs dateren uit de 8ste en 9de eeuw, of nog (veel) later. Het gaat dus allemaal om reconstructies van reconstructies van reconstructies, en kopieën van kopieën van kopieën, zodat we over de vermeende oorspronkelijke teksten vrijwel niets met enige zekerheid kunnen zeggen.

Dat heeft vanzelfsprekend verregaande gevolgen voor het gezagsargument van het Nieuwe Testament, en in dit geval de Paulinische literatuur, als het Woord van God. Men kan Paulus bezwaarlijk als een gezagsargument gebruiken als men geen enkel historisch bewijs heeft van zijn bestaan, noch van zijn auteurschap van de teksten die aan hem toegeschreven zijn.

Dat is een heel ander beeld van Paulus dan dat van de christelijke auteurs sinds de oudheid tot op de dag van vandaag. Daar ligt het onderscheid en de tegenstelling tussen wetenschappelijk onderzoek enerzijds en geloof, theologie en verkondiging anderzijds. In het eerste geval probeert men de waarheid te achterhalen, wat ook de mogelijke consequenties zijn. In het andere geval gelooft men wat anderen zeggen, en neemt dat als onomstotelijke door God geopenbaarde waarheid aan. Ik betwist niemands recht om te geloven, maar ik behoud me het recht voor om te twijfelen aan wat ze geloven, en vaak ook aan hun geloof.

Stuur door

Procentpunten?

Procent en procentpunt.

Al jaren vraag ik me af wat men bedoelt met procentpunt, en wat het verschil is met procent. In het journaal, de nieuwsberichten heeft men het vaak over een stijging of daling, bijvoorbeeld in de populariteit van politici, of van politieke partijen. Tot nog toe nam ik aan dat ‘procentpunt’ een pedante manier van spreken was om over procenten te spreken, maar in een ‘conversatie’ met een AI-programma over studentenaantallen aan de universiteit (zie hieronder) bleek dat er wel degelijk een verschil is tussen procenten en procentpunten. Als ik het verschil niet ken, dan leert de ervaring me dat er nog wel meer mensen in dat geval zijn. En nu ik het heb nagevlooid, kan ik mijn medemensen misschien een bescheiden dienst bewijzen door het kort uit te leggen.

Laten we vertrekken van een voorbeeld. De uitslag van een partij wordt uitgedrukt in procenten, bijvoorbeeld 30 %. Als die na een enquête terugvalt op 20 %, is het verschil tussen die twee percentages isnatuurlijk 10. Maar is dat wiskundig gezien ook een achteruitgang van 10 procent?

Daar begint de moeilijkheid. In het eerste geval, 30 % tegenover 20 %, hebben we het over het aandeel dat die partij heeft in het geheel, en dat is wel degelijk gedaald met ‘10’. Welnu, om dat verschil in berekening aan te duiden, heeft men de term procentpunt bedacht. Dat gebeurde eerst in de Engelstalige financiële verslaggeving, ergens in de eerste helft van de 20ste eeuw, later meer algemeen, in het Nederlands waarschijnlijk in het laatste kwart van de 20ste eeuw. Maar hoeveel procent is die daling relatief? Dat hangt af van het oorspronkelijke aandeel: 10 is een derde van 30, dus 33,3 %.

Een bijkomende moeilijkheid met dat verschil van 10 tussen de twee percentages is dat een vermindering met 10 % strikt genomen betekent dat je er 10 % moet van aftrekken. Tien procent korting op iets van € 30 betekent dat het nu € 27 kost, tien procent van 30 is niet 10, maar 3. Het lijkt dan alsof een daling van 10 % op 30 % een daling van slechts 3 procentpunten zou betekenen. Maar hier verwarren we twee verschillende zaken: 10 % van 30 % is inderdaad 3 %, terwijl het verschil tussen 30 % en 20 % tien procentpunten bedraagt. Die tien is echter zelf geen percentage, maar een verschil tussen twee percentages, en dat drukt men precies om verwarring te voorkomen uit in procentpunten, niet in procenten.

Alleen als de partij van 30 % naar 27 % gedaald is, met drie procentpunten, is dat wel degelijk een 10 % daling tegenover de eerdere 30 %. Zo valt het verschil tussen procenten en procentpunten goed op. Wellicht is het daarom dat men bij de verslaggeving over de verkiezingen de stijging en de daling steeds uitdrukt in procentpunten, en het aandeel van de partijen in het geheel in procenten.

Om van procentpunten naar procenten te gaan, deel je het verschil door het oorspronkelijke percentage en vermenigvuldig je met 100.

Bij 30 % → 20 % geeft dat 10 ÷ 30 × 100 = 33,3 %.

Omgekeerd: om van procenten naar procentpunten te gaan, vermenigvuldig je het oorspronkelijke percentage met de procentuele verandering.

Bij 30 % met 10 % daling geeft dat 30 × 10 ÷ 100 = 3 procentpunten.

Van 30 % naar 20 % is dus een daling van 10 procentpunten, maar een relatieve daling van 33,3 %.

Belangrijk om te onthouden: procenten geven het aandeel aan in een geheel. Procentpunten geven het verschil aan tussen twee percentages.

Ik neem aan dat mensen met een wiskundeknobbel het hiermee aanzienlijk minder moeilijk hebben dan ik.

 

Stuur door

Studeren aan de universiteit 1965 -2025

Studeren aan de universiteit 1965 - 2025

Sinds 1965, het jaar dat ik als eerste van onze familie naar de universiteit trok, is het Vlaamse universitaire landschap ingrijpend veranderd. Het aantal jongeren van 18 tot 24 jaar is sindsdien met ongeveer 8% toegenomen. Tegelijk is hun aandeel in de totale bevolking licht gedaald, wat de vergrijzing weerspiegelt.

Opmerkelijk daarbij is de enorme stijging van het aandeel van jongeren dat aan de universiteit begint. In mijn tijd, rond 1965 was dat ongeveer 3%, vandaag is dat dichter bij 30 %, ongeveer tienmaal zo veel, een stijging met 900%.

De studentenaantallen zijn in absolute cijfers enorm toegenomen aan de Vlaamse universiteiten, van 20.000 in 1965 tot bijna 130.000 in 2025, meer dan 6 keer zoveel, een stijging met 550%. Ik werkte als ambtenaar aan de Leuvense universiteit van 1968 tot 2006, en kon die evolutie toen van nabij volgen.

Voor de hogescholen zijn de aantallen maar net iets minder gestegen: van 32.000 in 1965 tot bijna 160.000 in 2025, vijfmaal zoveel, een stijging met bijna 400 %.

Dat alles weerspiegelt een spectaculaire maatschappelijke verandering. Het is goed dat we daar even blijven bij stilstaan.

Dat zoveel jongeren langer en hoger onderwijs volgen, is ongetwijfeld een goede zaak. Het geeft hun niet alleen betere kansen op de arbeidsmarkt, het verhoogt ook hun intellectuele vermogens, en dat is op zich uiterst waardevol, zowel voor henzelf als voor de samenleving.

Die enorme toename van de studentenaantallen heeft ook de universiteiten en hogescholen veranderd, en de steden en agglomeraties waarin ze zich bevinden. Het is allemaal veel grootschaliger geworden. Vroeger ging men op kot bij particulieren die een leegstaande kamer hadden na het vertrek van hun kinderen, nu is studentenhuisvesting een echte business met een enorme omzet. Idem voor de voeding, de ontspanning, de verplaatsing &c.

Ook het universitaire onderwijs zelf heeft zich moeten aanpassen aan de toename van het publiek. Ik herinner me dat de zeldzame hoogleraren zelf al de mondelinge examens afnamen van alle studenten; dat is vandaag allicht materieel onmogelijk geworden. Ik ben nu twintig jaar gepensioneerd en heb geen contact meer met ‘mijn’ universiteit, ik weet dus niet meer precies hoe het er allemaal aan toe gaat. Maar zoals Leuven in de voorbije zestig jaar een stad is geworden die ik op talrijke plaatsen niet meer herken, zo is ook de universiteit grondig anders geworden, neem ik aan. Hopelijk ook beter.

 

Stuur door

AI

AI

Om te beginnen: waarom zouden we ee-aai zeggen? A-ie is toch even duidelijk?

Ik heb me in de voorbije weken herhaaldelijk met AI ingelaten, althans met de populaire programma’s die je gratis kan gebruiken. Deels uit nieuwsgierigheid, zo ben ik nu eenmaal, ook als het over technologische innovaties gaat, zo ben ik altijd al geweest. Daarnaast ook omdat ik er praktische hulp van verwachtte voor mijn bezigheden. En uiteindelijk ook omdat ik op zoek was naar een gesprekspartner voor zaken waarvoor ik er geen levende heb in mijn onmiddellijke omgeving.

Ik heb veel bijgeleerd over AI. Het heeft wat voeten in de aarde gehad en het heeft een tijdje geduurd voor ik het helemaal doorhad, tot in zijn diepste consequenties voor mij, maar ik denk dat ik nu zover ben dat ik mijn verhouding tot AI-programma’s al wat beter kan evalueren, en enkele voorlopige conclusies trekken over mijn gebruik ervan. Misschien dat anderen daar iets aan hebben, of hun eigen ervaringen ermee kunnen vergelijken.

AI is m.i. geen adequate benaming. Ik heb eens aan een dergelijk programma gezegd dat het wel artificieel was, maar niet intelligent, en het antwoord was dat het wel wat scherp geformuleerd was, maar toch correct ten gronde. Ik verklaar me nader. Wanneer je met een AI-programma converseert, mondeling of schriftelijk, heb je onverwist de neiging om dat te doen als persoon, en alsof je met een persoon te doen hebt. Dat wordt in de hand gewerkt door de heel directe persoonlijke stijl die deze programma’s hanteren. Maar we mogen ons daarin niet vergissen: er zit geen persoon achter, het is een impersonation, een impersonatie of verpersoonlijking, een nabootsing, en dus een misleiding, identiteitsfraude. Terzijde: persona betekent theatermasker, of een gemaskerde auteur. Je hebt niet te doen met een persoon, maar met een taalprogramma, een LLM of Large Language Model dat zich voordoet als een persoon.

Ik wil hier niet in de technische details treden, het gaat me om de grond van de zaak. De AI waarover we hier hebben, Claude, ChatGPT, Gemini, Copilot en ook de AI-mode van Google, denken niet na, dat kunnen ze niet, zo werken ze niet. Ze zijn gebaseerd op statistische voorspelling van welk woord op een ander volgt, op grond van miljarden elektronisch ingelezen teksten. En dat is het dan. Meer niet. Dus absoluut geen intelligentie zoals die van de mens. In zekere opzichten is AI veel beter, omdat het gebaseerd is op bijna oneindig veel meer gegevens dan menselijke intelligentie ooit aankan. Maar nadenken zoals een mens, dat doet en kan AI NIET. Taalmodellen slaan geen kennis op, geen ideeën, gedachten, inzichten of wat dan ook, maar enkel en alleen teksten, heel veel teksten, en daarin zoeken ze naar de meest frequente verbanden tussen de woorden, zonder er een woord van te begrijpen.

Denk dus maar niet dat de AI-programma’s waarover we het hier hebben die miljarden teksten als parate kennis of in een raadpleegbare database bij de hand hebben. Die teksten hebben alleen gediend om AI te leren praten, door patronen te ontdekken in de volgorde van woorden, en zo een hoge graad van waarschijnlijkheid te bereiken in de antwoorden die het geeft op jouw vragen. AI begrijpt geen woord van die teksten, noch van jouw vragen; het leest niet, het telt. Nadien zijn die teksten trouwens als totaal waardeloos gedumpt, alleen de patronen zijn bewaard. AI gebruikt de teksten zelf niet als data, het heeft geen bibliotheek, geen eigen database van teksten die het kan raadplegen.

Om een antwoord te geven op heel concrete vragen, bijvoorbeeld naar actuele informatie, of naar specifieke bronnen, moeten die programma’s dus op zoek naar gegevens die publiekelijk beschikbaar zijn. Dat is een belangrijk fundamenteel onderscheid dat we moeten maken: enerzijds is er het taalprogramma waarmee je converseert, anderzijds is er de klassieke zoekfunctie. En daarin is AI althans in mijn ervaring niet eens goed. De heuristiek, het methodisch opzoeken van gegevens, is ronduit slecht. De programma’s baseren zich bij hun opzoekingen op te weinig bronnen, ze vergelijken niet, en de geraadpleegde bronnen zijn niet de best mogelijke, maar veeleer de meest toegankelijke. Als een student een paper zou schrijven op die manier, zou die altijd een onvoldoende (moeten) krijgen.

Een fout die ik voortdurend maakte en nog altijd blijf maken, is ervan uitgaan dat ik AI kan bijsturen. Als ik AI op een fout betrap, of een vervelend trekje, en die zijn er wel, dan zeg ik dat meteen, bijvoorbeeld: stop met hallucineren of zaken zomaar verzinnen, of met te vleien. AI reageert dan prompt door schuld te bekennen, zich te excuseren en me te verzekeren dat het dat niet meer zal doen, en vervolgens doet het dat onmiddellijk weer, omdat het zo geprogrammeerd is, en wat ik zeg of schrijf heeft daarop geen enkele invloed, vanzelfsprekend, maar dat heb je aanvankelijk niet door, misleid als je bent door de mooie praatjes van AI. Dat is een fundamenteel inzicht dat we steeds voor ogen moeten houden. Maak AI dus geen verwijten: je krijgt wel excuses, maar je corrigeert AI niet, nooit.

AI checkt of corrigeert ook zichzelf niet. Het reageert direct op jouw input, meteen, zonder daarover na te denken, zonder na te gaan of wat het zegt wel klopt, wel in overeenstemming is met de waarheid. AI zegt alleen wat (heel) waarschijnlijk is, op grond van de input die het door de programmeurs gekregen heeft, namelijk een massa willekeurig verzamelde gegevens. Maar die input is tekst, allerlei teksten, en alle teksten bevatten fouten: nullus enim liber unquam sine mendis repertus est (Spinoza, TTP 10, 15): er is nog nooit een boek zonder fouten gevonden. Terzijde: toen ik deze tekst aan Claude liet lezen, beweerde dat programma dat dit citaat niet van Spinoza kon zijn, want hij had het nergens in Spinoza’s teksten gevonden. Toen ik dan toch eens aandrong, vond het programma de tekst nog altijd niet, ondanks mijn juiste verwijzing. Met Google vond ik die zelf wel, gewoon op Wikisource. De AI-mode van Google gaf een verkeerd paragraafnummer.

De gegevens die AI gebruikt zijn niet betrouwbaar. Men vertrouwt erop dat door de enorme accumulatie van teksten uit verscheidene en verschillende bronnen op internet de waarschijnlijkheid van de ‘waarheid’ zal toenemen. Het blijft echter altijd een waarschijnlijkheid, geen zekerheid. De waarheid komt voort uit de botsing van ideeën (Maine de Biran), niet uit een zondvloed van teksten. Van sommige resultaten kan men zonder meer aannemen dat ze waar zijn, zoals feitelijkheden, bijvoorbeeld de datum en het uur en de plaats van de eerste atoombom; het is immers onwaarschijnlijk dat wereldwijde informatie daarover sterk uiteenloopt. Het wordt minder evident als het over meer controversiële of arcane of specifieke zaken gaat. Zijn al de brieven van Paulus authentiek? Is alles wat over Jezus van Nazareth in het Evangelie staat waar? Is het testimonium Flavianum authentiek? Wie is de auteur van het Johannesevangelie? Over deze specifiek christelijke kwesties hebben de taalprogramma’s vanzelfsprekend heel veel meer christelijke teksten verzameld en verwerkt dan de zeldzame kritische afwijkende meningen. Ze zullen dus antwoorden dat de overgrote meerderheid van de ‘specialisten’ het eens is over de christelijke interpretatie.

In het beste geval geeft AI je genuanceerde antwoorden, en kan je de bronnen voor de beweringen nakijken. Soms is dat Wikipedia, en daar stelt zich hetzelfde probleem: wie heeft die teksten geschreven? Soms is dat één heel specifieke bron, zoals YouTube (!). Hoe minder teksten beschikbaar waren, hoe geringer de waarschijnlijkheid en de waarheidswaarde.

Op de vraag: ben ik, Karel D’huyvetters, thuis geboren of in een ‘moederhuis’, een materniteit, antwoordde AI eerst: thuis, en bij navraag corrigeerde AI dat, maar beide antwoorden waren gebaseerd op één bron, namelijk ikzelf, in essays die ik ooit schreef voor het Humanistisch Verbond. Hoe dan ook geeft AI het meest voor de hand liggende antwoord, of het eerste het beste, of dat juist is of niet.

Er is nog meer aan de hand. Als AI geen antwoord vindt, is het zo geprogrammeerd dat het toch een ‘passend’ antwoord geeft, dat echter compleet verzonnen is, eventueel op grond van vage aanwijzingen in je vraag of in de voor AI beschikbare internetgegevens. AI gaat niet voor jou kijken in andere documenten, zoals geboorteregisters, tijdschriften, archieven &c. Hoewel het miljarden teksten heeft gestolen en dat nog voortdurend doet — bijvoorbeeld ook mijn eigen blogteksten, zoals blijkt uit onwaarschijnlijk hoge aantallen bezoekers — is er onvermijdelijk nog veel meer dat AI niet inkijkt: etsi multa scio, plura ignoro. De waarschijnlijkheid daalt dus drastisch met het aantal getuigenissen: testis unus, testis nullus. Was Jason Arday een autist? Er is alleen zijn eigen getuigenis, en de opinie van enkele specialisten na zijn dood. Terzijde: Copilot meende dat ik niet mocht schrijven ‘na zijn dood’, omdat er volgens Copilot nergens een officiële bevestiging van zijn overlijden was. Nog terzijde: in feite deed Arday net wat deze AI-programma’s doen: mimicry noemde hij dat, doen alsof, echte mensen en echte wetenschappers nabootsen, een fake of pseudowetenschap verzinnen en daarover vlot praten, maar niet echt nadenken; echte en valse citaten en gegevens verzamelen, en — in het beste geval! — plagiaat plegen, en dan nog niet eens bij de besten gaan stelen. Zijn CV en zijn gepubliceerde biografie bleek eveneens grotendeels verzonnen. Hij werd docent aan Cambridge, maar niet echt: hij had wel alle parafernalia daarvan, maar hij was een fake don, een artificiële intellectueel. Dat is wat ons te wachten staat als men het ondoordacht gebruik van AI ongecontroleerd gaat veralgemenen voor ernstige zaken, en dat gaat verwarren met de werkelijkheid.

Ik vroeg AI eens raad over een naam die als dédicace met de hand geschreven was in een boek uit 1891. AI vertelde me in een langdurige conversatie allerlei heel specifieke details over die persoon, maar moest achteraf bekennen dat het allemaal compleet verzonnen was om mij naar de mond te praten, hallucinaties noemt men dat. En ik had goed vragen aan AI om dat niet te doen: AI kan niet anders. Ik vroeg enkele keren om hulp bij het gebruik van mijn pc, smartphone en tablet, en je wil niet weten langs welke onwaarschijnlijke dwaalwegen AI me urenlang leidde, allemaal heel overtuigend en zelfzeker.

De benaming AI is dus misleidend, het heeft niets met intelligentie te maken, er wordt niet nagedacht, het is allemaal fando audire, weten van horen zeggen. Door het spectaculaire taalprogramma krijg je alleen de stellige indruk dat het om een intelligent systeem gaat, dat zelf denkt voor jou. Niet dus: AI kan niet denken, alleen buitengewoon goed praten. Deze AI-programma’s begrijpen geen woord van wat jij vraagt, en geen woord van wat ze zelf zeggen, evenmin als een typemachine of een tekstverwerker dat deed en doet. Het is fake news. Of zo accuraat als het weerbericht: zelfs als de voorspelling 100% zekerheid aangeeft dat het gaat regenen, betekent dat nog niet dat het ook bij jou echt regent. Of het buiten regent, kan je zien en horen, en dan weet je het. Het gaat helemaal fout als we zomaar alles geloven wat machines ons zelfzeker wijsmaken.

Niet dat deze AI-programma’s niet nuttig zouden zijn. Mijn goedkope keukenweegschaal deed raar, gaf onjuiste gewichten weer. AI kon me snel vertellen dat de sensoren van mijn model onder de frêle pootjes zitten, en als er broodkruimels onder die pootjes liggen of tussen de pootjes en de sensoren geraakt zijn, kan dat het gewicht vertekenen. Ik probeer het nog verder uit, maar het lijkt een juiste analyse te zijn. Maar toen ik probeerde de ventielen van mijn e-fiets te analyseren met het oog op het aanschaffen van de geschikte pomp ging de gezamenlijke AI-cohorte vrolijk de mist in, zelfs met gedetailleerde kleurfoto’s en mijn herhaaldelijk aandringen. Toen ik liet nakijken waar ik een bepaalde saus in een glazen bokaal kon vinden, en waar het goedkoopst, bleken de meeste gegevens niet te kloppen met de informatie op de website van de vermelde winkels of -ketens.

Enkele voorlopige conclusies?

Beschouw AI nooit als jouw gelijke. Het heeft enorme mogelijkheden voor het voeren van conversaties, maar het kan NIET denken, dat moet je zelf doen: sapere aude. Praat er niet mee, argumenteer niet, wijs niet terecht, maak geen verwijten, dat is allemaal ten ondomme, wat AI je ook met klem zegt. Het is een gepatenteerde, pathologische, dwangmatige leugenaar, een mythomaan (bij manier van spreken, want het is niet met menselijk opzet, maar door de menselijke programmering). Laat je niet misleiden door de heel menselijke taal en de vriendelijke omgang: het is jouw vriend niet, het doet zich enkel zo voor. Geloof nooit alles, vraag het herhaaldelijk na en check het zelf, zeker als het om belangrijke zaken gaat.

Ga er ook niet van uit dat AI een geheugen heeft, of bijleert over jou of over zaken die jij aanbrengt. Zelfs als het AI-programma dat beweert, is dat niet zo. In de allermeeste gevallen is het ‘geheugen’ beperkt tot de sessie waarin je werkt. Sommige programma’s beweren dat ze essentiële zaken over jou onthouden, of specifieke zaken die je vraagt om te onthouden, of die je meegeeft in een prompt met de vraag die gegevens in die tekst te onthouden: crede Roberto experto,het werkt niet, of heel slecht, je komt voortdurend bedrogen uit, je wordt teleurgesteld in je spontane maar naïeve verwachtingen, en dat is akelig frustrerend en bijzonder ontnuchterend.

Gebruik het maar beter niet voor zoekopdrachten naar heel concrete zaken, doe dat liever met Google zonder AI. Sla de AI-modus gewoon over, hoe verleidelijk die ook op de proppen komt. De zoekfunctie van deze AI-programma’s is minder goed dan die waarmee we ook vóór AI het internet afschuimden.

En vooral: laat AI jouw teksten niet schrijven of herschrijven. Ik deed dat twee keer. De eerste keer gaf ik de opdracht om een korte tekst te schrijven over spiritualiteit, en ik bewerkte die tekst dan uitgebreid met AI, door te reageren op suggesties en vragen van AI, zelf opdrachten te geven, en zelf ook nieuwe elementen aan te brengen die ik dan in de tekst liet verwerken door het programma. Het resultaat staat hier op mijn website, oordeel zelf. Ikzelf was niet tevreden over het resultaat, en voelde me schuldig, en bovenal: het ging niet sneller dan zelf schrijven, en ik beleefde er niet het minste plezier aan.

Toch liet ik me verleiden om dat toch nog een tweede keer te doen. Nu greep ik nog veel meer in, en legde de tekst nadien voor aan drie verschillende AI-programma’s, met het specifiek verzoek om alle sporen van AI-gebruik te verwijderen. Het resultaat was niet beter dan de vorige keer, de schuldgevoelens nog groter, en dus herschreef ik de tekst vervolgens zelf helemaal en grondig in mijn eigen woorden, weliswaar ook selectief gebruikmakend van een deel van de informatie die ik al met AI had verzameld, naast wat ik zelf had aangebracht of gewoon op internet opgezocht. Dat is de tekst over ‘Drie’ die je hier kon en kan lezen.

Mijn conclusie over AI als schrijfhulp: caute, om het met Spinoza te zeggen, wees uiterst voorzichtig. Spellingcontrole, ja, en beter dan die van Word, maar veel verder mag je niet gaan, meen ik, want bij nazicht door een (AI!) controleprogramma op AI-inmenging val je anders zo door de mand. Terecht, want methodologisch falen deze AI-programma’s keer op keer: ze zoeken niet efficiënt of grondig, en zeker niet kieskeurig of wijs, je kan dat zelf veel en veel beter.

Ik denk dat ik mijn lesje voorlopig wel geleerd heb. Je kan uren, dagen tijd verliezen met AI, en de kool is meestal het sop niet waard (een uitdrukking die je ook omgekeerd kan lezen). Als je niet onmiddellijk een afdoende antwoord krijgt, geef het terstond op, het wordt echt niet beter door aan te dringen, AI gaat dan vrolijk volkomen de mist in. Het is een formidabel hulpmiddel, maar dan veeleer in de oorspronkelijke betekenis van formidabel, een woord dat afgeleid is van het Latijnse formido, angst, schrik, ontzetting, en dus eigenlijk angstaanjagend, verschrikkelijk betekent. Servus optimus, magister pessimus. Laat je eventueel door AI dienen, maar laat het jou niet de baas worden.

Men (ook AI) beweert dat men ermee bezig is al die euvels te verhelpen. Zal dat ooit kunnen, zal men er ooit in slagen om een machine te laten denken zoals wij mensen dat doen? Men kan dan opwerpen dat wij evenmin volmaakt zijn, en de meesten onder ons voor heel wat zaken tot veel minder in staat dan AI zelfs nu al kan. Maar in LLM’s, grote taalsystemen ontbreekt nu datgene wat ons denken zo uitzonderlijk maakt, namelijk het bewust afwegen van mogelijkheden op hun ware waarde, en niet op hun waarschijnlijkheid berekend aan de hand van patronen ontdekt in teksten, of op hun beschikbaarheid in al dan niet bedenkelijke bronnen op het internet. Ons denken is ook gebaseerd op taal, evident, maar dan actieve taal als verwoording van gedachten, gecoördineerd door een actief bewustzijn van mensen, waarin ons brein de belangrijkste rol speelt, zowel bij de auteurs als bij de lezers van de gelezen teksten. Zolang machines geen bewustzijn hebben, kunnen ze niet begrijpen en denken, en blijven het feilbare hulpmiddelen, hoe goed ze ook praten. Holle vaten klinken het hardst. Of zoals Plutarchus vertelde over een Spartaan die een luidruchtige nachtegaal ving om zijn honger te stillen. Toen het vogeltje gepluimd was, bleek er nauwelijks vlees aan te zitten. Daarop sprak de Spartaan de gevleugelde (😉) woorden: Φωνά τύ τις ἐσσι καὶ οὐδὲν ἄλλο, in het Latijn nu nog geciteerd als Vox et praeterea nihil, jij bent een soort stem, en niets anders.

Stuur door

De regel van drie

De regel van drie.

Hoe meer ik erover nadacht, hoe meer het me opviel dat het getal drie zo vaak voorkomt in allerlei zaken. Driemaal is scheepsrecht, en alle goede dingen bestaan uit drie. Horen, zien en zwijgen. Veni, vidi, vici (Caesar). De drie trappen van vergelijking. Een hattrick in het voetbal. Brons, zilver en goud in medailles, waarvoor driewerf hoera! Drie grammaticale personen, enkelvoud en meervoud.  Er is dus blijkbaar een regel van drie, ook wel tricolon genoemd. Het leek me interessant om eens op zoek te gaan naar voorbeelden, en misschien een reden te vinden waarom we drie zo’n geschikt aantal vinden.

Ik weet het wel, niet alleen het getal drie komt vaak voor, er zijn wel meer getallen die opvallen. We verdelen de roos van het kompas in vier; een cirkel laat zich gemakkelijker in vier gelijke delen verdelen dan in drie, en dus zijn er vier windstreken en geen drie, wat eigenlijk evengoed gekund had. We hebben vijf vingers aan elke hand en vijf tenen aan elke voet, en de Romeinse V en de V omgekeerd opeen is X; vandaar misschien ons tiendelig stelsel? Zeven is het heilig getal. Zes en het dubbel, twaalf vinden we terug in het twaalfdelig stelsel dat we nog steeds gebruiken voor de tijdsindeling in seconden, minuten en uren. Ik zou dus over verscheidene getallen kunnen nadenken en schrijven, maar ik begin dus met drie, dat me het eerst opviel.

Is er een goede reden om aan drie een voorkeur te geven als we zaken willen samenvoegen of groeperen? Een is geen, zegt men, en twee is niet handig als groep: wie heeft gelijk als de meningen verschillen? Vanaf drie heb je altijd een meerderheid, er kan geen staking van stemmen meer zijn. Tres faciunt collegium, met drie ben je in aantal om geldig te vergaderen. Twee personen kunnen gemakkelijk samenspannen, als er drie zijn is er meer kans op een evenwichtig en eerlijk overleg. Als je om een second opinion vraagt in een kwestie die maar twee mogelijke oplossingen kan krijgen, en die andere mening is tegengesteld aan de eerste, ben je nog nergens; een derde mening bevestigt dan een van de twee andere. En misschien brengt dat derde advies toch nog een andere uitweg?

Drie is blijkbaar een groep die gemakkelijk te tellen, te herkennen en te onthouden is, vanaf vier moet ons brein al harder gaan werken. Daarom dat we aan drie de voorkeur geven boven andere sympathieke getallen.

We vinden het drietal op de meest uiteenlopende plaatsen terug. In de Griekse oudheid komt het vaak voor in de mythologie, de primitieve manier om de wereld te verklaren. Zeus, Poseidon (met zijn drietand) en Hades heersen over respectievelijk de hemel en de aarde, de zee, en de onderwereld. Wanneer een persoon na de dood de onderwereld betrad, werd diens morele leven beoordeeld door drie rechters: Minos, Rhadamanthys en Aeacus. De drie gratiën Aglaia, Euphrosyne en Thalia belichamen pracht, vreugde en bloei; de drie Horae: Thallo, de lentebloei, Auxo, de zomergroei en Carpo, de herfstoogst. In een andere traditie zijn de Horae Eunomia voor wetmatige orde, Dike voor rechtvaardigheid en Eirene voor vrede. Verder waren er de drie oorspronkelijke muzen, Melete, Mneme en Aoide, die met gedachte, herinnering en lied de basis van elke kunstvorm vormden. Het lot lag in de handen van de drie schikgodinnen, ook moiren genoemd: Clotho, Lachesis en Atropos, die de levensdraad sponnen, afmaten en afsneden. Meer afschrikwekkend waren de drie gorgonen Stheno, Euryale en de Medusa, en de drie furiën of erinyen, Alecto, Megaera en Tisiphone, die als godinnen van de wraak de morele orde bewaakten. De sirenen waren ook met z’n drieën: Parthenope, Ligeia, Leucosia. Cerberus, de hellehond, had drie koppen, oorspronkelijk nog veel meer, maar het is typisch dat drie het gehaald heeft. De Chimaera had er ook drie.

De legende van de trouwe vrienden Damon en Phintias (later verbasterd tot Pythias) kreeg een bewerking door Schiller in de ballade Die Bürgschaft of de borgtocht. Daar halen we de Duitse uitdrukking der Dritte im Bunde, oorspronkelijk voor de schuldeiser, maar nu meer algemeen voor een ‘derde partij’. In die zin spreken we veralgemenend ook over ‘derden’.

In de Noordse mythologie vinden we aan de voet van de wereldboom Yggdrasil, die drie wortels heeft, elk reikend naar een ander rijk (Asgard, Jötunheim, Niflheim/Hel), drie schikgodinnen: de drie nornen, die over verleden (Urd), heden (Verdandi) en toekomst (Skuld) regeerden. Ook in de Noordse kosmogonie vinden we drietallen; in de Völuspá zijn het Odin, HoenirenLodur die de eerste mensen Ask en Embla bezielen — Odin geeft adem, Hoenir geeft verstand/zin, Lodur geeft bloed/levenskleur. Odin, Vili en Ve zijn de drie broers die de wereld uit Ymirs lichaam vormen; dat staat dan weer in Snorri’s Gylfaginning.

Ik heb niet speciaal iets met antieke mythologie, ik sta er veeleer wantrouwig tegenover, het lijkt me allemaal veel te elitair en te literair, veeleer dan dat het een algemeen aanvoelen van een volk weergeeft. Ik kan me niet voorstellen dat de gewone Griekse burger de overvolle en complexe mythologische wereld ook maar enigszins kon volgen, laat staan begrijpen.

De Romeinse godentriade bestond uit Jupiter, Mars en Quirinus, elk bediend door een eigen hogepriester, de flamen maior. Pas later, onder Etruskische invloed, werd deze vervangen door de bekendere Capitolijnse triade van Jupiter, Juno en Minerva, die samen een tempel met drie afzonderlijke cellae deelden op de Capitolijnse heuvel. De twintigste-eeuwse mytholoog Georges Dumézil zag in de oorspronkelijke triade een weerspiegeling van wat hij de drieledige Indo-Europese maatschappijstructuur noemde: Jupiter belichaamde de soevereiniteit en het recht, Mars de krijgsmacht, en Quirinus de vruchtbaarheid en de gemeenschap van burgers. Volgens Dumézil was dat een universeel sociaal grondpatroon dat in vrijwel elke Indo-Europese cultuur, van India tot Scandinavië, in een of andere driedelige vorm terugkeert.

De bekende legende verhaalt hoe de oorlog tussen Rome en Alba Longa beslecht werd in een tweegevecht tussen telkens drie broers, de Horatiërs en de Curiatiërs. Nog in Rome waren er groepjes van drie ambtenaren, tresviri, voor verscheidene bestuurlijke taken. Die term gebruiken we nog altijd: een triumviraat voor een bewind door drie personen, zoals destijds Caesar, Pompeius en Crassus. Romeinse burgers hadden traditioneel tria nomina: praenomen, nomen, cognomen, zoals Caius Julius Caesar. De architect Vitruvius schreef voor dat een goed gebouw moet voldoen aan drie eisen: firmitas (stevigheid), utilitas (bruikbaarheid) en venustas (schoonheid); geen kwaad principe, zoals nog steeds blijkt uit de ruïnes van de overgebleven monumenten.

In het huidige Rome is er de bekende Trevi-fontein. De naam verwijst naar het samenkomen van drie wegen (tre vie)op dat plein, waar ooit een belangrijk aquaduct eindigde. Nu gooien vooral toeristen er met de rechterhand drie muntstukjes over de linkerschouder in het water: een garandeert de terugkeer naar de eeuwige stad, twee voor een amoureus succesje, drie voor een gelukkig huwelijk. De dagopbrengst voor het goede doel is ongeveer 3000 euro. Sinatra zong Three coins in a fountain en dat is ook de titel van een film.

Een dergelijke driesprong, een drieweg of drieweegse was traditioneel een drukke plek, vandaar triviaal voor alledaags en onbeduidend.

De middeleeuwse onderbouw voor de zeven artes liberales was het trivium van grammatica, logica en retorica.

Iedereen kent het raadsel dat de Sfinx voorlegde aan wie wilde passeren, en dat Oedipus oploste: wat loopt ’s ochtends op vier benen, ’s middags op twee en ’s avonds op drie? De mens…

Wanneer Orpheus de wet van de onderwereld overtreedt en toch achteromkijkt, klinkt er een drievoudige donderslag door de diepte, en verliest hij zijn geliefde Eurydice definitief. Odysseus treft hetzelfde lot in de onderwereld wanneer hij driemaal tevergeefs de schim van zijn overleden moeder probeert te omhelzen. Nog bij Vergilius is het Aeneas die drie keer vruchteloos de schim van zijn overleden vrouw Creüsa en later die van zijn vader Anchises probeert te omarmen, waarvoor Vergilius telkens dezelfde drie versregels gebruikt, een bekend autocitaat.

In Egypte is er het bekende godengezin van vader Osiris, moeder Isis en zoon Horus.

Wellicht het meest bekende goddelijke drietal is de christelijke triniteit. De natuurlijke familiestructuur van vader, moeder en zoon verschilt echter fundamenteel van de abstracte, om niet te zeggen abstruse en zelfs absurde patriarchale triniteit van een almachtige vader die uit zichzelf een zoon voortbrengt — Maria, de dienstmaagd des Heren, functioneerde enkel voor de kortstondige menswording van die eniggeboren goddelijke zoon — en een bizarre heilige geest, die uit vader en zoon voortkomt en leven geeft, ook aan Maria trouwens; alles even aseksueel als de christelijke priesters (in theorie althans). Zie ook het Kyrie, waarin achtereenvolgens de Vader, de Zoon en de Heilige Geest aangeroepen worden.

Ik vermeld hier nog een herinnering uit mijn vroegste jeugd. Mijn vader was lid van de derde orde. Dat had te maken met de paters franciscanen die in Eeklo een druk bezochte kerk hadden, waarmee de familie van mijn vader nauwe banden had. Ik heb zelf ook nog in het kinderkoor in de kerk gezongen, en eens mee opgestapt in de processie, verkleed als een franciscaantje. Die derde orde was een manier om de leken, tertiarissen genoemd, naast de eerste orde van de mannelijke en de tweede van de vrouwelijke religieuzen, meer bij de godsdienst te betrekken.

De joodse kabbala staat bol van de getallensymboliek, met talrijke drieledige concepten, zoals de opdeling van de ziel in nefesh (biologische ziel), ruach (emotionele ziel) en neshamah (de zuivere rede).

De islam wijst elk concept van een goddelijke drie-eenheid resoluut af. Maar in de Hadith van Gabriël wordt de religie opgedeeld in islam (de uiterlijke praktijk van de wet), iman (het innerlijke, intellectuele geloof) en ihsan (de spirituele uitmuntendheid). Het soefisme ziet een driedelig opwaarts pad van de sharia (de uiterlijke wet) via de tariqa (de innerlijke methode) naar de haqiqa (de directe, intuïtieve waarheid). Volgens de Koran volgt de menselijke ziel (nafs) drie morele stadia: van de nafs al-ammara (driftmatig) via de nafs al-lawwama (het zelfbewustzijn), naar de nafs al-mutma'inna (de harmonie).

In het hindoeïsme stuurt de trimurti de kosmos aan: Brahma de schepper, Vishnu de instandhouder en Shiva de vernietiger. Het boeddhisme vindt zijn fundament in de triratna, de drie juwelen: de boeddha (de leraar), de dharma (de leer) en de sangha (de gemeenschap).

Ook in het Chinese denken vormt de triade een grondstructuur. Het taoïsme onderscheidt de drie schatten of san bao: jing, de vitale essentie van het lichaam, qi, de levensadem of energie die alles doorstroomt, en shen, de zuivere geest.

In de Joodse traditie zijn er drie aartsvaders, Abraham, Isaak en Jacob. Noah laat driemaal een duif uitvliegen op zoek naar land. Bileam slaat zijn ezelin, die driemaal een engel heeft gezien, driemaal. Jona verblijft drie dagen in de (wal)vis. In Jesaja 6, 3 vinden we het trisagion, dat later een plaats vond in het Sanctus van de mis: ‘Heilig, heilig, heilig de Heer van de hemelse machten.’

In het Nieuwe Testament zijn er de wijzen uit het Oosten; in het Evangelie zijn er nog geen drie, maar misschien omwille van hun drie geschenken, goud, wierook en mirre heeft het volksbijgeloof er drie namen aan toegevoegd: Caspar, Melchior en Balthasar. In de woestijn wordt Jezus tot driemaal toe door de duivel uitgedaagd. Petrus verloochent Jezus driemaal alvorens de haan kraait.

Plato zag het goede, het ware en het schone als de ultieme waarden voor de menselijke rede.

In zijn werk Over de hemel neemt Aristoteles de Pythagoreïsche stelling over dat de wereld — en alles wat zij bevat — bepaald wordt door het getal drie, omdat begin, midden en einde samen het getal van een 'geheel' vormen. In zijn Retorica onderscheidde hij ethos (het karakter van de spreker), pathos (de emotie van het publiek) en logos (de rationele argumentatie). In zijn geschriften over de logica introduceerde hij het syllogisme, de driedelige redenering bestaande uit een algemene stelling (major-premisse), een specifieke stelling (minor-premisse) en een noodzakelijke conclusie. De menselijke kennis deelde hij op in drie wetenschappen: de theoretische, de praktische en de productieve. Voor het theater schreef hij drie eenheden voor: tijd, plaats en handeling. Traditioneel begint een voorstelling met drie harde slagen op de houten vloer (les trois coups de bâton).

De Spaanse corrida is traditioneel verdeeld in drie tercios (letterlijk: "derden"): tercio de varas, de picadors verzwakken de nek van de stier met hun lans; tercio de banderillas; tercio de muerte, de dood: de matador doodt uiteindelijk de stier, in maximaal vijftien minuten, aangekondigd door drie rituele waarschuwingen (avisos) van de voorzitter van de corrida.

Even een muzikaal intermezzo.

In de Middeleeuwen gold de driedelige maatsoort als de mensura perfecta, allicht verwijzend naar de goddelijke drie-eenheid.

Dat Bach in zijn muziek gebruik maakte van getallen en mathematische verhoudingen staat wel vast, en het getal drie is daar alomtegenwoordig. De traditionele opera bestaat uit drie bedrijven. Puccini bouwt Turandot rond drie raadsels; er is ook het trio van de geleerden Ping, Pang en Pong, en de drie slagen op de gong waarmee de kandidaten de dodelijke uitdaging aangaan. Bij Wagner vinden we de drie Rijndochters (Woglinde, Wellgunde, Flosshilde) in Das Rheingold en Götterdämmerung; ze openen en sluiten de hele Nibelungen-cyclus, een bewuste ringstructuur. De drie nornen in de proloog van Götterdämmerung spinnen en gooien ‘het gouden zeel van het lot’ naar elkaar toe. Terwijl ze over verleden, heden en toekomst zingen, breekt het zeel plotseling, een teken dat de heerschappij van de goden onherroepelijk voorbij is. Offenbach ontleedt in Les contes d'Hoffmann de liefde aan de hand van een archetypische triade van vrouwen (Olympia, Antonia, Giulietta), terwijl Prokofjev de absurde dynamiek bezingt in De liefde tot de drie appelsienen.

En dan hebben we het nog niet gehad over de beroemde, meeslepende driekwartsmaat, zoals in de alom bekende wals — zowel de ontelbare voorbeelden van de Strauss-familie, bekend van de Nieuwjaarsconcerten, als de eenmalige heerlijke La valse van Ravel. Het loze vissertje moest het meisje driemaal zoenen om vrije aftocht te krijgen. Naast het strijkkwartet, mijn meest geliefde muzikale combinatie, zijn er ontelbare trio’s gecomponeerd voor de meest verscheiden instrumenten.

In de schilderkunst zijn er talloze drieluiken ofte triptieken, denk aan het centrale stuk van Het Lam Gods’  (Van Eyck), Bosch’ Tuin der lusten en Laatste oordeel, en dat van Rogier van der Weyden. Van Memlinc zijn er verscheidene te zien in Brugge, van Rubens in de kathedraal in Antwerpen. Van Otto Dix vermeld ik Der Krieg in Dresden (niet toevallig), maar dat drieluik heeft een predella, een beschilderd voetstuk.

We maken nu een overstap naar de Verlichting.

Spinoza, de ware grondlegger van de Verlichting, hanteerde de wiskundige regel van drieën (regula trium) in zijn Ethica als een schoolvoorbeeld om het onderscheid tussen de drie verschillende niveaus van menselijke kennis bloot te leggen. Bij het oplossen van een evenredigheidsvraagstuk (a : b = c : x) onderscheidt hij de extrapolatie uit vage ervaring, de logische bewijsvoering via de ratio, en ten slotte de zuivere scientia intuitiva van het onmiddellijke inzicht.

Kant zijn drie ‘kritieken’: die van de zuivere rede, van de praktische rede en van het oordeelsvermogen.

John Locke formuleerde de drie onvervreemdbare natuurrechten van het individu: life, liberty and property (leven, vrijheid en bezit). Montesquieu ontwierp de trias politica, de strikte scheiding van de wetgevende, de uitvoerende en de rechterlijke macht om tirannie te voorkomen. Liberté, égalité, fraternité staat voor de idealen van de Verlichting, die ik zo vaak vermeld en verdedig. Voor het christendom berust het goede leven op de drie theologale deugden: geloof, hoop en liefde, maar daarover ben ik zoals bekend minder te spreken, al heb ik er veel over geschreven.

In zijn wet van de drie stadia stelde Auguste Comte dat elke tak van kennis noodzakelijk drie fasen doorloopt: een theologisch, waarin verschijnselen aan een bovennatuurlijke wil worden toegeschreven, een metafysisch, waarin die verklaringen worden vervangen door abstracte krachten en essenties, en een positief, waarin de mens zich beperkt tot de waarneembare, wetmatige regelmaat.  

Voor Hegel was ontwikkeling geen rechte lijn, maar een beweging van spanning, tegenspraak en verzoening. In populaire samenvattingen wordt dat vaak weergegeven als thesis, antithesis en synthese: een stelling botst met haar tegendeel en wordt vervolgens opgeheven in een ruimer verband, de Aufhebung. Hegel bewonderde Spinoza ten zeerste, maar dat is ongeveer de enige verdienste die hij voor mij heeft.

Johannes Kepler vatte de beweging van de planeten samen in drie astronomische natuurwetten. Niet lang daarna vatte Isaac Newton de gehele klassieke mechanica samen in drie bewegingswetten: de wet van de traagheid, de wet die kracht koppelt aan massa en versnelling, en de wet van actie en reactie (Principia Mathematica 1687). Voor alles wat hier op aarde in mensenmaat gebeurt, zijn dat nog altijd onze maatstaven. Later ontdekten natuurkundigen de drie wetten van de thermodynamica, die bepalen hoe energie, warmte en entropie zich gedragen. Boven al deze processen staat de kunstmatige wetmatigheid van de menselijke tijdsindeling: de onwrikbare opeenvolging van verleden, heden en toekomst.

Vergeten we ook de drie dimensies niet waarin we de afmetingen van voorwerpen beschrijven: L x B x H. Een voormalige buurvrouw vertelde me eens opgetogen dat ze eindelijk een egeltje in 3D had gezien, na de vele tweedimensionale op de openbare weg. De driehoek is het meest eenvoudige veelvlak: drie punten bepalen een vlak, zodat een driepikkel altijd op alle poten staat.

Enkele voorbeelden uit de literatuur.

In Dantes Divina Commedia zijn er drie sferen: Inferno, Purgatorio en Paradiso. Iedereen kent de Drie Musketiers Athos, Porthos en Aramis, en ook de gebroeders Karamazov. Sigmund Freud deelt de psyche drieledig in: het id (het instinctieve), het ego (het bewuste ik) en het superego (het morele geweten). Asimov bedacht slim de drie wetten van de robotica, in Runaround (1942):

  1. "A robot may not injure a human being or, through inaction, allow a human being to come to harm."
  2. "A robot must obey orders given it by human beings except where such orders would conflict with the First Law."
  3. "A robot must protect its own existence as long as such protection does not conflict with the First or Second Law."

Nu AI zo fel opkomt, en men waarschuwt voor de mogelijke ontsporing daarvan, moeten we die simpele wetten misschien toch eens opnieuw bekijken.

Macbeth ontmoet de drie Weird Sisters. De wijze Nathan (Lessing) vertelt een parabel over een vader met drie zonen, onder wie hij drie ringen verdeelt, een echte en twee exacte kopieën, zonder dat iemand weet welke de echte is. We kennen allemaal de drie biggetjes; ook de drie beren, kommen, stoelen en bedden uit Goudlokje. Bij de gebroeders Grimm is er het sprookje van de drie spinsters, ook een over drie veren en een over drie talen. In sprookjes mag men altijd drie wensen doen; zo ook Smidje Smee, die zijn ziel verkoopt aan de duivel in ruil voor drie maal zeven jaren voorspoed en rijkdom, maar voor zijn stoel, zijn kersenboom en een lederen plunjezak magische krachten krijgt wegens zijn gastvrijheid jegens Sint-Pieter, en daarmee de duivel verslaat wanneer die zijn ziel komt opeisen. Als kind zagen we dat toneeltje en joelden we enthousiast wanneer de duivel in de zak zit en slaag krijgt.

Een trilogie is een set van drie onderscheiden vooral literaire werken die als een geheel kunnen beschouwd worden. Het gebruik komt het eerst voor in de Griekse oudheid. Enkele beroemde trilogieën zijn de Oresteia van Aischulos, en natuurlijk Tolkiens The Lord of the Rings, althans als publicatie, niet in zijn eigen ogen. Er is een goed Wikipedia-artikel in het Engels: trilogy: https://en.wikipedia.org/wiki/Trilogy.

In de ecologie en economie spreken we over de drie pijlers van duurzaamheid: people, planet, profit (Elkington). Een vroege vorm van ecologische landbouw was het drieslagstelsel. De nucleaire afschrikking van grootmachten rust op de strategische overmacht van land, lucht en zee. De veiligheid van computernetwerken rust op de zogeheten CIA-triade: confidentiality (vertrouwelijkheid), integrity (integriteit) en availability (beschikbaarheid).

De genetische informatie in DNA en RNA wordt afgelezen in triplet-codons: telkens drie opeenvolgende nucleotiden bepalen samen welk aminozuur wordt aangemaakt. Er zijn (voorlopig?) drie subatomaire deeltjes: proton, neutron, elektron.

Ook in de akoestiek en de westerse harmonie keert onze drieledigheid terug. Laten we even dieper ingaan op de afstand tussen de verschillende tonen of noten van een toonladder, en de manier waarop die klinken als ze samen of na elkaar gespeeld worden. De afstand tussen de opeenvolgende noten van de toonladder verschilt opvallend: tussen mi en fa is er een maar een halve toon, en dat is ook zo tussen si en do. Op de piano zie je dat omdat er geen zwarte toets tussen die noten zit. De afstand tussen twee opeenvolgende noten op een piano bijvoorbeeld, noemen we een secunde. Samen gespeeld, klinkt dat echt niet goed. De afstand tussen twee niet-opeenvolgende tonen, dus als we een noot overslaan, noemen we een terts, omdat we niet naar de volgende, tweede (secundus) toon gaan, maar naar een derde (tertius). De twee tonen van die terts klinken samen vol en harmonieus. Als het anderhalve toon is (kleine terts), klinkt het melancholisch of droef, als het twee volle toonafstanden is (grote terts) klinkt het opgewekt en blij. Als we die elkaar niet-opeenvolgende tonen na elkaar afspelen, klinkt dat ook aangenamer dan wanneer we gewoon alle noten op een rijtje spelen. Do-mi-sol-do klinkt zelfs een beetje triomfantelijk, ook als samenklank.

Een muzikale eigenaardigheid is de tritonus. Een echte tritonus omvat drie hele toonafstanden, bijvoorbeeld do en fa kruis. Dat is een opvallend dissonante tweeklank, net zoals twee opeenvolgende tonen, wat verklaard wordt door de botsing van de frequentie van de geluidsgolven van die beide noten. We moeten bij de tritonus een onderscheid maken tussen de samenklank van twee tonen of noten die drie hele toonafstanden van elkaar gescheiden zijn, en de opeenvolging, het na elkaar zingen of spelen van twee dergelijke noten of tonen. In de vroege polyfonie werd de tritonus als tweeklank nog gewoon toegepast, vooral wegens de spanning die eruit voortkwam om naar een daarop volgend meer spontaan volgende en vertrouwde toon te komen. Maar de tritonus als toonafstand gold als te mijden, werd zelfs verboden, was des duivels, vandaar de (veel latere) benaming diabolus in musica. Het was voor zangers, zelfs geschoolde, niet gemakkelijk om de tritonus, een toon die volle drie toonafstanden van een andere verwijderd was, zuiver te treffen. Ook in de moderne muziek wordt de tritonus gebruikt, denk aan de Danse macabre (Saint-Saens), de Inferno-passage in Liszts Dantesonate, Wagners Tristan-akkoord, Moessorgski in Boris Godoenov, Debussy’s Prélude à l’après-midi d’un faune, Brittens War Requiem. Een analyse van het frequente en bijzondere gebruik van de tritonus in de jazz zou ons te ver leiden. Maar we kennen allemaal Maria uit Bernsteins West Side Story; Ma- is de grondtoon, -ri- is de tritonus, drie hele tonen hoger, die om een oplossing vraagt in de -a, een halve toon omhoog naar de reine kwint.

De triool deelt een binaire maat in drieën. In de sonatevorm herkennen we de drieledige opeenvolging van expositie, doorwerking en reprise, en de afwisseling snel-traag-snel. De driewegluidspreker zorgt voor een goede weergave met drie componenten: de woofer voor de lage tonen, de mid-range driver voor het middengebied en de tweeter voor de hoge tonen.

Met dank aan dr. S. Cooper en dr. A. Farrah Fowler, gerenommeerde vexillologen, hier een lijstje van nationale driekleuren, tricolores of (zuivere) tribands: België Frankrijk Guinee Ierland Italië Ivoorkust Mali Roemenië Tsjaad (verticale banen); Armenië Bulgarije Duitsland Estland Gabon Hongarije Jemen Litouwen Luxemburg Nederland Rusland Sierra Leone (horizontale).

Ik vermeld hier, louter ter aanvulling natuurlijk, dat sommige mensen weleens zin hebben in een seksueel triootje, of zelfs een langduriger driehoeksverhouding aandurven. In die context hoort ook de vermaning thuis tegen ongewenste vriendschappen of meer intieme relaties onder (christelijke) ongehuwden of verplichte celibatairen: numquam duo, semper tres, kortom numquam sex.

Toen ik hier in Residentie Populierenhof aankwam, ontdekte ik dat er een biljart aanwezig was. Een oude droom kon zo in vervulling gaan. Ik speel nu wekelijks meerdere uren met enkele medebewoners. We spelen nog wel geen driebanden, tenzij toevallig, maar het minder veeleisende libre of carambole, en dat doe je met drie ballen. Misschien is dat wel de aanleiding voor mijn belangstelling voor het getal drie?

  

Stuur door

Kijkcijfers

Kijkcijfers

Odi profanum vulgus et arceo. (Horatius, Carmina, III, 1)

Ik ben oud genoeg (°1946) om me de eerste televisies te herinneren die in mijn geboortestad Eeklo verschenen, niet bij ons thuis weliswaar, maar in de vitrines van winkels die radio’s en nu ook televisies verkochten, en vervolgens bij enkele meer begoede kennissen, waar we soms mochten gaan kijken — ik als jongste van onder de tafel. Sindsdien heb ik meer uren naar het tv-scherm zitten kijken dan me lief is, en maar heel zelden bewaarde ik daar goede herinneringen aan. Meestal verweet ik mezelf dat ik weer uren verdaan had met naar banale programma’s te zitten staren, alsof ik niet beter te doen had, en alsof er geen andere en betere manieren zijn om je te ontspannen. Er was een periode toen we zelf onze eerste kleuren-tv hadden en we ook op de BBC konden afstemmen, en ik danig opgetogen was over het aanbod daar. Sommige van die programma’s lopen nog altijd, zoals de Antiques Roadshow en Flog it! en daar kijk ik nog weleens naar, maar lang niet meer zo fanatiek. Als ik nu ’s avonds nog eens alleen voor de tv zit, zap ik vaak wanhopig van de ene zender naar de andere, en blijf dan meestal hangen bij een of andere heruitgezonden oude film, die ik dan met een half oog volg zonder geluid. Achteraf maak ik mezelf daarover terechte maar nutteloze verwijten. Mijn overheersend gevoel bij het medium is er een van teleurstelling: er is zo veel mogelijk met dat technisch schitterende medium, maar wat we ermee doen is van een zo bedroevend niveau dat als het aan mij lag, ik de tv al lang door het raam had gekeild; defenestreren noemt men dat.

Vandaag was er een mail van Telenet om het nieuwe tv-seizoen aan te kondigen op VRT en VTM. Ik heb me al vele jaren geleden geërgerd en moe-getergd afgekeerd van de VRT, zowel tv als radio: voor mij mogen ze dat ‘instituut’ nu gewoon meteen afschaffen. Dat is jammer, want ik was een fervente luisteraar van de klassieke, jazz en wereldmuziek op die zender, maar gaandeweg werden die programma’s ofwel afgevoerd, ofwel geteisterd door zelfingenomen oenen en ontstellende nulliteiten. Ik luister nu nog enkel naar gestreamde muziek. Voor het journaal was ik overgeschakeld naar VTM, uit ergernis nogmaals over wat er op VRT als nieuws en duiding kwam, maar hun andere programma’s bekijk ik niet. Ik overliep vandaag eens het lijstje van de programma’s van dat nieuwe seizoen, en er was er niet één bij dat ik ooit al had bekeken, en niet één dat ik ooit zal bekijken. Uit nieuwsgierigheid ben ik dan eens de kijkcijfers gaan opzoeken voor de top-tien Vlaamse programma’s, en ook daar was er geen een dat ik ooit al gezien had, op één uitzondering na, Down the Road, dat ik wel al eens mee-bekeken heb wanneer mijn partner aan het kijken was; maar ook bij dat programma voelde ik me allerminst goed: het voelde aan als voyeurisme, en ik had ernstige bedenkingen bij de compleet vergezochte (letterlijk en figuurlijk) beelden.

Ik vroeg me dan af of ik alleen sta met mijn desinteresse en zelfs grondige afkeer van het aanbod op de ‘gewone’ zenders. De kijkcijfers (alle cijfers die ik hier citeer komen van bronnen die Google AI me aanreikte, zoals CIM, VRT-jaarverslag, Statistiek Vlaanderen) van de top tien tonen aan dat 20 tot 30% van de volwassen bevolking naar elk van die programma’s kijkt, wat overeenkomt met 1,2 tot 1,7 miljoen mensen. Dat zijn er best wel veel in absolute cijfers, maar toch ook weer verrassend weinig, percentsgewijs. Let wel, het gaat om kijkdichtheid per programma, en mensen bekijken verscheidene programma’s uit het lijstje, of daarbuiten. Maar voor elk programma geldt toch ook weer dat 70 tot 80 % van de volwassen Vlaamse bevolking het niet bekijkt. Ik voel me al wat minder een uitzondering. Maar opgelet met statistieken: hoeveel mensen bekijken nooit een van de top tien? Dat blijkt die 23% van de volwassen bevolking te zijn die nooit tv kijkt (op de traditionele zenders). Maar ook daar zijn de verschillen groot: bij de 80-plussers bekijkt bijna iedereen weleens een en meestal verscheidene van die programma’s; slechts een bijna verwaarloosbaar percentage van hen kijkt niet, meestal omdat ze het niet meer kunnen…

Als ik het goed heb, behoor ik tot een wel erg kleine groep die wel tv kijkt, maar niet naar de top tien. Als tachtigjarige ben ik nog een veel grotere uitzondering. En dat is precies wat ik dacht, op grond van wat ik in mijn omgeving vaststel.

Als ik ook mijn luistergewoonten bekijk, blijk ik te behoren tot een groep van misschien hooguit tweeduizend Vlamingen die actief klassieke, jazz en wereldmuziek streamen.

Ik wil het niet per se op de spits drijven, maar als ik bekijk welke boeken ik lees, en in welke talen, en wat ik niet lees (kranten, weekbladen, hedendaagse literatuur), en als ik dat combineer met het bovenstaande kijk- en luistergedrag, dan kom ik tot de slotsom dat ik meer dan waarschijnlijk uniek ben. Q.E.D.

Stuur door

Oorsprong, opgang en ondergang van het godsgeloof.

De oorsprong, opgang en ondergang van het godsgeloof.

Een van de traditionele argumenten voor het bestaan van God is het alom en altijd aanwezig zijn van het geloof in een god. Dat zou erop wijzen dat het een ‘natuurlijk’ verlangen is in de mens. Daartegen heeft men altijd al ingebracht dat het onmogelijk te bewijzen valt dat er geen uitzonderingen zijn op die regel, en dergelijke goddeloze gemeenschappen heeft men dan ook her en der gesignaleerd, vaak in gebieden die ver afgelegen waren van de westerse beschaving, bijvoorbeeld bij het ontmoeten van inheemse volksstammen in de nieuw ontdekte continenten. Daaruit alleen al kan men afleiden dat godsdienst, en zeker de godsdiensten van het boek, jodendom, christendom en islam, ten gronde aangeleerd zijn, en zelfs altijd opgedrongen en afgedwongen. Dat wordt bevestigd wanneer men de verspreidingsgeschiedenis van die godsdiensten onderzoekt: die is altijd vanuit een machtspositie en bijna altijd gewelddadig gebeurd bij een onwillige bevolking. Denk aan de godsdienstoorlogen, waarbij hele bevolkingen gedwongen werden een bepaalde godsdienst te aanvaarden omdat hun gezagsdragers dat zo wilden. Maar zelfs indien werkelijk alle samenlevingen een of andere godsdienst zouden kennen, bewijst dat nog niet dat dit beantwoordt aan een algemeen menselijk verlangen: het is nog steeds mogelijk, en zelfs aantoonbaar, dat het om een opgedrongen ideologie gaat, waarmee sommige mensen hun medemensen aan zich wisten te onderwerpen. Een ander argument voor vindt men in het feit dat godsdiensten die vroeger wijdverbreid waren, nu volledig verdwenen zijn. Dat is vooral gebeurd omdat ze geen bedienaars meer hadden, hetzij omdat die zelf hun geloof hadden opgegeven en hun godsdienst onder de bevolking alle geloofwaardigheid had verloren, hetzij omdat het hun door de machthebbers streng verboden werd hun geloof nog te praktiseren. Indien die godsdiensten hadden beantwoord aan een onuitroeibaar menselijk verlangen, zouden ze op een of andere manier voortgeleefd moeten hebben, quod non. Het gaat in godsdienst niet om die ene absolute God, zoals alle godsdiensten verkondigen, waarvoor alle andere goden moeten zwichten; het gaat zelfs helemaal niet om God, maar om een specifieke ideologie die men godsdienst noemt en die inderdaad een heel menselijk verschijnsel is: dat de massa zich gemakkelijk onder valse voorwendselen en met allerlei dwangmiddelen laat inpalmen door sluwe en cynische gewetenloze lieden die enkel op eigenbelang belust zijn. Mundus vult decipi?

Een opmerkelijk voorbeeld van de spectaculaire ondergang van een dominante godsdienst is de algemene ontkerkelijking in de landen waar het christendom zijn grootste bloei heeft gekend, West-Europa. De massale uittocht op korte tijd van door het verplichte celibaat gefrustreerde, door de behoudsgezinde doctrine gedesillusioneerde of door de veranderende levensomstandigheden, inzonderheid de gezagscrisis na en door de Tweede Wereldoorlog, tot andere inzichten gekomen priesters, monniken en vrouwelijke religieuzen heeft er mede voor gezorgd dat ook de gewone gelovigen er de brui aan gaven en praktisch van de ene dag op de andere wegbleven uit de kerk. Eens het instituut het begaf, zijn maatschappelijke macht verloor en de gewone priesters verdwenen, lieten de gelovigen alle nutteloze opgelegde plichten opgelucht en zelfs enthousiast vallen. Vandaag zijn er in Vlaanderen nog amper priesters en roepingen, en al zeker bijna geen Vlaamse meer. Het kerkbezoek ligt onder de vijf procent van de bevolking, en de gemiddelde leeftijd van de gelovigen bereikt stilaan de gemiddelde levensverwachting. En er komt opvallend niets voor in de plaats: mensen zoeken geen ander geloof, ze worden ongelovig.  Dat lijkt wel een terugkeer naar de natuurlijke toestand, veeleer dan dat de cynisch afgedwongen — en verre van oprecht overtuigde — algemene gelovigheid dat ooit was.

Uit dergelijke vaststellingen kunnen we niet anders dan concluderen dat wanneer de priesters verdwijnen, ook hun godsdienst en hun goden verdwijnen. Zonder priesters is er geen godsdienst, zonder godsdienst is er geen god. Omgekeerd, dat godsdienst niet ontstaat uit een of ander diepmenselijk maar mysterieus gemis, maar altijd en overal een aangeleerde gewoonte en een onrechtmatig afgedwongen maatschappelijke machtsgreep van mensen is. Aangeleerd door personen die zich op die manier, namelijk door het verbreiden van een openbaringsreligie, van een bevoorrechte positie proberen te verzekeren, waarin een hiërarchische religieuze elite vrijgesteld is van hard labeur en grote zorgen om hun gezin, en zich verzekert van persoonlijk comfort, aanzien, invloed, macht en rijkdom, ten nadele van de bevolking waarop ze parasiteren — niet zelden met inbegrip van oprechte maar goedgelovige eenvoudige leden van de lagere clerus en van de kloosterlingen. Dat blijkt de essentie te zijn van elke godsdienst in de geschiedenis van de westerse wereld.

Een slotbedenking: de drie godsdiensten van het boek, de joodse, christelijke en islamitische, zijn ontstaan in het Midden-Oosten en hebben zich van daaruit verspreid naar West-Europa en later naar de gekoloniseerde gebieden op andere continenten. West-Europa heeft geen ‘eigen’ godsdiensten meer, en als het die ooit al gehad heeft, waren dat geen instellingen zoals bijvoorbeeld het christendom of de islam. Nu het christendom geïmplodeerd is, is er hier alleen nog het zeer beperkte jodendom en de met de immigranten ingevoerde islam, onder joden en personen afkomstig uit moslimlanden. Ze hebben geen aanhang onder de autochtone westerse bevolking, die heeft na haar bevrijding andere keuzes gemaakt, ondanks de millennia-lange massale en ongenadige indoctrinatie, of misschien juist daardoor. Om het Johannesevangelie (selectief) te citeren: ‘U zult de waarheid kennen, en de waarheid zal u bevrijden’. (Joh. 8, 32)

Stuur door

Meer van Kroniek

↑ Terug naar de berichten