Gastrubriek: Leesportefeuille, Hugo D'hertefelt, 10
Ego à volonté in Privé-domein
De boeken
Hugo D’hertefelt, Hasselt, maart-april 2021
Intro
In de jaren 1980 was er in Hasselt een boekhandel, De Markies van Carabas, uitgebaat door Wim Heynen. Op zekere dag kreeg Wim het op zijn heupen, denk ik, van mijn besluiteloos rondhangen in zijn winkel want plots duwde hij mij een boek in mijn handen met de boodschap: ‘Hier, dat moet ge lezen’. Wat later stond ik buiten, een beetje beduusd van zijn optreden, met Verre jaren: Herinneringen aan het tsaristische Rusland van Konstantin Paustovski. Ik heb me de aanschaf van het boek niet beklaagd en ik ben Wim altijd dankbaar gebleven voor zijn abrupte advies. Want ook de zes andere delen van de autobiografische verhalen van Paustovski heb ik gekocht én gelezen. Een aanrader overigens, maar daar wil ik het nu niet over hebben, wel over de boekenreeks waarin ze zijn verschenen: Privé-domein.
Ontstaan
De Nederlandse uitgeverij Arbeiderspers start de reeks in 1966. Initiatiefnemers zijn Joop Veeninga, de toenmalige adjunct-directeur,enMartin Ros. De inspiratie voor de reeks vinden ze bij de Franse schrijver Paul Léautaud, meer bepaald bij zijn Journal particulier, een boek met erotische verhalen dat in het midden van de jaren 1960 in Frankrijk onder de toonbank wordt verkocht en waar de uitgever Éditions du Cap uit Monte Carlo een schuilnaam voor gebruikt: Domaine Privé.
Van 1966 tot 1997 heeft Martin Ros de leiding, want Joop Veeninga overlijdt na een auto-ongeval op 1 mei 1966. Hij maakt het verschijnen van de eerste titel niet mee. In 1997 moet Martin Ros noodgedwongen afhaken na een herseninfarct. (In december 2020 overlijdt hij ten gevolge van corona, net geen vierentachtig.)
Het allereerste boek in de reeks is Herinneringen aan mijn Roomse jeugd van Mary McCarthy. De keuze zou zijn ingegeven door Martin Ros, die ooit een gelijkaardig boek had willen schrijven. (In 1997 heeft hij dat ook gedaan, het verscheen niet in Privé-domein.)
In het begin bevat de reeks ook triviale, minder hoogstaande literatuur, maar algauw evolueert de reeks naar hoogwaardige egodocumenten van literaire of andere bekende figuren.
Een luxueus blokboek
Er gaat veel zorg naar de vormgeving van de boeken. De toenmalige productiechef Wim Mol kiest voor een afwijkend formaat, geen Gulden Snede (wat dat ook moge zijn) maar 11,5 bij 19,5 cm. Dat geeft de boeken een geblokt uitzicht. Ze lijken gebonden maar ze zijn het niet, ze bestaan uit genaaid gebrocheerde katernen wat intensief gebruik toelaat zonder dat de pagina’s loslaten. Ook de papierkeuze bepaalt mee de allure van de boeken. Geen krijtwit-gebleekt papier dat toen in de mode was, maar crèmekleurig gevergeerd papier, wat een extra cachet geeft. En in de plaats van een harde of geplastificeerde kaft heeft de omslag zowel voor- als achteraan een flap, zodat de boeken toch stevig aanvoelen. Als symbool voor de beslotenheid van het onderwerp staan de paginacijfers tussen haakjes en is op de bladzijde tegenover het titelblad de naam van de reeks tussen guillemets (Franse aanhalingstekens) geplaatst: «PRIVÉ-DOMEIN», met daaronder het nummer van het boek.
Verzorgde omslag
Het basisontwerp van de omslag is van Kees Kelfkens. En al is die man in 1987 overleden, de opvolg(st)ers zijn eraan trouw gebleven. Zijn naam staat nog altijd in het colofon. Bravo!
Ik laat Kees Kelfkens zelf aan het woord:
‘In een van de talloze voorontwerpen verschijnt voor het eerst het gekleurde kader - als verzinnebeelding van het begrip privé-domein. […] De kleuren op de omslagen -nooit meer dan twee, plus zwart (voor de titel) – worden niet ‘verzonnen’, zoals men soms denkt, maar komen uit de boeken zélf voort. Daarom zijn geen twee omslagen gelijk van kleur – en zijn ook geen twee boeken hetzelfde. Voor de kleuren is er bijna altijd wel een aanleiding of associatie met de inhoud van het boek. Paars werd de kleur voor Mary McCarthy’s Herinneringen aan mijn roomse jeugd. Strindbergs Inferno kreeg de kleuren van het vuur, bij Céline past een gifgroen en bij Paustovskij’s Sprong naar het zuiden een mediterraan blauw. […] Elk omslagontwerp wordt eerst op ambachtelijke wijze uitgeschilderd, soms drie- of viermaal, telkens met een ander verfje.’
De variatie in de omslag van de boeken zit ook in de achtergrondillustraties. Het mocht geen portrettengalerij worden, vond Kees Kelfkens. Het vinden van toepasselijke illustraties gaat vaak gepaard met tijdrovende expedities naar bibliotheken, instituten of fotoarchieven. Soms levert een auteur zelf het nodige illustratiemateriaal aan.
In meer dan 50 jaren vrijwel niets veranderd. Schitterend!
In het begin brengt men de boeken uit op de Franse niet-opengesneden wijze om het ‘privé-domein’-karakter extra te benadrukken. De lezer moet dan de bladzijden zelf opensnijden. De Nederlandse lezers kunnen het slechts matig appreciëren (‘De bewuste uitvinder van dit gedoe moest beter weten: het veroveren van een boek zit niet in een mes’). En ook de boekhandelaren zijn er niet dol op. In 1974 stopt men er mee.
Dat is de enige wijziging in het oorspronkelijke ontwerp van het boek sinds 1966.
Cyrille Offermans kon dat opensnijden nochtans wel appreciëren. In een recensie van Berlijnse Jeugd van Walter Benjamin in De Groene Amsterdammer schrijft hij:
‘De materiële verschijningsvorm van die reeks kon voor Berlijnse jeugd bedacht zijn: het sepiakleurige omslag met flappen, het niet te witte en te gladde papier, de rafelranden van de met een papiermes open te snijden katernen. De ‘onopengesneden’ pagina’s corresponderen fraai met de sfeer van geduldige, maar gespannen verwachting zoals beschreven in het stukje over de viering van Eerste Kerstdag in ‘Bloemshof 12’, de reusachtige woning van Benjamins grootmoeder, waar hij zich als kind ‘zelfs nog meer geborgen voelde’ dan in zijn ouderlijk huis.’
Prestigeobject
De reeks is een blijver. Alleszins tot nu toe. In januari 2021 verschijnt nummer 314, een brievenboek van Charles Baudelaire ter gelegenheid van zijn geboortejaarverjaardag.
Meer dan driehonderd boeken in vijfenvijftig jaar, gemiddeld vijf à zes per jaar dus. De jaren 1980 zijn echte topjaren. Tussen 1984 en 1994 verschijnen jaarlijks gemiddeld tien nieuwe titels. In 1988 zijn er dat zelfs zestien. Ronald Dietz, directeur van de AP in die tijd, naar eigen zeggen nochtans een koele minnaar van series, vindt de reeks een waardevol prestigeobject, goed voor het ‘corporate image’, vertelt hij in een interview aan Lisa Kuitert, die het verschijnsel boekenreeks in Nederland heeft bestudeerd.
Ilja Leonard Pfeijffer ziet het anders. In Brieven uit Genua suggereert hij, met een sarcastische sneer, dat ‘die man’ (Dietz dus) in zijn tijd de reeks heeft verkwanseld aan mindere goden. Tegelijk spreekt hij in zijn brief van 20 februari 2015 aan Peter Nijssen, uitgever bij de Arbeiderspers, zijn waardering uit ‘dat de reeks dankzij jouw inspanningen bij een opnieuw zelfstandige Arbeiderspers volgend jaar zijn gouden jubileum kent’. En hij voegt eraan toe ‘Het is een mooie samenloop van omstandigheden dat mijn boek in dat jubileumjaar kan verschijnen’. Blijkbaar heeft het niet veel gescheeld ‘of de hele reeks was onder druk van de wurgende winstverwachtingen van het WPG-concern opgeheven.’ Maar Pfeijffer is trots op Peter Nijssen omdat hij ‘als een verbeten samoerai onder de gerafelde banier van de militant onverkoopbare literatuur een gevecht [heeft] geleverd voor het behoud van deze voorbeeldig vormgegeven vrijplaats voor kattenbelletjes en private sores’.
Een mooi verwoorde ode aan de reeks en aan hen die knokken voor het behoud ervan, maar of het gevaar van verdwijning helemaal is geweken, valt nog te bezien.
Verkoop en herdrukken
Een echt verkoopsucces is de reeks nooit geweest. Een oplage van vijfduizend exemplaren is al veel. De verkoopstopper is (was?) Omzien in verwondering van Annie Romein-Verschoor uit 1971 met vijftigduizend exemplaren. De reeks heeft een klein, maar geïnteresseerd publiek, zoveel is zeker. Kuitert schrijft daarover: ‘De delen zijn zo luxe en gewild, dat ze bij veel boekhandelaren achter glas staan: Privé-domein hoort evenals de Russische Bibliotheek tot de bij winkeldieven meest geliefde boeken.’
Sommige boeken zijn meer gegeerd dan andere, dat is te merken aan de herdrukken.
De behouden tong van Elias Canetti uit 1978 haalt in 2018 een tiende druk. En van het tweede deel van zijn autobiografie De fakkel in het oor verschijnt in 2020 een zesde en zevende herziene druk. Haat is een deugd van Gustave Flaubert uit 1979 zit in 2009 aan een negende druk, speciaal verguld want het boek is, in een door de Arbeiderspers georganiseerde poll, door de lezers verkozen tot Gouden Privé-domein.
Toen ik me omstreeks 1987 de boeken van Paustovski aanschafte, waren drie van de zes al aan hun vierde of vijfde druk toe. Van Stefan Zweigs De wereld van gisteren uit 1990 verschenen minstens twee herdrukken. Beide auteurs komen ook voor in de eerst vijf van de poll om het Gouden Privé-domeinboek.
Ook recentere uitgaven hebben succes. De eerste keer dat ik mijn hoed verloor van de Franse schrijfster Colette uit 2017 had in datzelfde jaar al drie herdrukken, en het exemplaar dat ik in de bib ontleende was een vierde druk van 2018.
Verzamelobject
Anderzijds zijn heel wat titels niet meer of moeilijk beschikbaar. Er is een tweedehands circuit in antiquariaten, bij de Slegte en andere tweedehandsboekhandelaren. In die antiquarische handel is het een kwestie van vraag en aanbod. Sommige boeken zijn zeer goed verkrijgbaar, maar niet gewild en andere zijn heel erg gewild, maar moeilijk te krijgen. Er is een klein groepje verzamelaars dat op zoek is naar titels die bijna niet meer te vinden zijn. Anderen zoeken gericht naar bepaalde boeken, die van componisten, bijvoorbeeld, of die van Russische auteurs. Het aanbod hangt af van de oplage, het jaar van uitgave en of er al dan niet herdrukken zijn geweest. Titels met kleine oplages zijn zeldzamer en hetzelfde geldt voor oudere uitgaven, hoewel er uitzonderingen zijn.
Titels
Afgaand op de titel is het vaak raden waar het boek over gaat. Maar de titel zelf is dikwijls een pareltje. Ik beken, ik heb geleefd van Pablo Neruda. Mooi toch, de viriliteit spat ervan af. Soms is het geheimzinnig. Wat gaat er schuil onder Heksensabbat van Maurice Sachs, Adder onder adders van Victor Alexandrov, Een olifant omleggen van Georges Orwell of Sartres Schemeroorlog?
Mijn leven als genie van Salvador Dalí, dat is duidelijk. Maar op wie slaat Zo’n genie ben je nu ook weer niet?Tot je erachter komt dat auteur Alice Schwarz de moeder is van Harry Mulisch. Lodewijk van Deyssel koos de ultieme titel voor een egodocument, Het IK, maar A.H.J. Dautzenberg zegt: opgepast, Ik bestaat uit twee letters en Atte Jongstra voegt eraan toe: er zijn ook Klinkende ikken.
Het is een vloek een meisje te zijn,vindt Alma Mahler. Dat zal wel, zegt Arthur Schopenhauer, want Er is geen vrouw die deugt, maar even later is het De wereld deugt niet. Globalisering avant la lettre? Er zijn nóg titels met een moraliserende ondertoon: Alles is ijdelheid bij Claire Goll, Roem is een slang bij Vasili Rozanov, Haat is een deugd bij Gustave Flaubert. Die laatste vindt ook Geluk is onmogelijk, maar Arthur Japinpareert met Geluk, een geheimtaal.
Wat bedoelt Colette met De eerste keer dat ik mijn hoed verloor, Georges Grosz met Een klein ja, een groot nee, Paul de Wispelaere met Het verkoolde alfabet, Elias Canetti met Behouden tong, De fakkel in het oor en Het ogenspel? Marie Bashkirtseff verdedigt zich bij voorbaat met Waarom zou ik liegen. Overbodig, oordeelt J.J. Peereboom, want Vraag niet waarom. Geniet toch van De schittering van woorden zegt Zinaida Hippius. Oké, maar wel met mondmasker en afstand houden, want Heere Heeresma’s motto is: Bleib gesund!
Genres
Autobiografische verhalen
Dit genre komt het meest voor. Soms is het gemakkelijk te herkennen. Ivan Toergenjev en Anna Dostojevskaja houden het simpel met Herinneringen. Sommigen voegen er nog wat aan toe. Paul Léautaud heeft Lichtzinnige herinneringen, Françoise Sagan Dierbare herinneringen, Annie Salomons Herinneringen uit de oude tijd. Bij Saint-Simon zijn het gewoonweg Memoires, maar Heinrich Heine schrijft Memoires en bekentenissen. Yeats houdt het op Autobiografieën, terwijl V.S. Naipaul blijkbaar een aanloop nodig heeft met een Proloog voor een autobiografie. Dekindertijd of de jeugdjaren is voor velen een reden om in de pen te kruipen, denk aan Mary McCarthy, maar zij is lang niet de enige.
Dagboeken
Het idee van de reeks is ontstaan uit de dagboeken van Paul Léautaud. Die man was een fenomeen in het noteren van zijn bezigheden, zielenroerselen en amoureuze escapades. Postuum zijn van zijn Journal littéraire negentien delen gepubliceerd van elk gemiddeld vierhonderd bladzijden. En Matth. Koekelkoren voegt eraan toe in zijn nawoord van een selectie ervan in Literair dagboek 1893-1921 ‘wat zeker niet alles geweest zal zijn gezien de vraatlust van zijn talrijke katten en honden en het door hem persoonlijk in de tuin opgestookte.’
Zo zijn we bij het verschijnsel vertaler/samensteller/ bezorger. Wanneer de omvang van het gepubliceerde materiaal te groot is, moet er geselecteerd worden. Daar zorgt meestal de vertaler voor, maar niet altijd. Duiding krijg je dan in een voorwoord en/of nawoord, aantekeningen zorgen voor informatie over gebeurtenissen, personen en andere nuttige verklaringen. De waarde van de bezorger kan niet onderschat worden.
Tal van coryfeeën uit de wereldliteratuur en andere bekendheden hielden dagboeken bij. Om er maar enkele te noemen: de schrijvers Virginia Woolf, Bertolt Brecht, Sylvia Plath, de filosoof Kierkegaard, de ‘duizendkunstenaar’ Jean Cocteau, de componist Sergej Prokofjev.
Brievenboeken
Brieven schrijven is uit de mode, maar is een intensief tijdverdrijf (geweest) voor heel wat auteurs. Gustave Flaubert, bijvoorbeeld, was een grootmeester. Hij deed dat ‘na zijn uren’ als verpozing na de dagelijkse arbeid en ook om contact te houden met de buitenwereld. Van die omvangrijke correspondentie, voor sommigen hét meesterwerk van Flaubert, is het overgrote deel bewaard gebleven. Ze omvat vier forse Pléiade-delen. Een selectie is opgenomen in Privé-domein in vier brievenboeken.
Jeroen Brouwers heeft ‘ongetwijfeld meer dan tienduizend brieven geschreven’, bekent hij in zijn brievenboek Kroniek van een karakter. Ze zijn bedoeld ‘om mij te ontspannen van mijn serieuze schrijverij’. Is hij de Flaubert van de Lage Landen?
Sommige brievenboeken zijn beperkt tot een bepaalde periode. Er zijn er zelfs die slechts op één jaar slaan, zoals Het leukste jaar uit de geschiedenis van de mensheid van Ronald Giphart.
Verschillende brievenboeken gaan over reizen of langere verblijven in het buitenland, zoals de Braziliaanse brieven van August Willemsen, de Afrikaanse brieven van Arthur Rimbaud, de Brieven uit China van Victor Segalen en de Brieven uit Rusland van de negentiende-eeuwse Franse schrijver Astolphe Marquis de Custine.
Reisverhalen
kleine groep egodocumenten heeft betrekking op reizen, maar niet in de vorm van een brievenboek. Er zijn de wereldglobetrotters van de twintigste eeuw, Graham Greene en de Pool Ryszard Kapuściński. Maar reeds in de negentiende eeuw maakt de Russische schrijver Ivan Gontsjarov een Reis om de wereld. Het eerste reisverhaal in de reeks is Heinrich Heine’s De Harzreis, een wandeltocht die hij als student maakte in de herfst van 1824 en die tegenwoordig de "Heinrich-Heine-Weg" wordt genoemd. De Nederlandse schrijver Marcellus Emants gaat in 1875 Op reis door Zweden omdat hij zich meer thuis voelt in bergachtige gebieden dan op het vlakke land van Nederland en ook om de in Nederland heersende moraal te ontlopen.De Nederlandse Surinamer Albert Helman brengt in Het eind van de kaart verslag uit van een expeditie in de nog onontgonnen binnenlanden van Suriname en komt daarbij niet alleen de natuur, maar ook zichzelf tegen.
Gesprekken
Een andere, wat aparte vorm van egodocument is een boek dat over iemand anders gaat dan de auteur zelf. Gesprekken met Goethe van Johann Peter Eckermann is daar een voorbeeld van. Een ander voorbeeld is Gesprekken met James Joyce van Arthur Power, ook een Ier, die evenals Joyce op jonge leeftijd zijn land had verlaten. Hij slaagde erin tot de intieme kring van Joyce door te dringen en hem aan de praat te krijgen. In De kroniek van een vriendschap vertelt Robert Craft, als intiemste vriend, over de laatste twintig levensjaren van Igor Stravinsky. De door Lidija Tsjoekovskaja opgetekende Ontmoetingen met Anna Achmatova omspannen bijna een kwarteeuw, te beginnen aan het einde van 1938. In Verhoor: Mooi weer vandaag, op naar het kerkhof interviewt de latere Nobelprijswinnaar Patrick Modiano de Frans-Joodse essayist Emmanuel Berl, kort voor diens dood in 1976. Verder zijn er in dit genre nog Uren met Flaubert van Maxime du Camp, het boek van Valentin Boelgakov over het laatste levensjaar van L.N. Tolstoj en Rondom Tsjechov van diens broer Michael.
Aforismen
Er zijn egodocumenten waarin de auteur weinig feitelijke informatie geeft over zichzelf of over de wereld waarin hij leeft maar wel in korte of langere teksten zijn mening spuit over van alles en nog wat, vaak afgewisseld met korte, puntige uitspraken, die men aforismen noemt. Een grootmeester op dat vlak was Arthur Schopenhauer. Er is geen vrouw die deugt is een bundel essays en aforismen gebaseerd op de zogenaamde ‘Kleine Schriften' (Parerga und Paralipomena) vol prikkelende uitspraken, aforismen en anekdoten over letterlijk van alles: vrouwen, verveling, godsdienst, opvoeding, politiek, lawaai, zelfmoord, et cetera.
Een veelschrijver in dit genre is Elias Canetti. Vijf van zijn negen boeken in Privé-domein zijn gevuld met ‘aantekeningen’ uit een bepaalde periode. Dat is niet allemaal autobiografisch materiaal, want bij ontlening in de bib kom ik erachter dat het grotendeels aforismen en andere korte teksten zijn die weinig of geen verband hebben met de realiteit van zijn bestaan, maar die wel veel zeggen over zijn persoon en zijn schrijfkunst.
Mengvormen
Uiteraard zijn er egodocumenten die zich niet laten klasseren. Als voorbeeld daarvan twee boeken van onze West-Vlaamse Hasselaar Luuk Gruwez. Met een interval van iets meer dan twintig jaar verschenen Het land van de wangen en Het land van de handen. Het zijn boeken met dagboekaantekeningen, brieven, reisnotities, droomrelazen en andere schrijfsels. Zo zijn er nog wel meer in de reeks.
Speciale uitgaven
Twee nummers van de reeks zijn gewijd aan besprekingen van de reeds verschenen titels. In 1978 verschijnt Privé-domein. Schrijvers over zichzelf van Martin Ros en Th. A. Sontrop. In 1984 doen Martin Ros en Emile Brugman het nog eens uitgebreider over met Privé-domein 1966-1984. In 2013 verschijnt Schrijvers op reis. Privé-domein gaat op vakantie, een nummer met reisverhalen van auteurs die reeds in de reeks zijn opgenomen, maar ook van andere.
Sommige speciale uitgaven zijn niet opgenomen in de reeks. Peter J. Claessens legt zich in Familieportret van Privé-domein toe op de familierelaties van o.a. Paul Auster, H. C. Andersen, Klaus Mann, Pessoa, Rousseau. Uit hartstocht en woede: Het mooiste over muziek uit Privé-domein is een bloemlezing van Bas van Putten met Privé-domeinfragmenten over muziek en musici. Rosita Steenbeek deed hetzelfde in Liefdesdomein maar dan met fragmenten over liefdeservaringen van vermaarde auteurs. Mels De Jong en Martin Ros stelden een boek samen over Paul Léautaud. 1872-1956: Een portret in foto’s en teksten. Verder is er een Privé-domein Verjaardagskalender met de verjaardagen van alle tot 2015 verschenen auteurs en een Privé-domein Scheurkalender.
Epiloog
Het is een lange zoektocht geweest om informatie te vinden over auteur en inhoud van zijn/haar boek. Het begon in 2018 als voorbereiding op een korte voorstelling in het Cultuursalon van De Tijd Hervonden. Ik vond toen op de website van de Arbeiderspers een catalogus van alle Privé-domeinboeken inclusief korte inhoud en gevisualiseerd met de omslag, interviews met Martin Ros, redacteur Peter Claessens, onderzoekster Lisa Kuitert, een rubriek vraag, aanbod, prijs en zeldzaamheid.
Niets daarvan vond ik begin 2021 terug. Op de achterflap van de boeken staan tegenwoordig drie ‘officiële’ informatiekanalen. Ik heb ze alle drie geraadpleegd.
Als ik arbeiderspers.nl intik, kom ik terecht op de website van Singel Uitgeverijen, waar verschillende andere Nederlandse uitgeverijen zijn ondergebracht met hun fonds. Er heeft zich blijkbaar een centralisering voorgedaan van de informatie over de beschikbare boeken. Via de pagina van de Arbeiderspers op deze website krijg ik slechts informatie over zes boeken als ik Privé-domein intik. De hele catalogus… Niet te vinden. Onbegrijpelijk, het was toch een prestigeobject!
Met de tweede piste, privedomein.nl, kom ik terecht op de website van De Slegte. Heel eigenaardig. Die is wel goed voorzien, maar niet volledig, en niet alle boeken hebben een inhoudsbeschrijving, wel informatie over beschikbaarheid, tweedehands of ramsj.
De derde mogelijkheid is facebook.com/privedomein. Ik zit daar niet op, maar toch geprobeerd bij vrienden. Enkel puur commerciële informatie over de laatstverschenen titel.
Privé-domein is literair erfgoed, vind ik. Het is treurig dat de informatie over de reeks als geheel zo stiefmoederlijk wordt behandeld. Schaam je, literair Nederland!
Uiteindelijk heb ik het zo opgelost. Op Wikipedia staat een lijst met de 314 titels en de naam van de auteur, zonder inhoudsbeschrijving. Door naam en titel te googelen kon ik de inhoud van heel wat boeken achterhalen via de websites van De Slegte of Bol.com en informatie over de auteurs vond ik uiteraard via Wikipedia. De bibliotheek Hasselt-Dusart heeft een behoorlijke collectie Privé-domeinboeken met soms een inhoudsbeschrijving. Maar ook weer niet volledig, ongeveer zeventig titels ontbreken. Waarom eigenlijk?
Het in handen houden, besnuffelen, er in grasduinen is tenslotte dé manier om te weten waar een boek voor staat. Daar ben ik mee bezig. Wordt vervolgd.

