Keren Mock, Hébreu. Du sacré au maternel, Paris: CNRS Éditions, 359 blz., €25 (paperback).
Wat weten wij als leek over het Hebreeuws? Zo goed als niets: het is de taal van de Joden en het schrift is heel verschillend van het onze en onmiddellijk herkenbaar als Hebreeuws. Na lezing van dit boek zullen we veel meer weten over deze taal en de mensen die ze gebruiken. De auteur benadert het Hebreeuws als een archeologe van de taal: ze bekijkt wat er vandaag van overblijft en graaft dan naar de onderliggende lagen in wat ze een intertekstuele anastylose noemt: het reconstrueren van het verleden op grond van de sporen die ervan overgebleven zijn.
De auteur laat ons kennismaken met de Hebreeuwse taal op verschillende manieren.
Vooreerst neemt ze ons mee naar het hedendaagse Israël en bekijkt er de situatie van de Joodse immigranten en hun nakomelingen. Vandaag is het Hebreeuws of Ivriet een van de twee officiële talen van het land, naast het Arabisch. Dat klinkt vanzelfsprekend, maar dat is het helemaal niet. Het Hebreeuws was namelijk al voor de diaspora aan het begin van onze tijdrekening een dode taal voor het grootste gedeelte van de bevolking van het oude Israël. Het was de taal van de Bijbel, van het gebed en de eredienst en van de Bijbelstudie. In het dagelijkse leven sprak men een andere taal. Ook de hedendaagse Joodse immigranten hadden een andere moedertaal en werden verplicht het Ivriet te spreken in alle domeinen van het publieke leven. Zo werd het Hebreeuws voor hen een nieuwe moedertaal, de taal van hun nieuwe vaderland, een levende taal naast het Bijbelse Hebreeuws van hun godsdienst.
Die overgang verliep vanzelfsprekend niet zonder grote moeilijkheden. Vooreerst is er de niet geringe inspanning die vereist is om op korte tijd een nieuwe taal aan te leren en die actief te gebruiken onder alle omstandigheden. Daarnaast is er de niet minder grote psychologische drempel om de eigen moedertaal op te geven. Maar dat maakt deel uit van de afspraak: wie naar Israël uitwijkt, moet Hebreeuws leren spreken en schrijven. Dat lijkt voor de hand liggend voor Joden, maar dat is alleen zo voor buitenstaanders, die niet beseffen dat Hebreeuws voor de Joden overal ter wereld niet hun moedertaal was, maar een dode taal die ze nauwelijks of niet begrepen. Voor al die immigranten met zeer verschillende geografische achtergrond was de overgang van hun moedertaal naar het Hebreeuws als een levende taal een serieuze opgave.
De auteur interviewde twee Israëlische schrijvers, Aharon Appelfeld en Sami Michael, en bespreekt met hen de overgang die zij gemaakt hebben waarbij ze hun moedertaal als het ware verloochenden om zich in hun literaire productie nog uitsluitend te uiten in het Hebreeuws. Dat zijn uiterst boeiende bladzijden, die ons een goed idee geven van de complexiteit van de Joodse immigratie en de vorming van de moderne staat Israël, maar ook van de bijzondere situatie van de schrijvers die deze overgang gemaakt hebben, of zich tot schrijver ontwikkeld hebben in deze moeilijke omstandigheden.
In een tweede deel ontdekken we de herleving van het Hebreeuws als een gesproken taal. De oorsprong van deze beweging blijkt te liggen bij de Joodse intelligentsia in Europa in de Verlichting, die de nood aanvoelde om zich in het Hebreeuws uit te drukken voor andere zaken dan de godsdienst. Het was een periode waarin bevolkingen zochten naar een identiteit en die uitdrukten in de wens voor een eigen taal en een eigen land. Voor de Joden kon dat land niets anders zijn de het Heilig Land, het oude Israël. En de eigen taal kon niets anders zijn dan het aloude Hebreeuws, de taal van de Bijbel. Maar die taal was totaal ontoereikend en ongeschikt voor haar nieuwe doel: een taal voor het dagelijks gebruik in een nieuwe wereld, tweeduidend jaar nadat het Hebreeuws versteend was tot een dode taal; een taal voor profane onderwerpen, voor niet-religieuze literatuur en voor wetenschap, voor het politieke en maatschappelijke debat. En dus moest men die taal niet alleen doen herleven, door het onderwijs en door publicaties in het Hebreeuws, men moest die oude taal, die erg beperkt was zowel in haar omvang als in de aard van haar vocabularium, ook uitbreiden met een gans nieuwe woordenschat, zoals vereist door de nieuwe omstandigheden van tijd en plaats. Daartoe kon men Bijbelse woorden eventueel een nieuwe, profane betekenis geven, maar dat was niet altijd mogelijk en bovendien stuitte dat op verzet van religieuze zijde: het woord van God was heilig en het Bijbels Hebreeuws mocht als gewijde taal niet geprofaneerd worden. Dus was men wel verplicht om voor allerlei zaken nieuwe woorden te bedenken. Dat was ook in andere talen zo, maar daar gebeurde dat in een langzaam proces, naarmate de nood zich voordeed, bijvoorbeeld bij nieuwe uitvindingen zoals telefoon, radio, televisie enzovoort. In het Hebreeuws moest men op korte tijd een achterstand inhalen van tweeduizend jaar.
De belangrijkste figuur in dat proces was Eliëzer Ben-Jehoeda (1858-1922), de grondlegger van het moderne Hebreeuws. Hij was een onvermoeibare lexicograaf, die aan de hand van bestaande gewijde en profane Hebreeuwse teksten lijsten en fiches opmaakte van woorden, hun gebruik in de context en hun vertaling in andere talen zoals het Frans, Duits, Engels en Arabisch. Hij reisde de wereld af om in oude Hebreeuwse publicaties op zoek te gaan naar woorden en hun betekenis, maar hij vulde die bestaande woordenschat ook aan met honderden neologismen, woorden die hij bedacht voor allerlei woorden die in andere talen gangbaar waren maar niet bestonden in het Bijbelse Hebreeuws of in latere publicaties in het Hebreeuws. De auteur heeft uitvoerig en nauwgezet onderzoek gedaan in het archief van Ben-Jehoeda en heeft zich verdiept in zijn lexicografische methodes. Het is een fascinerende geschiedenis die ons een goed beeld geeft van de complexiteit en de uitgebreidheid van het werk om van een dode taal een levende taal te maken voor een nieuwe natie, om een nieuwe moedertaal te creëren voor een nieuwe natie en voor nieuwe generaties.
Het derde deel is gewijd aan de vroegmoderne filosoof van Joodse afkomst, Benedictus de Spinoza (1632-1677). Die heeft in twee werken uitvoerig gebruik gemaakt van het Hebreeuws, namelijk zijn Tractatus Theologico-Politicus (1670) en zijn Compendium Grammatices Linguae Hebraeae, dat gepubliceerd werd als een onderdeel van zijn Opera Posthuma in 1677. Het eerste werk is een grondige analyse van de godsdienst en van de plaats die de godsdienst inneemt in de staat. Het tweede is een Hebreeuwse spraakkunst. Spinoza’s uitgesproken ideeën over de godsdienst brachten hem al vroeg in zijn leven in conflict met de leiders van de Joodse religieuze gemeenschap. Op 27 juli 1656 werd hij in uitzonderlijk strenge bewoordingen verbannen uit die Amsterdamse Joodse gemeenschap. Hij heeft zijn korte leven gewijd aan de studie en dat resulteerde in een oeuvre dat aan de basis ligt van de moderniteit, zoals Jonathan overtuigend aangetoond heeft in zijn monumentale trilogie over de Radicale Verlichting.
De auteur bespreekt uitvoerig het gebruik dat Spinoza maakt van het Hebreeuws. In de Tractatus onderzoekt Spinoza het statuut van de Bijbel als het woord van God en dus van het Hebreeuws als de taal van God. Wij weten dat zowel de joden als de christenen (en in zekere zin ook de moslims) de Bijbel beschouwen als het geopenbaarde woord van de transcendente God. Als dusdanig is wat erin staat heilig, onaantastbaar en onbetwistbaar waar. Spinoza onderzoekt de Bijbel om te zien of die stelling houdbaar is. Aan de hand van talloze voorbeelden bewijst hij dat we veeleer te maken hebben met een dubieuze verzameling documenten van uiteenlopende aard die door mensen opgesteld zijn in een taal die we nog nauwelijks kunnen begrijpen, en die onherstelbaar vervormd zijn door eeuwen van gewelddadige lotgevallen en bewuste ingrepen. Het ‘Woord van God’ is grotendeels en grondig door mensenhanden herschreven in magische, mythische en liturgische termen die de ware goddelijke openbaring verduisterd hebben, namelijk het ene goddelijk gebod, dat van de rechtvaardigheid en de naastenliefde, dat echter evengoed ‘geopenbaard’ wordt door de rede. In die zin heeft Spinoza de Bijbel en het Hebreeuws stelselmatig ontluisterd en ontmaskerd als een middel dat de priesterkaste gebruikte om haar theocratische macht over het volk te vestigen en te bewaren. Die profanatie van het Hebreeuws toont de auteur aan aan de hand van talloze voorbeelden, zowel uit de Tractatus als uit de Spraakkunst. Vooral haar bespreking van de Spraakkunst is uiterst gedetailleerd. Daaruit blijkt dat Spinoza, zoals hij overigens zelf aankondigde, een spraakkunst opgesteld heeft van de Hebreeuwse taal, en niet van de Bijbel. Daarmee heeft hij de basis gelegd voor het profaan gebruik van het Hebreeuws dat men in de Verlichting zou invoeren in beperkte kring, dat in het Zionisme zou opgenomen worden als een even belangrijke betrachting als de terugkeer naar het Heilig Land, en dat uiteindelijk geleid heeft tot het ontstaan van het Ivriet, dat de officiële taal werd van de nieuwe staat Israël en de moedertaal van zijn Joodse bevolking.
De auteur is universitair gevormd als klinisch psycholoog en filosoof, actief als vertaalster, doctor in de Letteren en verbonden aan het departement Études psychanalytiques de l’Université Paris Diderot. Haar benadering getuigt van haar veelzijdige opleiding en haar talrijke aanzienlijke talenten. Voortdurend maakt ze gebruik van de verworvenheden van de linguïstiek en van de psychoanalyse om haar diepgaande inzichten te formuleren en te verduidelijken. Haar taal en stijl zijn vlekkeloos en indrukwekkend mooi, haar methoden helder en betrouwbaar, haar enthousiasme is aanstekelijk. Het boek leest uiterst vlot, niet het minst door de diversiteit van de onderwerpen en de afwisseling in de benadering. Zelfs de gedetailleerde analyse van de teksten van Spinoza is zeer leesbaar voor de geïnteresseerde leek.
Keren Mock heeft een gedegen kennis van het gedachtegoed van Spinoza en slaagt erin om de grondprincipes van zijn filosofie toe te passen op de twee werken die ze analyseert. Ze heeft ingezien dat Spinoza het Hebreeuws benadert als een profane taal. Ze blijft echter niet lang stilstaan bij de consequenties die dat heeft voor zijn beoordeling van de godsdienst. Spinoza heeft niet alleen bedoeld dat men het Hebreeuws kon beschouwen als een profane taal, zoals dat uiteindelijk ook gebeurd is, hij heeft tevens aangetoond dat het Hebreeuws van de Bijbel geen gewijde taal was die het woord van God verkondigde. Hij heeft al de geboden en voorschriften van de hele Bijbel verworpen als een nutteloze, hinderlijke en zelfs schadelijke menselijke constructie van de priesterkaste, en houdt er alleen de naastenliefde en de rechtvaardigheid uit over, wat men overigens evengoed kan inzien aan de hand van de rede. Dat aspect krijgt naar mijn aanvoelen iets te weinig aandacht, allicht omdat het niet tot het opzet behoorde van deze indrukwekkende en belangrijke studie, die zich integendeel terecht concentreert op de oorsprong van de herleving van het Hebreeuws als een levende taal en zijn wedergeboorte als de moedertaal van nieuwe generaties van een volk in zijn eigen land. In dat opzet is de auteur prachtig geslaagd.
