Literaire ‘truffels’ van uitgeverij Lebowski
In 2007 richt Oscar Van Gelderen een nieuwe uitgeverij op. De naam ontleent hij aan de film van de gebroeders Coen, The Big Lebowski. In 2012 begint hij als onderdeel van zijn fonds met het uitgeven van literaire herontdekkingen, boeken van vergeten auteurs. Op zes jaar tijd heeft hij zo al een vijftiental auteurs en hun werk een tweede leven bezorgd. Vier ervan zal ik hier toelichten.
Als de naam John Williams (1922-1994) geen belletje doet rinkelen dan doet ‘Stoner’ dat misschien wel. In 2012 was dit boek een ongelooflijk succes in het Nederlands taalgebied en ver daarbuiten. Hoe kwam dat? In 2011 gaat Oscar Van Gelderen op speurtocht in New York en hoort daar van de cultstatus van ‘Stoner’. Hij leest het in één nacht uit, koopt de rechten voor 2500 dollar en laat het vertalen. In 2006 was het boek opnieuw uitgebracht door de uitgeeftak van The NY Review of Books en had het een tweede leven gekregen met een oplage van 10.000 stuks. Dat was meer dan toen het uitkwam in 1965. Viking Press verkocht slechts 2.000 exemplaren. In de jaren ’60 werd het boek als saai beschouwd, in vergelijking met het werk van kleppers als Truman Capote, Henry Miller, Norman Mailer en andere viriele schrijvers uit die tijd. In 1994 sterft John Williams als “de schrijver van vergeten boeken” (dixit De Volkskrant). Oscar Van Gelderen ontwikkelt een lucide marketingstrategie om ‘Stoner’ in de markt te zetten, o.m. door vooraf de boekhandelaars en 300 schrijvers ervan te overtuigen wat een geweldig boek het wel is. Hij gebruikt hiervoor een quote uit een recensie in de NY Times uit 2006 die het boek kwalificeert als ‘de perfecte roman’. In het Nederlands taalgebied slaat het boek in als een bom. Het staat 15 weken in de CPNB-bestsellerlijst. In de eerste vijf maanden verschijnen 6 drukken. In totaal zouden er meer dan 300.000 exemplaren van zijn verkocht. Een betere start voor zijn literaire ‘truffels’ kan Oscar Van Gelderen zich niet indenken. Hij zal dan ook nog ander werk van John Williams uitgeven, zoals ‘Butchers’ Crossing’ en zijn debuutnovelle ‘Niets dan de nacht’. Dit laatste boek geeft hij uit in een nieuwe reeks die hij The Book of the Month Club noemt, ook weer een marketingstunt waar hij media als Humo, De Morgen, VPRO en een honderdtal boekhandels mee in het bad trekt. Een lang leven is dit initiatief niet beschoren. Er is geen spoor meer van te vinden op de website van Lebowski.
Een tweede auteur die Oscar Van Gelderen van onder het stof haalt is de Zwitserse schrijver Robert Walser (1878-1956). Robert Walser schreef vier romans, enkele toneelstukjes in dichtvorm, 200 gedichten en meer dan 1000 prozastukjes. Zijn novelle ‘De Wandeling’ is Boek 1 in de Book of the Month reeks. Het verschijnt in 2015, net geen honderd jaar na de 1ste uitgave die dateert van 1917. Het boek bevat naast een biografie en bibliografie van de schrijver ook een essay van W.G. Sebald: ‘Le promeneur solitaire’. Ter herinnering aan Robert Walser. ‘De Wandeling’ is toegankelijk geschreven in een mooie taal. Zijn hoofdwerk ‘Jacob von Gunten. Een dagboek’ is andere koek, veel taaiere lectuur. In 2016 geeft Lebowski ook dat werk uit. Aan het laatste boek ‘De Rover’ dat Robert Walser in 1925 schreef, waagt Oscar Van Gelderen zich niet. Het verschijnt in 2018 voor het eerst in een Nederlandse vertaling bij uitgeverij Koppernik. Deze in 2013 in Amsterdam opgerichte uitgeverij richt zich op “eigenzinnige boeken, die gedurfd zijn en uitdagen, in ieder geval afwijken van de momenteel overheersende cultuur van het midden”. ‘De Rover’ maakt deel uit van de zogenaamde ‘Microgramme’ die Walser met potlood in miniatuurschrift schreef. De roman werd in 1925 voltooid, maar verscheen pas in 1972 en geldt als een van de meesterwerken van het modernisme. J.M. Coetzee vindt dat “als het in 1926 was gepubliceerd, zou het de loop van de moderne Duitse literatuur hebben veranderd.” Dat Robert Walser niet helemaal is vergeten komt omdat ene Carl Seelig zich over hem ontfermde, ook toen de schrijver zich in 1929 had laten opnemen in de psychiatrie en daar verbleef tot aan zijn dood in 1956. Seelig zocht Walser geregeld op, maakte lange wandelingen met hem, gaf bloemlezingen uit van zijn werk en deed er alles aan om de bestaande nalatenschap van Walser veilig te stellen. Het werk van Robert Walser kent dus in het begin van de 21ste eeuw een tweede leven. Alhoewel we moeten zeggen dat een deel van zijn werk al in de jaren ’70 bekend was in het Nederlands met vertalingen van Jeroen Brouwers. De huidige nieuw uitgegeven werken zijn vertaald door Machteld Bokhove. Robert Walser overlijdt op de Eerste Kerstdag van 1956 na een val tijdens een wandeling in de sneeuw. Hij werd gevonden door kinderen en een blaffende hond.
Een derde vergeten auteur in het herontdekkingsfonds van Lebowski is de Oost-Duitser Werner Bräunig (1934-1976) met zijn werk ‘Rummelplatz’. Bräunig werd geboren in Chemnitz in 1934. Vertaalster Josephine Rijnaarts schrijft in een nawoord dat hij na een losgeslagen jeugd met allerlei baantjes zich herpakt tijdens een gevangenisstraf die hij uitzit wegens smokkelreisjes naar West-Berlijn. Hij werkt als gevangene in een kolenmijn en in een papierfabriek. Als hij vervroegd vrijkomt wordt hij lid van de communistische jeugdbeweging en later van de communistische eenheidspartij, de SED. Hij wordt journalist en publiceert gedichten en korte verhalen. Van de schrijversbond mag hij studeren aan een literatuur instituut in Leipzig waar hij later docent wordt. Bräunig past perfect in het toenmalige politieke plaatje van de DDR. De partij huldigt het motto “Greif zur Feder, Kumpel”: arbeiders moeten ook in de pen klimmen en schrijvers moeten de fabriek in. Zo kan het socialistisch-realisme beoefend worden dat ook in de Sovjet-Unie in zwang is. Het zijn voor Bräunig gunstige omstandigheden want hij komt uit de arbeidersklasse en … hij schrijft! Hij begint aan een ambitieus project: een tweedelige roman over de beginfase van de naoorlogse ontwikkelingen in Oost- en West-Duitsland. Maar dan loopt het mis. In 1965 gaat het economisch niet zo goed in de DDR en conservatieve partijbonzen vinden dat het komt door een gebrek aan socialistische gedrevenheid van de bevolking, vooral van de jeugd, en ook van de literatuur. Schrijvers krijgen de schuld. Er moet een voorbeeld gesteld. En dat wordt Werner Bräunig. Hij heeft de pech dat er net een voorpublicatie van een hoofdstuk uit zijn roman is verschenen waarmee hij twee taboes doorbreekt. Ten eerste ‘het geheim’ dat in de Wismut mijn die hij beschrijft uranium wordt gedolven voor het nucleair programma van de Sovjet-Unie. Ten tweede dat hij de eer van de mijnwerkers schond omdat hij ook de rauwe kanten van de sociale werkelijkheid toont. Hij valt in ongenade, ook bij de schrijversbond. Alleen Christa Wolff neemt het voor hem op. Tevergeefs. ‘Rummelplatz’ wordt verboden en geraakt in de vergetelheid. Het tweede deel komt er niet. Bräunig is totaal ontmoedigd. Hij geraakt aan de drank en zal daar op tweeënveertigjarige leeftijd aan overlijden. Het manuscript van het boek komt begin jaren ’90 terecht bij de kinderen van Bräunig. Maar het zal nog tot 2007 duren vooraleer een Berlijnse uitgeverij het aandurft om de turf van meer dan 500 bladzijden te publiceren. Uitgeverij Lebowski brengt de Nederlandse vertaling uit in 2014 onder de titel ‘Rummelplatz (kermis)’.
Een vierde literaire ‘truffel’ is ‘De Vogels’ van de Noorse schrijver Tarjei Vesaas (1897-1970). Het is een werk uit 1957 dat in 2018 bij Lebowski verschijnt. Oscar Van Gelderen is bij dit werk terecht gekomen via de Noorse succesauteur Knausgård die ‘De Vogels’ de hemel in prees in de rubriek 'By the Book' van de The New York Times. Knausgård sprak zijn bewondering voor deze roman al uit in ‘Liefde’, het tweede deel van zijn ‘Mijn strijd’. Vesaas werd regelmatig genoemd als kanshebber voor de Nobelprijs Literatuur, zegt de achterflap van het boek. Van 1923 tot aan zijn dood in 1970 schreef hij poëziebundels, verzamelingen kortverhalen, toneelstukken en vijfentwintig romans. ‘De vogels’ (1957) en ‘Het ijskasteel’ (1963) betekenden de internationale doorbraak. Eind jaren ’70/begin jaren ‘80 verschenen Nederlandse vertalingen van die werken bij de later opgedoekte uitgeverij Agathon. Oscar Van Gelderen koos ervoor om van ‘De Vogels’ een nieuwe vertaling te laten maken.
Wat vind ik van die boeken?
Ik zal in het kort aangeven wat mij heeft aangesproken en of het ‘blijvers’ zijn. Dat laatste hangt af van twee criteria: de kans dat ik het boek zal herlezen en of ik het aanbeveel aan anderen.
Er zijn twee dingen die me bijblijven van ‘Stoner’. Het eerste is de schrijnende situatie van de ouders van Stoner, arme boeren, wanneer ze beseffen dat hun zoon, die ze hebben laten studeren, hen niet zal komen helpen om het boerenbedrijf verder te zetten maar kiest voor een academische carrière. Het tweede is het conflict tussen Stoner en de decaan van zijn faculteit. Ik weet niet meer precies wat de aanleiding was, daarvoor is het te lang geleden dat ik het boek las. Maar de bittere strijd die gevoerd wordt en vooral de figuur van de decaan is knap beschreven. Stoner gaat aan het conflict net niet ten onder maar slaagt erin om zich te handhaven. Het is een mooie illustratie van het feit dat de academische wereld een even grote krabbenmand is als de hogere sferen van andere ‘deftige’ instituties zoals het bedrijfsleven, de politiek, de administratie, het leger, de kerk, de vakbond, … Mensen die denken dat het er in het academisch milieu altijd proper aan toe gaat (‘het zijn toch verstandige mensen!’), zullen na het lezen van dit boek een illusie armer zijn. Ze kunnen nog altijd ‘Onder professoren’ van W.F. Hermans lezen, om het af te leren. Ik heb geen verlangen om ‘Stoner’ te herlezen en vind het ook niet echt een ‘must’. De quote van de The New York Times (‘een perfecte roman’), die Oscar Van Gelderen commercieel zo slim gebruikte, vind ik zwaar overdreven. Ook Arnon Grunberg maakt het nogal bont wanneer hij schrijft ‘als je een boek wil lezen dat je leven zal veranderen, lees dan ‘Stoner’. Niets van gemerkt.
‘Rummelplatz. (kermis)’ is interessant omdat het een sluier oplicht van het leven in de Duitse Democratische Republiek. Iemand die meer wil weten over de naoorlogse periode in Duitsland en vooral van binnenuit de vroegere DDR wil leren kennen, zal er zijn of haar gading in vinden en niet teleurgesteld zijn. Volgens vertaalster Josephine Rijnaarts bejubelden de Duitse critici het boek bij zijn verschijnen als “een van de beste Duitse naoorlogse romans, te vergelijken met Heinrich Böll, Günter Grass en andere literaire grootheden”. Bräunig heeft misschien minder fantasie en zijn stijl is minder beeldrijk dan die van Günter Grass, maar hij beschrijft zijn personages en de situaties waarin ze terecht komen heel realistisch. Er zijn idealistische mensen bij, die geloven in de nieuwe maatschappij waaraan ze een bijdrage willen leveren. Maar evengoed is er schorremorrie en zijn er toestanden die je niet geweten wil hebben. Dat heeft hem zijn literaire kop gekost. Daardoor is het een belangrijk tijdsdocument geworden. Ik zal het boek wellicht niet herlezen omdat het zo’n dikke turf is en er nog zoveel andere waardevolle boeken te wachten liggen. En mijn tijd begint te korten! Maar ik beveel het anderen wel aan. Op voorwaarde dat ze geïnteresseerd zijn aan de tijd van de twee Duitslanden. Als vervolg kunnen ze dan ‘Een gebied zonder eind’ van Günter Grass lezen. Ook een boek dat nogal wat stof heeft doen opwaaien in Duitsland. Het gaat over de tweede eenmaking van Duitsland, die van 1989. Grass was niet zo gelukkig met de manier waarop die is verlopen. En daar schreef hij over in dat boek. Het werd hem niet in dank afgenomen. Maar hem hebben ze niet monddood gemaakt. Hij heeft nog vijf boeken geschreven voor hij de pen én het hoofd neerlegde. Ik zou ‘Een gebied zonder eind‘ nog wel eens willen lezen. Maar het is weer zo’n joekel van meer dan 600 bladzijden. Heer, geef mij toch een tweede leven, en een derde, en …
Robert Walser is een intrigerende figuur. “Slechts uiterst vluchtig met de wereld verbonden” schrijft Sebald in zijn essay ‘Le promeneur solitaire. Ter herinnering aan Robert Walser’ dat in ‘De Wandeling’ is opgenomen. Wel, zulke mensen interesseren mij. Zijn novellen en romans zitten volgens mij vol autobiografische elementen. Die wandeling heeft hij waarschijnlijk effectief gemaakt. Het is een opeenvolging van waarnemingen, gebeurtenissen, gevoelens en stemmingen. Zo begint hij de wandeling “in een romantisch- avontuurlijke stemming die mij gelukkig maakte”. Aan het eind van de wandeling “werd ik overvallen door een bedroevende, onbedwingbare gedachte die me noopte bij mezelf te zeggen dat ik een arme gevangene tussen hemel en aarde was”. Tussen deze uiteenlopende stemmingen heef hij van alles waargenomen. Als “het stille einde” van zijn wandeling “niet zo heel ver meer weg is” geeft hij op anderhalve bladzijde een opsomming van wat hij heeft gezien (of zich heeft verbeeld?). Hilarisch. Je moet dit hardop lezen om er nog meer van te kunnen genieten. Het herlezen waard dus. Als je iets wil lezen van Robert Walser begin dan met ‘De Wandeling’ want zijn romans zijn taaiere kost, maar daarom niet minder interessant. De reden is dat de onderliggende vragen in het werk van Robert Walser universeel en tijdloos zijn. ‘Wie ben ik?’, ‘Hoe verhoud ik mij tot de mensen rondom mij?’, ‘Hoe verhoud ik mij tot de wereld om mij heen?’, ‘Hoe maak ik mij dienstbaar en is dat wel nodig?’ ‘Wat betekent het om in een ondergeschikte positie te vertoeven?’ Jacob von Gunten bijvoorbeeld is van goeden huize maar volgt toch een opleiding tot butler. Op Wikipedia staat dat Walser “de eerste Duitstalige schrijver (is) die het leven van bediendes en kantoorklerken als centraal thema opvoerde in zijn werk”. Zo is de hoofdpersoon in ‘De Bediende’ lange tijd in dienst als inwonende klerk bij een zakenman en diens gezin. Walser heeft zelf allerlei kantoorbaantjes uitgeoefend tijdens zijn rusteloze bestaan. Ik denk dat hij worstelde met al de vragen die ik hierboven opsom. Hij voelde zich helemaal niet op zijn gemak in de wereld waarin hij leefde. Niet voor niets heeft hij zich laten opnemen in de psychiatrie. Als je wat meer weet over de persoon Robert Walser, en daar is het essay van W.G. Sebald in ‘De Wandeling’ een uitstekende inleiding voor, dan krijgen die vragen meer betekenis en versta je ook beter wat hij schrijft en waarom. Maar daar kom je niet zomaar achter. Je moet er moeite voor doen. Over de eerste lezing van ‘Jacob von Gunten’ heb ik maanden gedaan. De tweede lezing ging al veel vlotter. En ik ben vast van plan om het boek nog eens te lezen. Ik heb het gevoel dat er nog meer lagen in te ontdekken vallen. Met ‘De Rover’ gaat het dezelfde kant op. De eerste lezing heb ik gestaakt. Ik werd tureluurs van het door elkaar haspelen van de verteller/ik-figuur en het roverpersonage. Maar ik neem de draad zeker terug op. Want ik wil weten hoe Walser die vermenging verder gaat ontwikkelen. Bovendien is het duidelijk dat er heel wat autobiografische elementen in het boek zitten. Ze zijn niet zo expliciet als die van Louis-Paul Boon in de ‘Kapellekensbaan’ en ‘Zomer te Ter-Muren’, boeken die ik deze hete zomer van 2018 herlas. Het loont de moeite om ze te achterhalen. Zo kan ik misschien een kleine tip oplichten van de sluier die hangt over deze “zeldzame, onverklaarde figuur” die Robert Walser voor Sebald blijft.
‘De Vogels’ is een literaire parel, een kleinood. Het boek gaat over het leven van een zwakbegaafde dertiger die samenleeft met een drie jaar oudere zus. Hun ouders zijn gestorven. Vesaas vertelt vanuit de gedachten-, ervarings- en gedragswereld van de zevendertigjarige Mattis. Na een tiental bladzijden vroeg ik mij af of hij dat zou volhouden. Ja dus. Verdraaid knap. Het is een wondermooie vertelling die ik van harte aanbeveel omdat ze zo pakkend en ontroerend is geschreven in een eenvoudige, maar mooie en heldere taal. Het boek is een staaltje van inlevingsvermogen in de wereld van een man met een geestelijke beperking. Hoeveel mensen zijn er zo niet rondom ons? Zij verdienen begrip en respect. Misschien helpt het lezen van ‘De Vogels’ daar wel bij. Ik mag het hopen.
Hugo D’hertefelt
Hasselt, December 2018