Thomas van Aquino, Over het zijnde en het wezen (recensie)
Thomas van Aquino, Over het zijnde en het wezen. Proeve van een ontologie, vertaling, inleiding en commentaar door Rudi te Velde, Eindhoven: Damon, 2017, 152 blz., hardcover 13 x 20,5 cm., € 19,90
De inleiding omvat 28 bladzijden, de vertaling 48, de toelichting 59, de woordenlijst en bibliografie 6. Het is een verzorgde uitgave, compleet met leeslint en kapitaalbandjes. De tekst is gezet uit een goed leesbare letter, de bladspiegel met de vrij korte regels vergemakkelijkt het lezen. In plaats van de gebruikelijke koptitels zijn er hier voettitels die vooral opvallen door hun afwijkende schreefloze letter.
De vertaler en commentator is de Nederlandse hoogleraar Rudi te Velde, verbonden aan de Universiteit Tilburg, die reeds verscheidene publicaties over Thomas bracht.
Zoals in de inleiding vermeld wordt, is het werk geen eenvoudige lectuur, het vraagt inderdaad ‘nauwkeurige bestudering’. Het commentaar volgt niet na elke paragraaf of hoofdstuk, maar staat bijeen in het tweede deel van het boekje. Het lijkt echter raadzaam dat men na de inleiding meteen begint met het commentaar en pas daarna de vertaling ter hand neemt. Voor een werk geschreven rond 1250 is dat niet verwonderlijk. Niet-specialisten hebben vandaag de dag enige moeite met de terminologie en de stijl van het betoog. Zaken die toentertijd gemeengoed waren, zijn dat nu nog nauwelijks. Toch gaat het om belangrijke kwesties, al krijgen die in de huidige filosofische stromingen minder aandacht of worden ze op andere manieren geformuleerd.
De titel zelf, De ente et essentia is op zichzelf al een uitdaging, ook voor de vertaler. Ens vindt men zelfs niet in een wetenschappelijk Latijns woordenboek, tenzij als participium van esse. Entia is de Latijnse vertaling van het Griekse ta onta, wat eveneens het participium is van eimi, zijn. Van Dale kent ‘zijnde’ evenmin. De vertaler verdedigt zijn keuze voor deze term, maar overtuigen doet hij niet, en dat blijkt voortdurend in de tekst, waar een vreemde term als ‘zijnde’ nauwelijks verhelderend is. Wellicht ware het beter geweest de term niet steeds door hetzelfde bevreemdende woord ‘zijnde’ te vertalen, maar door een woord dat in de context weergeeft waarover het gaat: een ding, een voorwerp, een zaak, een persoon, een individu, een levend wezen &c.
Dezelfde moeilijkheid doet zich voor bij essentia. De keuze voor ‘wezen’ als vertaling is verdedigbaar, maar er zijn onmiskenbaar complicaties aan verbonden. Het wezen van iets is inderdaad dat wat het is, maar een wezen is eveneens iets dat is, en in die zin begrijpt men ‘wezen’ in het Nederlands spontaan als een vertaling van ens, en niet meteen als de vertaling van essentia, waarvoor men veeleer het voor de hand liggende ‘essentie’ verwacht. Teksten die op zich al behoorlijk ingewikkeld zijn, worden door de gemaakte keuzes soms ronduit onbegrijpelijk bij eerste lezing. Pas wanneer men zich dwingt achter zijnde en wezen de voor filosofen vertrouwde begrippen ens en essentia te denken, wordt duidelijk wat Thomas kan bedoeld hebben. Wie Latijn kent, grijpt na enkele bladzijden spontaan geërgerd naar de originele tekst en leest daar dan opgelucht verder.
Er zijn nog meer termen die een lastige vertaling gekregen hebben. Zo wordt signatus vertaald als ‘aanwijsbaar’, zoals in materia signata. Uit de context blijkt dat het gaat om materie die een vorm (gekregen) heeft, in tegenstelling tot ruwe of primaire materie die geen vorm heeft. Het Aristotelische onderscheid tussen materie en vorm is voor de hedendaagse lezer al een kluif. Maar ‘aanwijsbare materie’ is daarbij niet echt verhelderend. Signare betekent bijvoorbeeld het munten van geldstukken: door er een vorm op te slaan gaan ze over van ruwe materie, bijvoorbeeld een klompje goud of zilver, tot een geldstuk met een bepaalde en herkenbare waarde. Materie die op die manier een vorm gekregen heeft, is niet zozeer aanwijsbaar, maar veeleer bepaald, bestempeld, gevormd, (her)kenbaar &c.
Op een aantal plaatsen wordt ook het Nederlands geweld aangedaan. Zo is er een verbijsterende passage in het commentaar (blz. 104 en 106) over een mes: “Binnen de context van de ontbijttafel ‘verschijnt’ de mes (sic!) mij op een bepaalde manier…, terwijl dezelfde mes (sic!) mij geheel anders verschijnt &c.” En verder: ‘deze [mes] die daar ligt…’ Maar het is ook dit mes en dat mes en zelfs het mes: ‘wat buiten de identiteit van het mes als mes ligt (maar wat wel nodig is om deze (sic!) mes te identificeren).’ Is er een parallel taaluniversum waarin mes zowel een de-woord als een het-woord is?
Als Vlaming bezondig ik mij bewust of onbewust aan vlamismen en erger ik me soms aan ‘hollandismen’. Maar wat moet je met een uitdrukking als ‘Thomas gaat elk van deze zijnsgraden bij langs…’? (blz. 135)
Wier en wiens behoren tot de formele taal, maar zijn niet onderling omwisselbaar: ‘Er bestaat, ten eerste, iets zoals God, wier wezen het zijn zelf is’ (blz. 73) kan echt niet.
‘De individuatie van de ziel is bij haar begin afhankelijk ervan of zich de gelegenheid voordoet van een lichaam, want ze verkrijgt het individuele zijn alleen in het lichaam waarvan ze de akt is.’ (blz. 75) Dat is geen gesneden koek, maar de vertaling ‘ervan afhankelijk zijn of…’ is onbeholpen, en ‘akt’ is ‘act’.
In het voorwoord noemt Rudi te Velde het werkje ‘briljant in zijn heldere en doordachte verklaringen van de ontologische basisbegrippen die ten grondslag liggen aan onze kennis van de werkelijkheid.’ Op de achterflap noemt men ‘Deze uitgave… een geschikte introductie tot het denken van Thomas’. Deze lezer heeft daarover zo zijn twijfels. In de argumenten van Thomas gaat het niet zelden om (termino)logische spitsvondigheden waarbij de band met de werkelijkheid soms ver zoek is. De auteur van het commentaar wijst er herhaaldelijk zelf op dat Thomas in dit werk nog niet tot zijn volledige maturiteit gekomen is en dat verscheidene kwesties veel uitvoeriger en duidelijker behandeld worden in zijn later werk. Wellicht bedoelt men dat dit vroege didactisch werkje door zijn bescheiden omvang van amper 48 bladzijden meer hapklaar is dan de Summa. Dat mag dan wel zo zijn, maar bij een goede inleiding tot het denken van Thomas stel ik me toch iets anders voor. Laat ons wel wezen: voor de belangstellende leek is deze tekst van Thomas vrijwel onverteerbaar; de inleiding en het commentaar lichten Thomas’ tekst zo goed mogelijk toe, maar doen nauwelijks aan externe of objectieve kritiek en duiding. Thomas is al te zeer verplicht aan het onderscheid tussen materie en vorm en dat onzalig dualisme verhindert een vruchtbare ontginning van de ontologische basisprincipes. Het geeft integendeel aanleiding tot vergezochte en nutteloze fantasieën over het werkelijk bestaan van onlichamelijke wezens (engelen…) en over de onsterfelijke ziel van de mens.
Al bij al zal dit boekje vooral een publiek aanspreken dat al vertrouwd is met de middeleeuwse theologie en filosofie. Of die rari nantes behoefte hebben aan een nieuwe Nederlandse vertaling (naast die van Delfgaauw, 1986 en verscheidene andere in de gangbare internationale wetenschappelijke talen) is dan nog de vraag. Damon is een dappere uitgeverij.



