1 november 2026
1 november 2026
Allerheiligen vandaag, maar deze dag is in onze cultuur de dag waarop we onze overledenen gedenken, de Día de los Muertos. In ons nieuw samengesteld gezin deden we dat ook, met een bezoek aan het graf van Arne, die in 1999 door zelfdoding om het leven kwam, hij was 25 jaar oud. Dit jaar doen we dat niet meer, onze gewijzigde levensomstandigheden lenen er zich niet toe. Onvermijdelijk gaan mijn gedachten toch uit naar de vele eerste-novembers in mijn leven, en de vele overledenen die ik me al dan niet levendig herinner. Vooral de aanblik van mijn ouders, broers en zus doemt vlijmscherp voor me op, stilzwijgend, zonder verwijten, zonder me aan te kijken, alsof ik er niet ben voor hen. Ook de herinnering aan Toby, mijn lieve beagle die ik vorige zomer moest laten inslapen, ontroert me nog steeds.
We wonen nu in een assistentiewoning, in een residentie met meer dan honderd dergelijke residentieflats. Niet alle zijn bewoond, en er is een vrij aanzienlijk verloop. Er is altijd wel een verhuizing bezig van nieuwe bewoners, of van andere die heengegaan zijn, meestal ongemerkt, vertrokken naar het ziekenhuis, waarvandaan ze niet allen terugkomen, of naar een rust- en verzorgingsinstelling, omdat ze niet meer geassisteerd zelfstandig kunnen wonen. Soms komt er een doodsbrief of -prentje in het rouwhoekje op de centrale gang, vaak ook niet, omdat de familie het niet wil, of er niet aan denkt, of omwille van de bescherming van de persoonsgegevens, waarop de directie nauwlettend toeziet.
Enkele bewoners hebben een kleine hond. Af en toe merk je dan dat die er niet meer is, en zie je het baasje alleen passeren. Een keer zag ik hoe een zoon van een buurvrouw haar hondje wegleidde. Ook die kwam niet terug.
Dat alles, en de herfst voor het raam, maakt me weemoedig. Je wordt ongewild meegevoerd in sombere gedachten. Memento mori: als je tachtig bent, ontkom je niet aan het vooruitzicht van je eigen einde, en dat van je levensgezellin. Je denkt aan vrienden, kennissen, geburen, vroegere collegae, mensen die je ooit dierbaar waren om een of andere reden.
Ta panta rhei, alles vergaat, in de dubbele betekenis van veranderen en teloorgaan. Vooral: al wat leeft is vergankelijk, leven is Sein zum Tode (Heidegger). In het vooruitzicht van zijn lijden en kruisdood zegt Jezus: ‘mijn ziel is ten dode toe diep bedroefd’ (Mc 14,34, Mt 26,38). De uitdrukking ‘heoos thanatou’, ten dode toe, komt in de Septuagint, de Griekse vertaling van de Hebreeuwse Bijbel, tot dertien keer voor, het meest opvallend in Jona 4,9 en Sirach 37,2 waar ook ‘lupè’ (droefheid) in dezelfde zinsnede staat; het Nieuwe Testament is sterk schatplichtig aan het Oude.
Laatst wandelde ik in het ‘park’ waarin onze residentie gelegen is, met het hondje van onze dochter dat enkele dagen kwam logeren —tot mijn groot genoegen overigens. Ik ontmoette er een bewoonster die in de weldoende najaarszon zat te keuvelen met haar zoon (vermoed ik), ook al een ouder wordende man. We praatten wat, en mijn medebewoonster citeerde de eerste versregels van Felix Timmermans’ (ooit) bekende gedicht, dat ik hier graag volledig weergeef:
De Herfst blaast op den horen,
en 't wierookt in het hout;
de vruchten gloren.
De stilten weven gobelijnen
van gouddraad over 't woud
met reeën, die verbaasd verschijnen
uit varens en frambozenhout,
en sierlijk weer verdwijnen...
De schoonheid droomt van boom tot boom,
doch alle schoonheid zal verkwijnen,
want alle schoonheid is slechts droom,
maar Gij zijt d' Eeuwigheid!
Heb dank dat Gij mijn weemoed wijdt
en zegen ook zijn vruchten!
Een ganzendriehoek in de luchten.
Nu komt de wintertijd.
Ik hoor U door mijn hart en door de rieten zuchten.
Ik ben bereid.
Ik hoop dat ik Timmermans geen geweld aandoe als ik die ‘Gij’ zoals Spinoza beschouw: Deus sive Natura. De natuur is hier heel nadrukkelijk aanwezig, en ook de tegenstelling tussen de natuurverschijnselen (modi) en de eeuwige Natuur. Wat me vaak treft als ik met mijn medebewoners praat, is die bereidheid heoos thanatou; niet alleen het soms pijnlijke besef van onze onvermijdelijke sterfelijkheid, maar daarenboven een meer berustende aanvaarding: ons einde is nabij, we zien het verval elke dag om ons heen, en merken het aan onszelf.
Terwijl ik deze woorden schrijf, beluister ik Allegri’s Miserere, Verdi’s strijkkwartet, Tsjaikovski’s 1ste strijkkwartet en ten slotte Puccini’s Crisantemi. Dat is me meer vertrouwd en meer eigen dan het commerciële griezelfeest dat nu al jaren ook in Vlaanderen hoogtij viert, maar mij en Vlaanderen zo volkomen vreemd is. Blijkbaar beseffen we niet wat we verliezen wanneer we vreemde gebruiken overnemen. Het griezelen dateert van het begin van de twintigste eeuw in Amerika, trick or treat van de jaren ’30 – ’50, de flagrante commercialisering van na de Tweede Wereldoorlog, toen de Amerikaanse ‘cultuur’ hier ingevoerd werd. Later zijn het vooral de media die het griezelen tot een genre gemaakt hebben, tot in het meest afzichtelijke toe. Halloween heeft van de zinvolle dodenherdenking een belachelijke en zeer bedenkelijke persiflage gemaakt. Horresco, ik huiver bij de gedachte aan de traditie die we verloren hebben, en aan wat we daarvoor in de plaats hebben laten komen.
Zelf zou ik veeleer de lectuur aanbevelen van Thomas Gray, Elegy Written in a Country Churchyard (1751): https://www.poetryfoundation.org/poems/44299/elegy-written-in-a-country-churchyard?
Ten slotte nodig ik je uit om terug te grijpen naar de tekst die ik hier op mijn website rond dood en dodenherdenking schreef op zondag 28 oktober 2007, onder de toepasselijke titel: Dies Irae: https://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/372-dies-irae

