_-_De_volkstelling_te_Bethlehem_(1610)_-_KMSK_Brussel_25-02-2011_12-17-45.jpg)
Was er een
os en een ezel in de stal waarin Jezus geboren is?
Lucas is de
enige evangelist die Jezus laat geboren worden in een stal, omdat er in het
gastenverblijf geen plaats meer was. Maria bakert haar pasgeborene en legt hem
in een kribbe, dat is een voederbak voor het vee, als een schraag of hangend
aan de muur. Er is geen sprake van een os of een ezel. Waar komen die dan
vandaan?
Als er een
krib was in de stal, dan moet er ook vee geweest zijn, zo gaat de redenering.
Een os, een lastdier, is dan waarschijnlijk. De ezel was en is een rijdier rond
de Middellandse Zee. Het lijkt onwaarschijnlijk dat Jozef zijn hoogzwangere
vrouw de reis van Nazareth naar Bethlehem, ongeveer 140 km, te voet zou laten
afleggen. Een ezel ligt dan voor de hand.
Wij kennen
allemaal de afbeeldingen van de zwangere Maria op haar ezel (bijvoorbeeld op de
heerlijke volkstelling van Breughel, zoek haar op het schilderij), en van het kindje Jezus in het kribbeke,
met de os en de ezel die voor wat dierlijke warmte zorgen in de stal. Maar er
is geen enkele Bijbelse grond voor deze zo vertrouwde iconografische elementen.
Toch wij twijfelen er geen ogenblik aan dat het zo gebeurd is. Waarom?
De eerste geschreven
getuigenissen over de ezel en de os zijn ongeveer zo oud als het
kindsheidevangelie van Lucas, dat wil zeggen ergens in rond het jaar 200. Men
gaat ervan uit dat die teksten vroeger ontstaan zijn, misschien wel honderd
jaar vroeger, maar dat zijn veronderstellingen, gebaseerd op controversiële literaire
theorieën. Naast de vier evangelies waren er talrijke andere teksten die wijd
verspreid waren. Het was Irenaeus of Lyon die rond 180 in zijn Adversus haereses voor het eerst
uitdrukkelijk de vier evangelies vooropstelde en alle andere geschriften
verwierp als ketters. Pas rond het jaar 400 werd de canon formeel vastgelegd in opeenvolgende concilies. De Vulgaat, de
Latijnse vertaling omstreeks 400 door Hieronymus van het Oude testament en zijn
herschrijving van de oud-Latijnse tekst van het Nieuwe Testament, legde voorgoed
de samenstelling van de canonieke boeken vast. Al wat daartoe niet behoorde,
was verboden lectuur voor de christenen.
Maar in de
jaren die daaraan voorafgingen, waren er heel wat geschriften ontstaan die
afweken in hun samenstelling van de vier evangelies. Sommige hadden elementen
die niet in de vier evangelies stonden, andere lieten stukken uit het evangelie
onvermeld. Sommige waren vrij kort, andere meer uitvoerig. Er is dus een lange
periode geweest sinds het ontstaan van het christendom, waarin het helemaal
niet duidelijk was welke teksten als officieel erkend werden en welke niet. Ook
na 400 bleven allerlei versies circuleren, sommige waren zelfs meer populair
dan de vier evangelies. In sommige streken (er-)kende men zelfs de evangelies
niet en hield men het bij de traditionele plaatselijke teksten.
Een
aanzienlijk aantal zogenaamde apocriefe (letterlijk: verborgen) boeken van de
Bijbel behandelt de voorgeschiedenis van de Bijbel, een soort prequel (het tegenovergestelde van een sequel, een vervolg). Goede voorbeelden daarvan zijn de zogenaamde Kindsheidevangelies
van Thomas de Israëliet en van Jacobus, de zogenaamde proto-evangelies. Het
gaat dan over de ouders van Maria, haar geboorte en jeugd, haar verloving met
Jozef, de geboorte van Jezus en zijn jeugd. Het is uit die geschriften dat wij
de kleurrijke details hebben overgenomen zoals de ezel van Jozef en Maria en de
os en de ezel in de stal, maar ook de heel concrete uitleg over haar
maagdelijkheid, voor en na de geboorte van Jezus, vastgesteld door een
vroedvrouw. Sommige andere verhalen zijn nog minder geloofwaardig. Zo zullen
mensen van mijn leeftijd zich wellicht het verhaaltje herinneren van Jezus en
Sint-Janneke die als kinderen in de zandbak aan het spelen waren; Jezus maakte
met zand en water twaalf mussen (ondanks het feit dat het sabbat was!) en
klapte in zijn handen, waarop de mussen verschrikt wegvlogen…
Het geloof
van de christenen is niet zozeer wat Rome er vandaag over zegt, niet wat
theologen erover schrijven, niet wat in de officiële Catechismus van de
Katholieke Kerk staat en ook niet wat in de erkende Bijbel staat. Het is veeleer
een vreemde verzameling van elementen die elke christen verzameld, betwijfeld
en verworpen of behouden heeft in de loop van zijn of haar persoonlijke
geschiedenis. Niemand kent alles, dat is onmogelijk. En zelfs wie ooit alles
gelezen heeft, de hele Bijbel, de hele (dikke) catechismus, alle encyclieken en
een berg theologische geschriften, de hele Codex
Iuris Canonici, die kan onmogelijk alles onthouden uit die vaak
tegenstrijdige geschriften.
Het
christendom is wat christenen ooit gedacht hebben, gedurende tweeduizend jaar.
Dat is een bonte verscheidenheid van opvattingen, door de eeuwen heen en
verspreid over het grootste gedeelte van de wereld. Het officiële christendom
was en is daarvan slechts een heel beperkt gedeelte, op verscheidene momenten vastgelegd
door de tijdelijke gezagsdragers van de kerk. Ook vandaag denken christenen
overal ter wereld ongeveer wat ze willen, zonder zich druk te maken over Bijbel,
catechismus, dogma, encycliek of theologie.
Een typisch
voorbeeld daarvan is het onderzoek naar de historische Jezus. Het Nieuwe Testament
is de enige bron voor wat we weten over het leven van Jezus. Er is geen enkele
betrouwbare historische bron die ook maar iets bevestigt over Jezus, zelfs niet
het pure feit van zijn bestaan. Alles wat over hem geschreven is, staat enkel in
de geschriften van de christenen, die allemaal ontstaan zijn lang na zijn
vermeend leven. Zelfs de canonieke evangelies spreken elkaar voortdurend tegen,
ook over de belangrijkste kwesties, zoals zijn geboorte, zijn mirakels, zijn
boodschap, zijn lijden, zijn dood, zijn wederopstanding. De leer van het
christendom heeft op vele punten nauwelijks iets te maken met het leven en de
leer van Jezus zoals we dat kennen uit de evangelies, maar alles met de
kerkelijke organisatie en de wereldlijke belangen van de kerk.
Men heeft
dus van bij het prilste ontstaan van het christendom, in de kleine groep van joden
en heidenen die zich op hem beriepen, steeds aan de het historische beeld van
Jezus gewerkt. Vetrekkend van ongeveer niets, heeft men een figuur ontworpen
die uiteindelijk God zelf was. Wat weten we met zekerheid over Jezus? Niets.
Waarover is het christendom het eens? Dat hij geboren is in Israël, daar gepredikt
heeft, wonderen verricht, dat hij door de Joden aan de Romeinse bezetter is
overgeleverd en door hen ter dood gebracht. Van zijn prediking is niets
genoteerd, de latere geschriften spreken elkaar voortdurend tegen en zijn niet
op ooggetuigen gebaseerd. De mirakels zijn op zichzelf om evidente redenen totaal
ongeloofwaardig, maar zelfs over die verhalen verschillen de evangelies, over
het aantal zowel als de omstandigheden. Sommige komen voor bij de ene, andere
bij de andere evangelist, er is geen eensgezindheid.
Vandaar dat er
zoveel verschillende bronnen zijn, canonieke en apocriefe, die de verhalen brengen
in allerlei versies, ze uitbreiden en aandikken met de meest fantastische
elementen. In de loop van 2000 jaar, maar vooral in de eerste 1500, is er een
kluwen van legenden ontstaan in allerlei vormen, literaire, artistieke,
theologische, maatschappelijke en morele. De beschavingsgeschiedenis van het
Westen was tot voor kort de geschiedenis van het christendom en die
geschiedenis is goeddeels gebaseerd op legenden, vooral in de uiterlijke vorm
van onze cultuur. Het is geen geschiedenis van God, maar een geschiedenis van
mensen.
Verstandige
mensen hebben dat steeds ingezien. Zij konden niet anders dan vaststellen dat
wat de Kerk als de onwrikbare waarheid verkondigde niet klopte, dat er teveel
interne contradicties waren, dat mirakels nu eenmaal niet gebeuren, dat de idee
van een God zelf kunstmatig is, dat de bronnen van het geloof niet betrouwbaar
zijn en de behoeders ervan niet te vertrouwen.
Met het
ontstaan van de historische en literaire kritiek vanaf de Renaissance komt de
hele geloofsstructuur onder vuur te liggen. Men bestudeert de Bijbel en ziet
dat het onmogelijk het Woord van God kan zijn. Stilaan ziet men de hele
christelijke beschaving voor wat ze is: het werk van mensen en niet altijd van
de beste mensen. Het geloof wankelt en uiteindelijk gaat men zich ook vragen
stellen over de legendarische, mythische, goddelijke stichter: Jezus. Sommigen
blijven trouw aan de Bijbel maar verwerpen de vulgaire, inhalige, wereldse
Roomse kerk of proberen haar te hervormen. Anderen gaan op zoek naar de kern
van de Bijbelse verhalen, naar de authentieke boodschap van de stichter, Jezus.
De Roomse kerk en ook alle andere ondertussen afgescheiden kerken en sekten
verzetten zich met hand en tand tegen een objectieve, wetenschappelijke
benadering van de geloofsgegevens, zelfs door bona fide gelovigen.
Een mijlpaal
in die alternatieve lezing van de Bijbel is die van David Friedrich Strauss
(1808-1874), die zijn Das Leben Jesu
liet verschijnen in 1835. Hij schokte toen Europa met zijn stelling dat de
mirakels van Jezus niet echt gebeurd zijn. Hij interpreteert ze als pogingen om
op Oudtestamentische gronden Jezus als de Messias voor te stellen. Door hem de
Bijbelse voorspellingen te laten vervullen leveren de evangelies het bewijs van
zijn messiaanse authenticiteit.
Lang voor
Strauss was er al ernstige kritiek op de Bijbelse mirakels, zowel die in het
Oude testament als die van Jezus en de Apostelen. Spinoza publiceerde zijn Tractatus theologico-politicus anoniem
in 1670, dus bijna tweehonderd jaar voor Strauss. Hij bespreekt daarin
uitvoerig de profetieën, mirakels en bovennatuurlijke gebeurtenissen uit de
Bijbel en verklaart ze, enerzijds door te verwijzen naar de onderliggende
normale, natuurlijke maar niet onderkende feiten, anderzijds naar de nood die
elke godsdienst heeft aan een bovennatuurlijk kader als legitimatie van zijn
aanspraken op werelds en goddelijk gezag. Dit was de basis voor de godsdienstkritische
houding van de hele Verlichting. Spinozisme was eeuwenlang synoniem voor
ongeloof in heel Europa.
In Frankrijk
was het Ernest Renan (1823-1892) die, grotendeels geïnspireerd door Strauss en
andere Duitse historici, filosofen en exegeten, een lans brak voor de
wetenschappelijke studie van de geloofsbronnen. Het begon met zijn Vie de Jésus van 1863 en schreef tijdens
zijn leven in totaal zeven volumes van zijn Histoire
de origines du christianisme (1863-1881). Zijn Vie de Jésus verwekte schandaal, paus Pius IX noemde hem de grootste
godslasteraar van Europa. Renan werd ontzet uit zijn ambt als professor aan het
Collège de France, de hoogste onderscheiding in het hoger onderwijs in
Frankrijk. Later werd hij in zijn eer hersteld, hij werd zelfs administrateur van het Collège de France en kreeg de hoogste
onderscheidingen, tot lidmaatschap van de Académie
Française en het Légion d’honneur toe.
Ernest
Renan, Vie de Jésus (Paris: Michel Lévy, 1863) verkocht als zoete
broodjes. Een maand na de publicatie in juni 1863 schreef zijn uitgever hem:
‘La Vie de Jésus continue à s’enlever
comme du pain! Je compte mettre en vente la 5e édition
avant la fin de cette semaine’. In het jaar volgend op zijn publicatie waren er dertien
uitgaven, de 61ste werd bereikt in 1921. De ‘édition populaire’ van
1864 kende nog meer succes en kende maar liefst 130 edities voor 1921. De
belangrijkste revisie van het originele werk was die voor de 13de editie
van 1864 (hoewel hij zelf spreekt van ‘quatre ans depuis que le livre a paru’),
waarin Renan zijn positie verduidelijkt en herziet in verband met het Johannesevangelie.
Van dit
alles is er in mijn jeugd en mijn opvoeding tot in de (katholieke) universiteit
toe nooit ofte nimmer sprake geweest. Kritiek, onder welke vorm dan ook op God,
Christus, het christendom, de kerk of haar gezagsdragers, was totaal
ondenkbaar. Er werd met geen woord gerept, zelfs niet om ze te veroordelen,
over de talrijke ernstige auteurs die zich in de loop van de voorbije twintig
eeuwen kritisch hebben uitgelaten over een of ander aspect van de godsdienst.
Het is pas sinds ik op pensioen ben en probeer om in het reine te komen met
mijn opvoeding en mijn actief leven, dat ik heb kennisgemaakt met deze rijke
alternatieve traditie.
Enige tijd
geleden vermeldde een bevriende kunstenares me terloops, naar aanleiding van
een gesprek over geloof en atheïsme, dat zij een exemplaar bezat van Renans Vie de Jésus. Bij een volgende
ontmoeting herinnerde ik haar daaraan, waarop ze me met enige aarzeling het
mooi ingebonden boekje overhandigde dat ze altijd in de huisbibliotheek van
haar vader had gezien en dat ze uiteindelijk had geërfd. Ik moest haar dure
eden zweren dat ik het na lezing ongeschonden zou retourneren.
Thuisgekomen
begon ik nieuwsgierig de lezing, maar onderbrak die al na enkele bladzijden van
het avertissement waarmee het boekje,
s.d. maar waarschijnlijk in 1928 in een populaire reeks meesterwerken uit de
literatuur uitgegeven door Nelson en Calman-Lévy te Parijs maar gedrukt bij Nelson
in Edinburgh, Schotland, begint. In dezelfde reeks vinden we onder meer Balzac,
René Bazin, Chateaubriand, onze ‘Henri’ Conscience, Alphonse Daudet, Dickens,
Dumas Père & Fils, Flaubert, Anatole France, Théophile Gautier, Kipling, La
Bruyère, Lamartine, Pierre Loti, Maeterlinck, Prosper Mérimée, Poe (vertaald
door Baudelaire!), Paul et Virginie van Bernard de St. Pierre, Saint-Simon,
George Sand, Scott, twee Ségurs, Quo Vadis van Sienkiewicz, Stendhal, Tolstoï,
Toergeniev, om slechts de meest bekende te noemen. Je vindt de reeks nog vaak
in tweedehandse-boekenwinkels.
Vanwaar dat
abrupt afbreken van die toch gefascineerde lectuur? De ‘waarschuwing’ van de
auteur was niet overbodig. Deze uitgave was immers niet zijn originele Vie de Jésus van 1863, maar de édition populaire die hij daarvan vrijwel
onmiddellijk maakte. Ik citeer: Puisqu’il m été donné de tracer de Jésus une image qui a obtenu quelque
attention, j’ai cru devoir offrir cette image, sous une forme convenablement
préparée, aux pauvres, aux attristés de ce monde, à ceux que Jésus a le plus
aimés. Beaucoup de personnes ayant regretté que le livre, par son prix et son
volume, ne fût pas disponible à tous, j’ai sacrifié l’introduction, les notes
et certains passages de texte… (p. 7).
In de dertiende, gereviseerde uitgave schrijft hij, in
de voetnoot op p. 33 van de Préface: Toutefois, comme en de tels sujets l’édification
coule à plein bords, j’ai cru devoir extraire de la Vie de Jésus un petit volume où rien ne pût arrêter les
âmes pieuses qui ne se soucient pas de critique. Je l’ai intitulé Jésus, pour le distinguer du présent ouvrage,
lequel seul fait parti de la série intitulée: Histoire des Origines du
Christianisme. Aucune des modifications
introduites dans l’édition que j’offre aujourd’hui au public n’atteint ce petit
volume : je n’y ferai jamais de changements.
Je begrijpt
meteen mijn reactie: ik legde het petit
volume kuis terzijde en spoedde me naar de website van In ’t Profijtelijk Boeksken, op zoek naar de ongekuiste dertiende
uitgave. Ik vond en bestelde een gaaf exemplaar met slappe kaft maar zeer
leesbare druk uit 1960, nog steeds uitgegeven bij Calman-Lévy in Parijs, voor
amper zes euro, dat ik onlangs ging afhalen in Leuven en meteen uitlas.
Lieve lezer,
bereid je voor op enige superlatieven, maar tevens op de gebruikelijke kritiek.
Ik bewonder
dit werk ten zeerste. Het is een staaltje van de grote Franse prozastijl van de
19de eeuw, uiterst vlot geschreven, in een prachtige beeldrijke maar
zeer gemakkelijk te begrijpen taal, zelfs voor iemand als ik, voor wie het
Frans slechts de derde taal is, waarvan mijn competentie ver beneden die van
het Nederlands, mijn moedertaal blijft en ook veel beperkter dan mijn kennis
van het Engels. Een plezier om te lezen dus, alle 430 bladzijden.
Ik was ook
in de wolken over het objectieve standpunt dat de auteur inneemt. Vanaf de
eerste bladzijde stelt hij dat hij niet gelooft in mirakels, profetieën of
bovennatuurlijke verschijnselen. Hij gaat als historicus op zoek naar de
historische Jezus. Meteen stelt hij vast dat onze wetenschappelijke kennis
berust op zeer zwakke gronden, dat we zo goed als niets weten over Jezus. Maar
daardoor laat hij zich niet afschrikken. Als we uit de geschiedenis enkel die
feiten zouden aanvaarden die uitvoerig gedocumenteerd zijn door betrouwbare
ooggetuigen, dan zou de geschiedschrijving een mager beestje zijn. Hij wil dus,
op basis van onvolledige en onbetrouwbare getuigenissen, op basis van de
legendarische verhalen, een beeld schetsen van wie Jezus zou kunnen geweest
zijn. Hij geeft daarbij grif toe dat er geen enkele garantie is dat het
resultaat van zijn creatief werk overeenstemt met de werkelijke Jezus. Hij
hoopt alleen dat het een geloofwaardig beeld is, in overeenstemming met de kern
van de legenden en niet in strijd met de verifieerbare kennis die we hebben van
de historische omstandigheden ten tijde van Jezus.
Hij doet
daarvoor een beroep op de evangelies en andere Bijbelse teksten, maar ook op historische
bronnen uit die tijd en op apocriefe Bijbelteksten, evenals latere christelijke
teksten, vooral omwille van de citaten die ze bevatten uit vroegere,
ondertussen verloren gegane teksten. Het is een boeiend puzzelwerk geworden, de
auteur moet zich daarbij kostelijk geamuseerd hebben, en ik bedoel dat echt
niet ironisch.
Er zijn
echter ook een aantal ernstige problemen. Het belangrijkste is dit: Renan gaat
ervan uit dat Jezus echt geleefd heeft in de periode die de evangelies
beschrijven; hij neemt ook aan dat de feitelijke gegevens van het Nieuwe
Testament globaal gesproken correct zijn; hij aanvaardt bovendien dat de
(synoptische) evangeliën grotendeels de ipsissima
verba Christi bevatten, dat zij een vrij goede weergave zijn van wat Jezus
werkelijk heeft gezegd.
Als
rationalist verwerpt Renan alle mirakels, profetieën en bovennatuurlijke
verschijnselen en aanspraken op goddelijkheid. Zijn Jezus is een mens, maar dan
een uitzonderlijke mens, het beste wat de mensheid ooit heeft voortgebracht,
een uitzonderlijk genie, de stichter van de beste godsdienst, nee, de enige
echte godsdienst, een religie voor de universele mensheid. Dat bewijzen, zonder
de mirakels, zonder bovennatuurlijke elementen is echter een zo goed als
onmogelijke opgave. Zijn Jezus is een eenvoudige figuur in woord en daad,
iemand die zich slechts langzaam bewust wordt van zijn uniciteit en van de
mogelijkheden en opdrachten die hij daardoor heeft. Zijn Jezus is een mens,
geen God, niet de Zoon van God. Renan vermeldt God geen enkele keer. Hij is een
atheïst, dat heeft de paus en de kerkelijke hiërarchie en de hele katholieke
gemeenschap goed begrepen.
Jezus komt
in opstand tegen zijn Joodse omgeving, vooral de formalistische farizeeën. Hij
verwerpt ook de politieke heersers, de Romeinen en hun poging om de wereld te
ordenen door hem te onderwerpen aan hun werelds gezag. Het is een reine dwaas,
die iedereen oproept tot de absolute zuiverheid van hart die Renan hem
toedicht. Wij moeten volmaakt zijn, zoals onze goddelijke Vader volmaakt is. De
volmaaktheid van die Vader is niets anders dan het beste waartoe de mens in
staat is, de idealisering, de verabsolutering van wat goed is in de mens, maar
daar slechts op zeer onvolmaakte wijze aanwezig. Wij mogen nooit met minder
tevreden zijn dan met het allerbeste, het moreel meest hoogstaande. Dat is de
eenvoudige boodschap van Jezus.
Maar zo simpel
is het natuurlijk niet. Wij zijn het zeer zelden eens over wat nu precies het
beste is in concrete gevallen. Wij wensen ook voortdurend rekening te houden
met die omstandigheden en met onze zeer reële beperkingen. Niemand is volmaakt,
zeggen wij en we stellen ons noodgedwongen tevreden met veel minder dan het
optimale. Idealen zijn er om na te streven, niet om ze te bereiken. Jezus
uitdagende boodschap klinkt goed, maar ze is een beetje puberaal en dat is
precies hoe Renan Jezus omschrijft bij het begin van zijn publiek leven: als
een geëxalteerde, onrealistische, levensvreemde, landelijke charmante puber. En
dat beeld verandert niet echt. Jezus groeit niet, wordt niet volwassen. Hij
trouwt niet, heeft geen kinderen, werkt niet, hij leeft van de hemelse dauw.
Hij laat zich onderhouden door zijn vrienden en vriendinnen en zwerft door een
idyllisch geschilderd Galilea. Wanneer hij uiteindelijk toch in Jeruzalem de
confrontatie aangaat met het establishment, de Joodse priesters en de Romeinse
bezetter, gaat hij op korte tijd ten onder. Hij ziet het onvermijdelijke
daarvan in en verzet zich niet eens.
Er is in het
boek van Renan een diepe tegenstelling tussen al het positieve dat hij zegt
over de historische, menselijke, eenvoudige Jezus, een dromer zonder enige
ambitie en zijn rol als goddelijke stichter van de christelijke godsdienst.
Renan komt daar niet uit. Net zoals Jezus verwerpt hij ongeveer alles wat
nadien gebeurd is. Hij verfoeit het concrete christendom, vroeger en nu, maar
zweert bij het originele ‘christendom’ van de jonge Jezus in Galilea, de
absolute zuiverheid van het reine hart. Hij verwerpt al de dogma’s, de hele
metafysica, de verrijzenis, het eeuwig leven, de beloning van de goeden en de
bestraffing van de kwaden. Wat hij in de plaats stelt, is een idyllisch beeld
van een schare jonge, ongeschoolde rondtrekkende joden, met een charismatische,
fysiek aantrekkelijke centrale figuur, die de mensen meesleept met zijn
eenvoudige boodschap.
Het is een
beeld dat de kritiek niet doorstaat. Renan citeert de evangelies overvloedig,
maar doet dat zeer selectief. Hij zweert bij de Bergrede als een onovertroffen
morele gids, maar hij leest die Bergrede niet aandachtig, net zomin als al de
andere teksten die hij aanhaalt. En wat niet past in zijn plaatje, dat vermeldt
hij niet en dat is het grootste gedeelte van de evangelies. Renan is al net zo
geëxalteerd en onrealistisch als de Jezus die hij tekent.
Bij het
lezen van zijn Vie de Jésus merkte ik
een knagende twijfel die bij mij opkwam. Renan geloofde zelf niet wat hij
schreef. Op bepaalde momenten zie je dat hij begint te twijfelen, dat het
idealistische bouwwerk dat hij opzet en dat ongetwijfeld verantwoordelijk is
voor het enorme succes dat zijn boek heeft gekend, wankelt op zijn grondvesten.
Jeugdig idealisme is mooi, maar daarop bouw je de wereld niet. Dat wist Renan
maar al te goed. Wat hij gedaan heeft is een voor zijn tijd origineel en
boeiend boek schrijven, niet de wereld veranderen.
Ik verdenk
Renan er zelfs van dat hij zich daarvan zeer goed bewust was. Er zit onder zijn
enthousiasme voor de jeugdige rebel Jezus een andere boodschap verborgen,
misschien zelfs voor hem, zeker toen hij het boek schreef. Men kan zeer
moeilijk atheïst zijn en tegelijk Jezus ophemelen als een unieke figuur, de
beste aller mensen, die door zijn leven en leer ons allen de weg wijst naar het
geluk hier op aarde. Bovendien is het historisch materiaal daartoe zelfs met de
beste wil ter wereld totaal ontoereikend. Hij moet ingezien hebben dat zijn
etiologische verklaring van het christendom niet klopte. Het christendom is niet
ontstaan door het historische leven van Jezus, wellicht heeft die nooit echt
bestaan, of zijn er talrijke dergelijke mensen geweest, zonder enig verder
gevolg voor de geschiedenis. Veel eenvoudiger dan het historisch reconstrueren
van de mythische, legendarische figuur van de Jezus van het christendom is het
blootleggen van de mechanismen die het christendom heeft gebruikt om de figuur
van haar stichter achteraf te construeren, als een goddelijke sanctionering
voor haar wereldlijke macht. Door zijn reconstructie zo onwaarschijnlijk te
maken, geeft Renan ons een sterke aanzet om het tegenovergestelde te denken. Hijzelf
stelt het zelf zo: Certes, nous
reconnaissons que le christianisme est une œuvre trop complexe pour avoir été
le fait d’un seul homme. En un sens, l’humanité entière y
collabora.
Dat is
inderdaad het geval. Paulus bijvoorbeeld is voor het christendom van veel
groter belang geweest dan welke denkbeeldige of reële Jezus dan ook en dat is
ook zo voor Constantijn, Augustinus, Thomas Aquinas en nog vele anderen. Wat er
met het prille christendom gebeurd is, ruwweg sinds de verwoesting van de
tempel in Jeruzalem in het jaar 70, is aanvankelijk het werk geweest van een
kleine groep overijverige fanatieke Joodse zeloten, leden van een sekte, waarbij
zich gaandeweg zeer velen hebben aangesloten, religieus geïnspireerde mensen en
anderen die uit waren op wereldse macht en bezit.
Het christendom
is een aspect van onze beschaving, maar het is niet het enige. Het christendom
is, in tegenstelling met wat de Bijbelse Jezus ervan zei, een zeer wereldse
ideologie, een theocratie, of beter gezegd, een hiërocratie, een
wereldheerschappij van de priesterkaste. Het christendom is een godsdienst die
vooral uit is op uiterlijk vertoon en wereldse macht, zoals de farizeeën die
Jezus zo haatte. Het christendom is zeer zichtbaar in onze beschaving, maar op
een zeer oppervlakkige manier. De kathedralen, de schilderijen, de
beeldhouwwerken, de literatuur, de muziek die het christendom opeist zijn niet
het werk van God, maar van mensen en daarin hebben zij veel meer uitgedrukt dan
alleen maar christelijke gevoelens. Ik maak me sterk dat de inspiratie voor de
meeste of zeker voor de grootste kunstwerken en kunstenaars die de christelijke
beschaving heeft voortgebracht nauwelijks iets te maken heeft met de
christelijke of zelfs met welke religieuze ingesteldheid dan ook, maar alles
met de diepmenselijke gevoelens en vragen waarvoor kunstenaars zo gevoelig
zijn.
Dat alles heeft
Renan zeer scherp aangevoeld en dat staat te lezen op elke bladzijde van zijn
boek. Maar daarvoor moet men de tekst goed lezen en dieper graven dan het
oppervlakkige enthousiasme dat Renan hier tentoon spreidt voor zijn wel zeer fictieve
Jezus-figuur.
Albert Schweitzer (1875-1965) publiceerde in 1906 zijn Geschichte der Leben-Jesu-Forschung. Hij stelt daarin klaar en duidelijk: ‘De
Jezus van Nazareth die openlijk naar voren kwam als de Messias, die de ethiek
predikte van het Koninkrijk Gods, die het Koninkrijk der Hemelen stichtte op
aarde en die gestorven is om aan zijn werk zijn finale consecratie te geven,
die Jezus heeft nooit bestaan.’ Schweitzer gaf zijn werk als priester en als
theoloog op en vertrok naar Afrika om daar als arts te werken voor de
gezondheid van de inheemse bevolking. Dat was consequent denken en handelen.
Hij kreeg in 1952 de Nobelprijs voor de vrede voor zijn zeer humanistische
filosofie.