ex libris: Le mythe de Sisyphe

Ex Libris: Albert CAMUS, Le mythe de Sisyphe, 1942, 186 pp., paperback
Je kan moeilijk iets lezen over moderne literatuur, over hedendaagse filosofie of psychologie, zonder een verwijzing te vinden naar dit boek van Camus, dat tijdens de tweede wereldoorlog verscheen. Ik wou wel eens weten waarom.
Ik zou het een goed boek moeten noemen, want het bevat een aantal gedachten die ik ook tot de mijne reken, en die Camus wellicht als een van de eersten publiek maakte in onze tijd, en die ondertussen bewust of onbewust leven bij velen, aanvaard als verworven waarheden of als knagende twijfels: de mens is sterfelijk, en als hij sterft is dat ook het einde, er is geen hiernamaals, geen onsterfelijke ziel; de zin van het leven zit in het leven zelf, er is geen hemel, geen god die dicteert wat het leven moet zijn en daartoe zijn wetten opdringt, er is geen hel en er zijn geen duivels of engelen.
Deze gedachten zijn snel samengevat en niet moeilijk te begrijpen. Wat staat er dan in de 186 pagina’s van het boek?
Vooreerst neemt een zich respecterend Franstalig auteur zijn tijd om ter zake te komen. Frans is geen Engels en zeker geen Nederlands. Wij zeggen wel eens dat de Franstaligen, de Italianen en de Spanjaarden zichzelf graag horen praten, en dat is niet moeilijk, want het klinkt ook goed, ik hoor ze ook graag bezig. Bovendien was Camus een filosoof, had gestudeerd aan de universiteit van Algiers en daar een thesis geschreven over Plotinus. De bagage die hij had meegekregen zou hij gebruiken in zijn argumentatie, onvermijdelijk. Zoals vele filosofen voor hem stelt hij zijn eigen stellingen tegenover die van anderen, neemt afstand van hen en probeert zo zijn eigen zaak te verdedigen. Meteen laat hij zien dat hij ze gelezen en begrepen heeft. Aan die methode zijn gevaren verbonden: men gebruikt de taal en het gedachtegoed van zijn voorgangers, formuleert zijn eigen stellingen in een bestaande context; men beperkt daardoor zijn eigen gedachten tot andere antwoorden op dezelfde vragen; de voorgangers worden terechtgewezen: hun conclusies waren verkeerd.
Camus slaagt niet zo heel goed in deze klassieke filosofische oefening. Enerzijds gaat hij niet diep genoeg in op de stellingen van zijn tegenstanders, zodat het voor de lezer niet altijd heel duidelijk is wat de precieze pointe van een argument is. Anderzijds is zijn kritiek te weinig gefundeerd: hij toont niet aan waar ze de verkeerde weg insloegen, waar ze tot onjuiste conclusies kwamen, en waarom zijn eigen opvattingen wel correct zouden zijn, nee, hij stelt uiteindelijk gewoon zijn ideeën tegenover die van de anderen, en prijst ze om hun eerlijkheid, wat de andere dan verdacht oneerlijk zou moeten maken.
Ik heb een tweede moeilijkheid met dit boek.
Vaak wordt het geciteerd in de context van zelfdoding. En inderdaad, Camus spreekt er herhaaldelijk over, maar naar mijn aanvoelen op een zijdelingse, niet ter zake doende manier. Hij behandelt de diepe tragiek van de zelfdoding niet, hij vermeldt suïcide af en toe eens in zijn filosofische argumenten, als een argument ex absurdo: als het leven geen zin krijgt van buiten uit, dan is het zinloos, en dan moeten we er maar een einde aan maken; aangezien de meeste mensen dit niet doen, moet het leven ook zin hebben zonder externe zingever.
De passages die zelfdoding vermelden zijn al bij al gering in aantal en verantwoorden nauwelijks de titel van het eerste hoofdstuk: L’absurde et le suicide, noch die van het vierde Le suicide philosophique. Zelfdoding is nergens een dragend element van zijn ideeën, niet als een valabele oplossing voor het absurde van het leven, noch, in de verwerping ervan, als overtuigend bewijs voor een zinvol leven zonder god. Het bijna gratuit gebruik en passant van een zo ontstellend en wanhopig extreem dilemma als zelfdoding juste pour épater le bourgeois, is een gebrek aan ernst en respect voor de betrokkenen en hun nabestaanden. Voor een diepgaande overweging of brede discussie van suïcide moet je niet bij Camus te rade gaan, hij biedt uiteindelijk remedies noch aansporingen voor de ten gronde vertwijfelde mens.
Rond het boek hangt nochtans een historisch waas van geheimzinnigheid, wat wel vaker het geval is bij taboe-onderwerpen zoals zelfdoding, incest, pedofilie, homoseksualiteit. En nee, Camus heeft geen zelfmoord gepleegd, hij kwam om in een verkeersongeval.
De ondertitel is Essai sur l’absurde. Men noemt Camus ook een absurdist eerder dan een existentialist, hoewel zijn breuk met Sartre meer te maken had met politieke stellingnamen voor of tegen communistische regimes (Camus was voorbeeldig tegen). Ik meen dat althans in dit boek dat absurdisme niet absoluut is; Camus verwerpt mijns inziens geenszins de zin van het leven, wel integendeel, hij ziet het leven als het enige zinvolle dat er is, aangezien er niets anders is. Ik heb zelden zo’n apologie van een intens leven gelezen als in sommige lyrische passages van dit boek. Camus verdedigt zelfdoding nergens, zeer integendeel, hij verwerpt haar als een totaal ongepast, onverantwoord, oneerlijk antwoord op de vermeende zinloosheid van het bestaan.
Het gebruik van de term absurd is hier wel zeer idiosyncratisch, dat wil zeggen eigen-aardig, namelijk: absurd is wie de externe zingeving verwerpt, terwijl de gangbare betekenis enkel deze is: absurd is wat totaal geen zin heeft. Herhaaldelijk verheerlijkt Camus het absurde, maar steeds in die eigen enge betekenis; nergens verdedigt hij de totaal absurde (in onze gewone betekenis van het woord) daad, zoals de zelfdoding, de redeloze misdaad (Gide) of de persoonlijke keuze zonder morele verantwoording (Sartre). Hij verdedigt geen nieuwe moraal, maar geeft de oude waarden een nieuw fundament, dat enkel door de mens en enkel in deze wereld kan gevonden worden.
Die moraal is wel het zwakste punt van zijn redenering, en de hoofdstukken die hij wijdt aan de voorbeelden van absurde (in zijn woordgebruik) helden zijn vaak eerder teleurstellende literatuurbeschouwing dan verhelderende duiding van filosofisch waardevolle ideeën.
Achtereenvolgens komen de figuur van Don Juan, de (toneel)artiest en de ‘veroveraar’, de man van de daad, zeg maar, aan de beurt. Telkens blijkt weer dat niet de moraal verworpen wordt, niet de zinloosheid, het écht absurde, maar wat Camus het absurde noemt, namelijk datgene wat zin krijgt uit het leven zelf, en niet uit een of andere externe oorzaak. Het is een verzet tegen de kleinburgerlijkheid van de heersende moraal en de autoritaire bewakers van een moraal die steunt op vergezochte theologische en al eeuwenlang aangevochten of achterhaalde filosofische principes. Don Juan, een figuur uit de wereldliteratuur die wel meer filosofen en psychologen intrigeerde, wordt een held precies omdat hij door zijn ongecomplexeerde beleving van de seksualiteit de christelijke moraal een neus (symbool voor iets anders, volgens Freud) zet. Ook de theateracteur heeft het aan de stok met de kerk, werd zelfs automatisch buiten de kerk gezet volgens Camus. En ook de man van de daad, de grenzenverleggende ontdekkingsreiziger of de opstandige wetenschapper (Galilei) worden bewonderd omdat ze zich hebben afgezet tegen de conservatieve of domweg foute leerstellingen van de kerk.
Dit is al te eenvoudig. Een ernstige kritiek op de gevestigde waarden dient dieper te gaan dan dat. Men zou bijvoorbeeld kunnen argumenteren dat godsdienst ten gronde niets te maken heeft met wetenschap, met politiek, zoals talloze ernstige mensen door de eeuwen heen voortdurend gedaan hebben; dat lijken me de echte ‘absurde helden’, die de mensheid echte bevrijdende, verruimende, emanciperende diensten hebben bewezen.
Camus ziet wel wat er verkeerd is, maar heeft nauwelijks argumenten voor hoe het dan wel moet. De christelijke seksualiteitsmoraal had zeker in 1942 geen antwoord op de vele vragen die een moderne samenleving oproept, en heeft dat nog steeds niet, omdat de fundamentele instelling van het christendom niet veranderd is: God, de onsterfelijke ziel, het eeuwig leven, de bevrijdende, absurde geloofsakt. Maar ons samenleven, onze seksuele contacten moeten hoe dan ook een zekere ordening krijgen, ook Camus zal zeker niet aanvaarden dat alles mag, al zijn er uit dit boek zeker citaten te halen die, uit hun context gegrepen, het tegendeel doen vermoeden. Maar hij wijst nergens de weg naar een grond voor die ethiek, behalve dat die niet van buiten uit mag komen.
Kan beter?
Die moraal moet in mijn opvatting door de mensen afgesproken worden en steeds verfijnd, zonder in dogmatisme te vervallen. Er zijn daden die misdaden blijven ook al heeft zogezegd niemand er last van. Seksualiteit mag bijvoorbeeld nooit met macht te maken hebben, en eigendomsrechten, intellectuele vrijheid, sociale voorzieningen al evenmin.
Dat Camus geen oplossingen aanreikt voor een burgerlijke, geseculariseerde moraal is misschien begrijpelijk in zijn historische context, maar is nu uiteindelijk onbevredigend. Dat is het overwegend gevoel dat ik had bij het lezen van Le mythe de Sisyphe.
Oh, ja: die Sisyphus… Ook die is er met de haren bij gesleurd. Het is de mythologische figuur die door de goden gestraft wordt, omdat hij zich bepaalde goddelijke rechten toeeigende; de straf bestaat erin dat hij een zwaar rotsblok naar de top van een berg moet rollen; eens daar boven aangekomen rolt het blok weer naar beneden, Sisyphus loopt terug naar benden en begint opnieuw, ten eeuwigen dage. Dàt is pas absurd. Camus probeert vertwijfeld om daar toch nog enige zin in te zien, maar het is al bij al een zwakke poging. Als dat het beeld is dat hij wil ophangen van de ‘absurde’ held, dan is hij zelfs zijn eigen fundamenteel belangrijk inzicht ontrouw: het leven heeft wel degelijk zin, ook zonder god. Het leven is geen eindeloze herhaling van een essentieel zinloze uitputtende taak. Het beeld van Sisyphus en het oneigenlijk gebruik van de mythe als titel leggen de vinger op de wonde van het onvolkomen karakter van dit boek, dat eerlijke, vrijmoedige gedachten over fundamentele problemen combineert met onaangepaste beeldspraak en een verwarde weigering om naast de vragen ook antwoorden te geven op de levensvragen die ook de van god en religie bevrijde mens niet kan ontlopen.
Het bestaan hier op aarde is voor elk van ons een tijdelijke, vaak ondoorgrondelijk wisselende werveling, met momenten van zwarte ellende maar ook van diep geluk. Het is al wat we hebben en in zijn majestueuze eenvoud is het de mens ook ten volle genoeg.





.jpg)














