
En dan is er Richard Strauss, dus met dubbele s, niet met sz.
(dit is het vervolg van mijn vorige bijdrage)
Toen men hem eens vroeg of hij familie was van Johann, antwoordde hij ontkennend, maar voegde eraan toe dat hij hoopte dat men ooit zou vragen of de Strauszen familie van hém waren. Hij heeft nog gelijk gekregen ook. Hij was geen Oostenrijker, maar een Duitser, al was dat een hele tijd een futiel onderscheid. Hij werd geboren te München in 1864 en stierf in 1949 in Garmisch, bekend van het schansspringen op TV, na het nieuwjaarsconcert. Zijn vader was hoornspeler in het hoforkest, na een lange carrière als volksmuzikant. Zijn moeder kwam uit een brouwersfamilie, zodat het gezin tot de begoede burgerij behoorde. Richards muzikaal talent bleek al heel vroeg. Reeds toen hij 16 was werden zijn composities ook uitgevoerd, mede dank zij de connecties van zijn vader en het geld van zijn moeder. In 1885 leert hij Hans von Bülow kennen, de echtgenoot van Cosima Liszt, de dochter van Franz Liszt, op wie Wagner later verliefd zou worden en ook iets meer dan alleen maar verliefd: ze hadden samen drie kinderen.
Aanvankelijk waren het Brahms, Mendelssohn en Schumann die de grootste invloed hadden op de jonge Richard, terwijl ook zijn vrij strenge en conservatieve vader, een hevig tegenstander van de nieuwlichters zoals Wagner en Liszt, hem op traditionele paden wou sturen. Richard werkte als dirigent, steeds bij belangrijker orkesten. Stilaan groeide zijn belangstelling voor de nieuwe muziek, die van Liszt en Wagner. Voor (de meesten onder) ons is dat nu een pot nat, maar voor het publiek en de kenners uit die periode moet dat zoiets geweest zijn als het verschil tussen zeg maar nonkel Bob en The Rolling Stones (die ooit door nonkel Bob op TV werden geïnterviewd en ingeleid…).
Het eerste werk voor orkest van Richard Strauss is: ‘Aus Italien’, na een reis naar Italië, juist. Aan het einde van de jaren 1880 reist hij verscheidene malen naar die streken, en leert ondertussen ook Mahler kennen. Later wordt hij ernstig ziek, en maakt vervolgens een grote reis om gezondheidsredenen. In 1894 trouwt hij met Pauline de Ahna, een Duitse opera-sopraan. Zij zouden samen blijven tot zijn dood en zij stierf een jaar later, in 1950. Voor haar schreef hij talloze liederen en ook voor zijn opera’s moet hij haar vaak in gedachten gehad hebben, en niet alleen voor de muziek, maar daarover, en over Hugo von Hofmansthal, die hij in 1900 leert kennen, later meer. In deze eerste bijdrage over Richard Strauss wil ik me beperken tot zijn orkestraal werk, over zijn vocaal werk, de opera en de liederen, hoop ik later te schrijven.
Kennen wij iets van Richard Strauss? Zoals gewoonlijk zeg ik daarop: jewèèèl! Denk maar aan de beginscène van 2001 A Space Odyssee, de SF-film van Stanley Kubrick uit 1968. Een (ietwat té mensachtige) aap zit te spelen met knoken van het geraamte van een groot dier, een koe of zo. Stilaan begint hij een flinke knook als een soort hamer of bijl te gebruiken, en ontdekt zo hoe je een voorwerp als een hulpmiddel kan gebruiken, of als een wapen, wat ook prompt gebeurt: dit is de eerste stap in de ontwikkeling van de mens… De muziek die je op de achtergrond hoort, een enorm crescendo naar een triomfantelijke orgelstoot, dat is het begin van ‘Also sprach Zarathustra’ (1895). (Tussen haakjes, de muziek op de achtergrond van de tocht van het ruimteschip is de Blaue Donau, van die andere Strausz).
Voor veel mensen, ook voor mij, was dat een eerste verwijzing naar de muziek van Strauss. Ik was toen 22, en klassieke muziek was voor mij toen vooral Beethoven, de Messiah van Haendel, opera-aria’s op zondagnamiddag, de Matheus-passie van Bach, dat soort dingen. Richard Strauss was toen een cultfiguur, en ik heb de indruk dat hij dat enigszins gebleven is tot op vandaag. Toch zegt men dat hij de meest gespeelde componist is, na Mozart, Verdi en Wagner. Zijn Till Eulenspiegels lustige Streiche, met de speelse inzet, werd vroeger vaak gebruikt in lessen muziekbeluistering. Je hoort hem ook vaak op de radio en tijdens concerten, en veel van zijn opera’s worden elk jaar opnieuw overal ter wereld opgevoerd. In de bibliotheek vind je talloze uitvoeringen van zijn werk op CD en ook op DVD. En toch is hij niet zo bekend bij het publiek als bijvoorbeeld Beethoven en Mozart. Waarom?
Zijn muziek is eigenaardig. Zijn melodieën zijn vaak heel toegankelijk, aangenaam om horen, helemaal niet zoals bij vele van zijn tijdgenoten zoals Arnold Schönberg, Alban Berg of Anton Webern, of zelfs Bartok of Debussy. Maar probeer ze eens mee te zingen of na te fluiten? Dan blijkt dat zijn muziek niet zo gemakkelijk is als ze lijkt. Hij gebruikt het orkest veeleer zoals Wagner, Liszt en Mahler, vaak met heel veel instrumenten en eigenaardige combinaties, zodat na een bepaalde voorstelling een kritiek voorspelde dat de volgende keer ook zeven misthoorns, waterorgels, kanonnen, drilboren, aambeelden, sjofars (Joodse hoorns) etc. zouden ingezet worden. Het orkest is soms overweldigend, een echte orgie van klanken fortissimo gespeeld. Soms zijn het ook de meest lieflijke klanken die je ooit gehoord hebt, vertederd stil, intiem, of bevallig, speels, vaak grappig of zelfs boers. Strauss is een componist die zich kostelijk amuseert. Hij beheerst het orkest, en de menselijke stem, zoals geen ander.
Zangers en zangeressen zijn het erover eens dat zijn muziek een balsem is voor de stem, in tegenstelling tot heel wat andere componisten, zowel oude, moderne als hedendaagse. Anderzijds kwam een klarinetspeler hem ooit zeggen dat een bepaalde passage misschien wel op de piano kon gespeeld worden (componisten proberen wat ze schrijven vaak uit aan de piano), maar zeker niet op de klarinet. Waarop Strauss: maak je geen illusies, op de piano gaat het ook niet. Zijn muziek is dus een vreemde mengeling van vertrouwde melodieën en ritmes en van bekende orkestklanken, van klassieke recepten en vormen, en toch ook weer volkomen modern. Je voelt dat Strauss muziek schrijft om zijn luisteraars te boeien; ik kan me niet voorstellen dat er ook maar iemand in slaap zou vallen bij zelfs zijn langste werken.
Zijn werken voor orkest noemt men symfonische gedichten, zoals de werken van Liszt. Voor hetzelfde geld kan men in beide gevallen van symfonieën spreken, maar dat klinkt niet zo modern. Men zegt ook vaak dat het programma-muziek is, muziek die gebaseerd is op niet-muzikale motieven. Het feit dat zijn stukken allemaal een naam hebben, en niet gewoon een nummer, zoals de negen symfonieën van Beethoven (al hebben enkele daarvan ook een naam gekregen: de Eroica (de spellingcontrole suggereert Erotica…) (III), de Noodlotsymfonie (V), de Pastorale (VI) en de Ode an die Freude (IX)).
Aus Italien, dat spreekt. Tijl Uilenspiegel ook. Er is ook nog Macbeth, Don Juan, Also sprach Zarathustra, Dood en verheerlijking, Don Quichote, Een Heldenleven, een Huiselijke symfonie en een Alpensymfonie. Vooral deze laatste vraagt erom: bij elk onderdeel wordt in een zinsnede gezegd waarover het gaat: de zonsopgang, het begin van de wandeling, de bergbeek, op de alpenweide, op de top, onweer, afdaling, invallen van de duisternis. Bij Tijl Uilenspiegel kan je ook een aantal fratsen bedenken uit het boek (of de strip), die passen bij de muziek. Toch is het niet zo simpel als het lijkt: sommige van die teksten zijn achteraf gemaakt, toen de muziek al af was… De fratsen van Tijl Uilenspiegel zijn muzikale grapjes, geen vertaling van bijvoorbeeld Tijl die zonder broek op een ezel door de stad rijdt. En zelfs de Alpensymfonie kan je gewoon beluisteren als een spectaculair orkestwerk, net zoals je Zarathustra kan aanhoren zonder ook maar iets te weten over Zoroaster (dat is de Griekse vorm van zijn naam), een Perzische ‘filosoof’ uit 650 voor Christus, of over Friedrich Nietzsche, een Duits filosoof zonder aanhalingstekens die leefde van 1844 tot 1900, de auteur van een werk dat dezelfde naam draagt als het symfonisch gedicht, en waaruit citaten genomen zijn als titels van de delen van het orkestwerk.
Ook Strauss zelf had lak aan het onderscheid tussen zogenaamde absolute muziek, waarin geen verwijzingen voorkomen naar iets buiten de muziek, en programmamuziek, een soort illustratie in muzikale termen van iets anders, bijvoorbeeld de natuur (denk aan de Pastorale van Beethoven, die ook titeltjes heeft zoals de Alpensymfonie, maar die je ook kan beluisteren en smaken zonder te denken aan beekjes en stormen, al is de storm echt wel leuk om horen…), of een filosofische uiteenzetting over dood en verheerlijking. Daarbij wordt absolute muziek dan als ernstiger, belangrijker, want zuiverder muzikaal beschouwd dan de beschrijvende programmamuziek. Voor Strauss was dat onderscheid niet bestaande, wellicht omdat hij beter dan wie ook wist welke rol die extra-muzikale elementen gespeeld hadden bij de compositie van zijn werken. Misschien probeerde hij, naar de mode van zijn tijd, de literatuur bij zijn muziek te betrekken, zoals sommige schrijvers de muziek in hun werk binnenhaalden, denk maar aan de Toverberg van Thomas Mann, waarin minutieus een aantal muziekstukken worden beschreven en gesmaakt. In zijn opera’s heeft hij die link met de literatuur uitgewerkt tot een sluitend geheel, maar, zoals beloofd, daarover later.
Zeker is dat de orkestwerken van Strauss op zichzelf boeiend zijn, helder, een staalkaart van wat je met een orkest kan doen in alle mogelijke variaties, klankkleuren, stemmingen, ritmes etc. Ik moet steeds denken aan het publiek dat op een mooie avond naar de concertzaal trok voor de eerste opvoering van bijvoorbeeld de Alpensymfonie. Men kende Strauss en wist dus dat hij weer zou uitpakken met een formidabel orkest, met fluisterende passages en donderende fortissimi, kortom je zou waar krijgen voor je geld en je geen seconde beklagen dat je erbij was. Strauss zorgde goed voor zijn publiek, maar stelde hun smaak vaak op de proef met zijn Uilenspiegel-fratsen.
Ik eindig met een paar woorden over Richard Strauss zelf, dus niet over zijn muziek. Hij leefde in een tijd waarin de wereld grondig veranderde (maar is dat niet precies zo voor elk van ons, steeds weer? Denk eens aan de wereld van je ouders, en dan die van jou…), waarin wereldoorlogen miljoenen slachtoffers eisten, wij kunnen ons dat nauwelijks voorstellen. Hij was een Duitser in die beide oorlogen, en overleefde ze allebei. Hij was de belangrijkste componist in Duistland onder het Nazisme, en zijn werken werden zelfs gedurende de tweede wereldoorlog opgevoerd, maar hij werkte zolang hij kon samen met Stefan Zweig, de Joodse auteur, en had ook Joodse familieleden en vrienden. Hij was kort in officiële dienst voor de Nazi’s, maar werd ontslagen toen ze een brief van hem onderschepten waarin hij duidelijk maakte hoe hij over hen dacht.
Hij verdiende goed geld aan zijn werk: een van zijn opera’s, het voor die tijd gewaagde Salomé, stuitte op veel kritiek bij de burgerij en de georganiseerde godsdienst. Men zei dat die zedeloze opera hem veel schade zou bezorgen; waarop Strauss: kan zijn, maar met die schade bouwde ik mijn villa in Garmisch… Hij was een verwoed kaartspeler, zowel thuis als op reis. Op een dag ‘broste’ hij zelfs een belangrijke voorstelling van zijn werk, waarop hij eregenodigde was, omdat hij zo gezellig aan het kaarten was. De volgende dag verscheen in de kranten dat hij met griep in bed had gezeten. Strauss was een levensgenieter, een optimist, een overlever, iemand die zich kon aanpassen aan omstandigheden om zijn ding te kunnen doen, en dat ding was muziek maken. Zijn vrouw, die duidelijk baas was in huis, aarzelde evenwel niet om hem naar het dorp om melk te sturen terwijl hij bezig was een meesterwerk te componeren. Terug thuis, en na zijn voeten keurig geveegd te hebben, eerst met een natte en dan met een droge vod, nam hij de pen weer op en ging verder alsof er niets gebeurd was. Hij was een beroeps op dat punt, wist wat hij kon en later, toen hij al ouder werd, ook wat hij niet meer kon. Toch slaagde hij erin om in 1945, toen hij dus 81 was, een diepgaand werk voor 23 strijkers af te leveren, de Metamorphosen, ter herinnering aan de zinloze verwoesting door ‘Bomber’ Harris en de RAF van Dresden, en dus ook van de opera, waar zo veel van zijn opera’s hun eerste opvoering hadden gekregen. In 1948, een jaar voor zijn dood, schonk hij ons de ‘4 laatste liederen’, die nu nog steeds ontroeren, zelfs als opgelegd stuk in de koningin Elizabeth-wedstrijd voor zang.
Je ziet het, ik ben een beetje een Richard Strauss-fan. Een mens kan slechter kiezen. Zou je verkiezen dat ik over Duitse charmezangers schrijf? Misschien doe ik dat nog wel eens, op een erg mistige dag… Ondertussen: haast je naar de bibliotheek, en ontleen er als de bliksem een CD met orkestmuziek van Strauss, je weet wel, Richard, met twee s’en, het liefst in een uitvoering van Rudolph Kempe met de Staatskapelle Dresden, die koop je bij Brilliant (Kruidvat, zie de afbeelding) voor net geen € 19 voor negen CD’s, maar al de andere zijn ook goed. Ik garandeer je enkele uren pure muzikale vreugde.
Mocht het toch teleurstellen, stuur me dan maar een boze mail.