Strauss & Co.


Straus, Strausz & Strauss, de Beatles van hun tijd.
We hebben de neiging te denken dat pas met de Beatles de gekte om muzikanten begonnen is. Heel de wereld kende de Beatles, en waar ze kwamen stroomden fans massaal toe. Hun platen verkochten als de spreekwoordelijke zoete broodjes of moeten het Big Mac’s zijn? Iedereen zong mee met Yesterday, Michèle, Hey Jude en zo verder. Niet alleen muziektijdschriften maar ook ernstige kranten stonden vol met hun exploten en hun foto’s. Hun privé-leven en dat van hun vriendinnen en echtgenotes, zoals Joko Ono, werd op de voet gevolgd. Toen ze uiteengingen was dat hét nieuws van de dag, en toen John Lennon vermoord werd door een zwakzinnige (wie anders zou John willen vermoorden?), rouwde de wereld. Vandaag toert een pensioengerechtigde Paul McCarthy de wereld rond met fenomenaal succes.
Maar er is niets nieuws onder de zon. Ook vroeger waren het vaak muzikanten die in het centrum van de belangstelling stonden. Toen Wagner zijn Ring liet opvoeren kreeg dat meer aandacht dan de verfilming van The Lord of the Rings nu, en dat wil al wat zeggen. De discussie rond zijn muziek en die van Brahms verdeelde Duitsland in twee groepen die elkaar zelfs soms letterlijk te lijf gingen en elkaar verder dagelijks met de meest grove scheldwoorden bestookten. Tijdschriften en kranten stonden bol van commentaren op muziekopvoeringen, zeker bij nieuwe stukken, en de kritieken bepaalden vaak in grote mate het succes.
De naam Strauss is onlosmakelijk verbonden met de muziek. Laten we het eerst even over die naam zelf hebben, want die zorgt al meer dan honderd jaar voor verwarring. Dat begint al met de spelling: het is Oskar Straus, maar Johann, Johann jr. en Josef Strausz, doch nu meestal ook Strauss geschreven, en Richard Strauss.
Spontaan denk je: Strauss? een walsje, het nieuwjaarsconcert in Wenen, lange rokken, een bevroren glimlach, een balzaal met spiegels, goud en glitter. En met reden: dat was wat je te zien kreeg in het begin van de negentiende eeuw in zowat heel de Westerse wereld en zelfs daarbuiten.
Johann Strausz (vader, noemt men hem; 1804-49), was een populaire muzikant, die rond 1825 zelf begon te componeren, en rond 1830 met zijn walsen Wenen, de culturele hoofdstad van de wereld, in zijn greep had, maar ook in het buitenland op tournee ging en overal met open armen ontvangen werd. Met de revoluties van 1848 koos hij de kant van de conservatieven, en dat bezorgde hem heel wat vijanden. Toen dat weer wat begon te luwen, stierf hij aan roodvonk. Zijn meest bekende compositie is net geen wals, maar de meer dan bekende Radetzky-marsch, die van het nieuwjaarsconcert, waarbij het publiek mag meeklappen…
Johann Strausz (zoon, zegt men erbij, 1825-1899), was nog meer succesvol dan zijn vader. In 1844 vormde hij al een eigen orkest, en haalde daarmee veel succes. Vader Strausz kon daar niet mee lachen, en het is nooit meer goed gekomen tussen die twee. Pas toen de vader stierf en de zoon zijn orkest overnam kwam er een einde aan de rivaliteit, meer bepaald toen zoon Johann de kerkdienst opluisterde bij de begrafenis van zijn vader. Gek hoe mensen, zelfs vader en zoon, elkaar kunnen haten… Het succes van Johann jr. was al even internationaal als dat van Sr. Zo werd ‘an der Schönen blauen Donau’ pas een hit bij de opvoering op de wereldtentoonstelling van Parijs in 1867. Later probeerde Strausz jr. ook ‘ernstige’ muziek te schrijven en langere werken. Dat lag hem blijkbaar niet zo goed. Enkel de opera-operette Die Fledermaus van 1874 lukte, zij het aanvankelijk maar matig. Het duurde tot 1885 voor er weer een belangrijke compositie kwam: Der Zigeunerbaron. In 1888 schreef hij de Kaiserswalzer voor de veertigjarige ambtstermijn van keizer Franz Joseph, een van zijn mooiste, die we ook allemaal kunnen meezingen als we hem horen. Zelfs na zijn dood bracht men uit zijn nagelaten schetsen en onuitgegeven werken nieuwe werken uit, zoals het bekende Wienerblut. Johann Strauss (zo zal ik het nu ook maar eens spellen) viel zowat elke mogelijke eerbetuiging te beurt in binnen- en buitenland. Zijn leven leest als een roman: hij trouwde drie keer, zijn tweede vrouw, een dom blondje (sorry…) dat dertig jaar jonger was dan hij liet hem in de steek na een huwelijk dat meer op een kruising van een triller en een slechte soap leek, maar zijn derde vrouw slaagde erin om hem terug aan het componeren te zetten. Met de jaren verloor de onbetwiste ster van de Weense muziekwereld meer en meer van zijn schwung, zijn originaliteit en zijn vrolijkheid. Hij begon aan zichzelf te twijfelen, de kanker voor elke scheppende kracht; hij werd achterdochtig en bijgelovig, en dronk meer champagne dan goed voor hem was (al is het nu nog zo dat je champagne altijd en overal kan aanbieden en drinken, men geeft het zelfs aan een stervende mens, zeggen ze bij ons). Tegenwoordig zou men zeggen dat hij in een diepe depressie was geraakt. De begrafenisstoet werd door honderdduizenden gevolgd, hij werd begraven naast Brahms, rechtover Schubert.
Johann jr. had een broer, Josef, 1827-70. Hij verscheen ten tonele toen Johann in 1853 ernstig ziek werd en moest vervangen worden: the show must go on… Nadien wisselden de broers elkaar af als leiders van de drie orkesten die ze meestal gelijktijdig in Wenen lopen hadden; soms tekenden ze ook samen voor een compositie, zoals voor de levendige en alom bekende Pizzicato Polka (pizzicato wil zeggen dat de snaren ‘geplukt’ worden zoals bij een gitaar, niet gestreken met de strijkstok meestal doet men dat af en toe, als ondersteuning, een beetje zoals de contrabas in een jazz-quartet, maar in deze wals spelen alle strijkinstrumenten samen op die manier). Hij liep een hersenschudding op tijdens een concertreis in Rusland en stierf kort nadien.
Eduard Strausz (1835-1916) was het vijfde kind van Johann Sr. Hij draaide mee in het familiebedrijf met Johann jr. en Josef en schreef zelf ook 300 dansen, maar verbrandde later bijna al zijn partituren, wellicht in het besef dat zijn broers net iets beter waren dan hijzelf.
Over Oskar Straus, één s, dus geen familie, kunnen we kort zijn. Hij was ook een Oostenrijks componist, leefde van 1870 tot 1954. Zijn grootste succes was de operette ‘Ein Waltzertraum’, dat meer dan 5000 keer werd opgevoerd, echt waar. Een operette is een voorloper van de musical: een opera met een leuk verhaaltje, meestal met een happy end, zonder al te veel diepgang, met heel vlotte melodietjes, echte meezingers, maar in de beste gevallen ook heel goede muziek.
En dan is er Richard Strauss, dus met dubbele s, niet met sz. Over hem een volgende keer meer.


















