Tekens en symbolen
Het was de vierde keer in evenveel jaren tijd dat ze geconfronteerd werden met het probleem: wat voor verjaardagsgeschenk breng je naar een jongeman die ongeneeslijk ziek is in zijn hoofd? Er was niets dat hij verlangde. Voorwerpen die door mensen gemaakt waren, vormden voor hem een nest van boosheid, trillend van kwaadaardig leven dat alleen hij kon ontwaren, of wansmakelijke geneugten waarvoor in zijn abstracte wereld geen zin kon gevonden worden. Sommige konden ze meteen uitsluiten omdat ze hem ontstemden of schrik aanjoegen: elke gadget was bijvoorbeeld uit den boze. Daarom kozen zijn ouders een leuke, onschuldige snuisterij: een mandje met tien verschillende fruitsnoepjes in tien kleine potjes.
Toen hij geboren werd, waren ze al een hele tijd getrouwd; sindsdien waren er wel twintig jaar voorbijgegaan, en nu waren ze al echt oud. Haar vaal grijs haar was willekeurig opgedaan. Ze droeg goedkope zwarte kleren. In tegenstelling met andere vrouwen van haar leeftijd, zoals mevrouw Sol, hun overbuur, haar aangezicht helemaal roze en paars met make-up en een hoed van veldbloemen, bood zij aan de onthullende stralen van de lentezon een naakte, witte aanblik. Haar echtgenoot was in hun oude land een vrij succesvol ondernemer geweest, maar was nu totaal aangewezen op zijn broer Isaac, een echte Amerikaan sinds meer dan veertig jaar. Ze zagen hem zelden en hadden hem de Prins als bijnaam gegeven.
Die vrijdag ging alles verkeerd. De metrotrein verloor zijn levensstroom tussen twee stations in en een kwartier lang kon je niets horen dan het plichtsbewust kloppen van je hart en het ritselen van kranten. De bus die ze vervolgens moesten nemen, liet uren op zich wachten en toen hij eindelijk arriveerde, was hij afgeladen vol met kwetterende schoolkinderen. Het regende flink door toen ze het bruine pad opliepen dat naar het sanatorium leidde. Daar wachtten ze weer; in plaats van hun zoon naar binnen te zien schuifelen zoals gewoonlijk, zijn arme gezicht verknoeid met acné, slecht geschoren, lusteloos, en verward, verscheen er uiteindelijk een verpleegster die ze kenden maar niet erg apprecieerden, en die onthulde met opgewekte stem dat hij weer geprobeerd had een einde te maken aan zijn leven. Hij was buiten gevaar, zei ze, maar een bezoek zou misschien storend werken. De instelling was zo ellendig onderbezet van personeel en allerlei zaken raakten verloren gelegd of al te gemakkelijk verwisseld, dat ze besloten om hun geschenk niet achter te laten in het kantoor, ze zouden het meebrengen bij hun volgend bezoek.
Ze wachtte tot haar echtgenoot zijn paraplu had geopend en nam dan zijn arm. Hij schraapte voortdurend zijn keel op die luidruchtige manier die hij had als hij ontdaan was. Ze kwamen bij het bushokje aan de overkant van de staat en hij vouwde zijn plu dicht. Een meter daarvandaan, onder een wuivende, druipende boom, lag een piepklein naakt vogeljong halfdood hulpeloos in een plas te trillen.
Tijdens de lange rit naar het metrostation wisselden zij en haar echtgenoot geen woord, en elke keer als ze naar zijn oude hand keek, gezwollen aders, bruine vlekken op de huid, het handvat van de paraplu schokkend vasthoudend, voelde ze de drang van haar opwellende tranen. Ze keek op, om haar gedachten vast te klampen aan het een of ander en het gaf haar een lichte schok, een mengeling van medelijden en verwondering, toen ze merkte dat een van de andere reizigers, een meisje met donker haar en slonzige rode teennagels, lag te wenen op de schouder van een oudere vrouw. Op wie leek die vrouw toch? Ze leek sprekend op Rebecca Borisovna, haar dochter was getrouwd met een van de Soloveichiks, dat was in Minsk, jaren geleden.
De laatste keer dat hij het had geprobeerd, was zijn methode, zoals de dokter het zei, een wonder van vindingrijkheid; en het zou hem ook gelukt zijn, als een afgunstige medepatiënt, die dacht dat hij leerde vliegen, hem niet had tegengehouden. Wat hij echt wou doen was een gat scheuren in zijn wereld en ontsnappen.
Het systeem van zijn waanbeelden was het voorwerp geweest van een uitgebreid paper in een wetenschappelijk maandblad, maar zij en haar echtgenoot hadden het al lang tevoren zelf ontdekt. ‘Referentiële manie’ had Herman Brink het genoemd. In dit uitzonderlijk soort gevallen verbeeldt de patiënt dat alles dat om hem heen gebeurt een versluierde verwijzing is naar zijn persoonlijkheid en zijn bestaan. Reële personen worden uitgesloten van die samenzwering, want hij beschouwt zichzelf als zo veel intelligenter dan andere mensen. De zichtbare wereld volgt hem waar hij ook gaat. De wolken aan de starende hemel zenden elkaar met langzame tekens ongelooflijk gedetailleerde informatie over hem door. Zijn diepste gedachten worden bij het vallen van de nacht besproken, in handalfabet, door donker gesticulerende bomen. Keitjes of vlekken of plekjes zonlicht vormen patronen die op een afschuwelijke manier boodschappen voorstellen die hij moet onderscheppen. Alles is een geheime code en van dat alles is hij het thema. Sommige spionnen zijn afstandelijke toeschouwers, zoals glazen oppervlakten of stilstaand water; andere, zoals jassen in etalages, zijn bevooroordeelde getuigen, klaar om hem te lynchen; nog andere, lopend water, regenbuien zijn hysterisch, vrijwel krankzinnig en hebben een verstoord beeld van hem en leggen zijn daden op een groteske manier totaal verkeerd uit. Hij moet voortdurend waakzaam zijn en moet elk moment en module van zijn leven wijden aan het ontcijferen van de golvende beweging van de dingen. De lucht zelf die hij uitademt wordt geïndexeerd en geklasseerd. En als het alleen maar zijn onmiddellijke omgeving was die zich zo voor hem interesseerde, maar dat is niet zo! Hoe verder af, hoe geweldiger en welsprekender de schandelijke watervallen worden. De schaduwen van zijn bloedlichaampjes, een miljoen keer vergroot, vlieden over weidse vlakten; en nog verder weg zijn er machtige bergen, ondraaglijk solide en hoog, die in termen van graniet en kreunende naaldbomen de ultieme waarheid over zijn bestaan samenvatten.
Toen ze het gedonder en de vieze lucht van de metro achter zich gelaten hadden, waren de laatste overblijfsels van de dag verweven met de straatverlichting. Ze wou wat vis kopen voor het avondmaal en dus reikte ze hem het mandje met de snoeppotjes aan en zei dat hij alvast naar huis moest gaan. Hij liep de trappen op tot de derde overloop en herinnerde zich dan dat hij zijn sleutels eerder die dag aan haar gegeven had.
Zonder iets te zeggen ging hij zitten op de trappen en zonder iets te zeggen stond hij weer op toen ze tien minuten later toekwam, moeizaam strompelend, met een vermoeide glimlach, hoofdschuddend haar misprijzen uitend over haar eigen domheid. Ze gingen hun tweekamerappartement binnen en hij ging meteen voor de spiegel staan. Met zijn duimen trok hij zijn mondhoeken uiteen tot een afschuwelijk maskerachtige grimas en verwijderde dan zijn nieuw, hopeloos oncomfortabel gebit en doorbrak de lange speekselslierten die hem met zijn gebit verbonden. Terwijl zij de tafel zette, las hij zijn Russische krant. Zonder te stoppen met lezen nam hij het bleke voedsel tot zich dat geen tanden behoefde. Zij wist van zijn nukken en zweeg eveneens.
Toen hij naar bed was, bleef zij in de woonkamer met haar verfomfaaid pak kaarten en haar oude fotoalbums. Aan de overkant van de binnenkoer, waar de regen in het donker tikte tegen een paar versleten vuilnisbakken, lichtten ramen op en in een daarvan kon je een man zien liggen, gekleed in een donkere broek, languit op een niet-opgemaakt bed, zijn naakte ellebogen in de lucht. Ze trok de blinden naar beneden en bekeek de foto’s. Als baby zag hij er nog verbaasder uit dan de meeste andere. De Duitse meid die ze in Leipzig hadden, gleed van tussen de bladen van het album, samen met haar verloofde met zijn vette kaken. Minsk, de Revolutie, Leipzig, Berlijn, Leipzig, een scheve gevel totaal uit focus. Vier jaar oud, in een park: nukkig, verlegen, met gefronst voorhoofd, wegkijkend van een opdringerige eekhoorn zoals hij wegkeek van elke andere vreemde. Tante Rosa, een bezige, hoekige oude vrouw met wilde ogen, die geleefd had in een beverige wereld van slecht nieuws, bankroet, treinongelukken, kankergezwellen, tot de Duitsers haar ombrachten, samen met al de mensen over wie ze zich zo’n zorgen had gemaakt. Zes jaar oud, dat was toen hij wonderbare vogels tekende met mensenhanden en voeten en aan slapeloosheid leed als een volwassen man. Zijn neef, nu een beroemd schaakspeler. Nog eens hij, ongeveer acht jaar, al moeilijk te verstaan, bevreesd voor het behang op de gang, bevreesd voor een bepaalde prent in een boek, die niets anders toonde dan een idyllisch landschap met rotsen op een bergrug en een oud karrenwiel aan een tak van een ontbladerde boom. Tien jaar oud: het jaar dat ze Europa ontvluchtten. De schaamte, het medelijden, de vernederende problemen, de lelijke, gemene, achterlijke kinderen die met hem op die speciale school zaten. En dan kwam die periode in zijn leven, net toen hij langdurig herstellend was van een longontsteking, dat die kleine fobieën van hem, die zijn ouders koppig bleven zien als de eigenaardigheden van een buitengewoon begaafd kind, verhardden tot een dicht net van illusies die logisch samenwerkten en hem totaal onbereikbaar maakten voor normaal verstand.
Dat alles en nog veel meer aanvaardde ze, want al bij al was het leven niets anders dan het verlies aanvaarden van het ene plezier na het andere en in haar geval zelfs niet van vreugden, nee, nauwelijks meer dan mogelijkheden voor verbetering. Ze dacht aan de eindeloze golven van pijn die zij en haar echtgenoot moesten verduren, om een of andere reden; aan de onzichtbare reuzen die haar zoon zo onvoorstelbaar pijnigden; aan de onnoemelijke hoeveelheid tederheid aanwezig in de wereld; aan het lot van die tederheid, die ofwel vermorzeld wordt, of verspild, of omgezet in waanzin; aan verwaarloosde kinderen, neuriënd in zichzelf in stoffige hoeken; aan prachtig onkruid dat zich niet kan verbergen voor de boer en hulpeloos moeten toezien hoe de schaduw van zijn aapachtige bolle rug een spoor van vermaalde bloemen achterlaat, terwijl de monsterachtige duisternis naderbij komt.
Het was al na middernacht toen ze vanuit de woonkamer haar man hoorde kreunen; en nu kwam hij de kamer binnen, met over zijn nachtkleed de oude overjas met de astrakan kraag die hij zoveel liever droeg dan de nette blauwe badjas die hij had.
Ik kan niet slapen, riep hij.
Hoe komt het, vroeg ze, waarom kan je niet slapen, je was zo moe?
Ik kan niet slapen omdat ik crepeer, zei hij en legde zich neer op de sofa.
Is het je maag? Moet ik dokter Solov bellen voor jou?
Geen dokters, geen dokters, kreunde hij. Naar de duivel met dokters! We moeten hem daar snel weghalen. Anders zijn wij verantwoordelijk. Verantwoordelijk! riep hij nogmaals en rukte zich omhoog tot hij rechtop zat, zijn beide voeten op de grond, met zijn gebalde vuist op zijn voorhoofd bonzend.
Goed, zei ze zachtjes, we brengen hem morgenvroeg naar huis.
Ik zou wat thee willen, zei haar echtgenoot, en hij verdween naar het toilet.
Ze boog moeizaam voorover en raapte enkele speelkaarten op en ook een paar foto’s die van de sofa op de vloer gevallen waren: hartenboer, schoppennegen, schoppenaas, Elsa en haar beestige vrijer.
Hij kwam opgewonden terug en zei heel luid: Ik heb het allemaal uitgekiend. We geven hem de slaapkamer. Elk van ons beiden brengt een deel van de nacht dicht bij hem door en de rest van de nacht hier op de sofa. Elk om beurt. We zorgen ervoor dat de dokter hem ten minste twee keer per week ziet. En het kan me niet schelen wat de Prins ervan zegt. Trouwens, veel kan hij niet zeggen want zo zal het al bij al goedkoper uitkomen.
De telefoon rinkelde. Het was een ongewoon uur voor de telefoon om te rinkelen. Zijn linker sloef was van zijn voet gegleden en hij viste ernaar met zijn hiel en zijn tenen terwijl hij in het midden van de kamer stond en kinderlijk, tandeloos zijn vrouw aangaapte. Haar Engels was beter dan het zijne, en daarom beantwoordde zij alle telefoons.
Kan ik Charlie spreken, zei een dun, vlak meisjesstemmetje.
Welk nummer wou je bereiken? Nee, dat is een ander nummer.
De hoorn werd zachtjes opgehangen. Haar hand tastte naar haar vermoeide oude hart.
Ik was erdoor verschrikt, zei ze.
Hij glimlachte even vluchtig en hervatte dan meteen zijn opgewonden monoloog. Ze zouden hem gaan halen van zodra het licht werd. De messen zouden ze in een afgesloten lade moeten houden. Zelfs in zijn slechtste momenten vormde hij niet echt een gevaar voor anderen.
De telefoon rinkelde andermaal. Dezelfde toonloze angstvallige jonge stem vroeg naar Charlie.
Dat is een verkeerd nummer dat je hebt. Ik weet wat je verkeerd doet: je draait de letter O in plaats van het cijfer 0.
Ze gingen zitten voor hun onverwachte feestelijke middernachtelijke thee. Het verjaardagsgeschenk stond op tafel. Hij slurpte luidruchtig; zijn gezicht was aangeschoten; keer op keer gaf hij zijn opgeheven theeglas een draaiende beweging om de suiker grondiger te doen oplossen. De ader aan de zijkant van zijn kaal hoofd waar een grote geboortevlek was, tekende zich duidelijk zichtbaar af en hoewel hij zich die morgen geschoren had, vertoonde zijn kin zilveren stoppels. Terwijl zij hem nog een kop thee uitschonk, zette hij zijn bril weer op en bekeek opnieuw met plezier de kleine doorschijnend gele, groene, rode potjes. Zijn onhandige vochtige lippen spelden hun welluidende etiketten: abrikoos, druif, zeepruim, kweepeer. Hij was aan wilde appel gekomen, toen de telefoon weer rinkelde.
Vladimir NABOKOV, Signs and Symbols, door mij vertaald voor Lut.