Ex Libris: twee van John Banville


John BANVILLE, The Sea, 2005, 263 pp. paperback
id., Doctor Copernicus, 1976, 281 pp. paperback
The Sea van John Banville was de winnaar van de Man Booker Prize 2005, wellicht de meest bekende Britse ‘literaire competitie’. Dat betekent natuurlijk onmiddellijke bekendheid en dus goede verkoopcijfers.
Dit waren de winnaars in de voorbije 20 jaar:
2005 - John Banville, The Sea
2004 - Alan Hollinghurst, The Line of Beauty
2003 - DBC Pierre, Vernon God Little
2002 - Yann Martel, Life of Pi
2001 - Peter Carey, True History of the Kelly Gang
2000 - Margaret Atwood, The Blind Assassin
1999 - J M Coetzee, Disgrace
1998 - Ian McEwan, Amsterdam
1997 - Arundhati Roy, The God of Small Things
1996 - Graham Swift, Last Orders
1995 - Pat Barker, The Ghost Road
1994 - James Kelman, How Late It Was, How Late
1993 - Roddy Doyle, Paddy Clarke Ha Ha Ha
1992 - Michael Ondaatje, The English Patient
1992 - Barry Unsworth, Sacred Hunger
1991 - Ben Okri, The Famished Road
1990 - A S Byatt, Possession
1989 - Kazuo Ishiguro, The Remains of the Day
1988 - Peter Carey, Oscar and Lucinda
1987 - Penelope Lively, Moon Tiger
1986 - Kingsley Amis, The Old Devils
Geef toe, dit is beslist indrukwekkend gezelschap. Alle reden dus om het boek te kopen. In december vorig jaar las ik het en kocht meteen daarna enkele andere werken van hem, onder meer de trilogie Doctor Copernicus (’76), Kepler (’81), The Newton Letter (’82), verzameld in één band voor een zeer zacht prijsje (Picador). Daarvan las ik het eerste en grootste deel enkele dagen geleden.
John Banville is een literair beest. Voor hem is schrijven duidelijk geen vrijblijvend tijdverdrijf, geen woeste neerslag van wilde opwellingen. Zijn stijl is wat ze elaborate noemen, bewerkelijk, of zoiets: er is serieus professioneel aan gewerkt. Op elke bladzijde prijkt ten minste één aforisme, een zin die je zo in een citatenboek kan stoppen. Elke alinea heeft een woord dat je even doet fronsen en vervolgens naar het woordenboek grijpen. Er wordt vaak geciteerd in vreemde talen. Bij heel wat passages heb je ten minste de indruk er verwezen wordt naar bladzijden uit de wereldliteratuur. Sommige beelden lijken zo overgenomen uit filmklassiekers of schilderijen die je ooit zag in kunstboeken of de wereldmusea. En toch is het een ongemeen levendig auteur, je blijft zonder moeite doorlezen, geboeid door het verhaal dat zich gestadig of met onverwachte revelaties ontvouwt, getroffen door de eerlijke ernst waarmee de lotgevallen van levensechte mensen worden verhaald alsof het dragende elementen uit de wereldgeschiedenis waren. In het geval van Copernicus is dat ook zo.
Laten we daarmee dan maar beginnen.
Het gaat dus inderdaad om de levensbeschrijving van Nicholas Koppernigk (19 februari 1473 – 24 mei 1543), de eponieme geleerde van de revolutie die de wereld letterlijk op zijn kop zette. De auteur geeft in een bijlage enkele bronnen aan die hij heeft geraadpleegd, maar zegt dat hij nog veel meer heeft gelezen om en rond zijn onderwerp. Hij duidt enkele rechtstreekse (en anachronistische) citaten aan, maar zegt dat hij verder ook uitvoerig heeft geciteerd uit de werken van Copernicus zelf. Het is onduidelijk of allerlei nevenfiguren ontsproten zijn aan de verbeelding van de auteur, dan wel gebaseerd zijn op die bronnen. Het ziet ernaar uit dat de belangrijkste figuren wel een historische grond hebben, de secundaire wellicht niet. Maar ook de belangrijke figuren worden niet wetenschappelijk uitgewerkt, het zijn duidelijk romanfiguren. Vele details zijn ongetwijfeld verzonnen ofwel historisch maar louter willekeurig aan bepaalde personages toevertrouwd, zo goed zijn de bronnen nu ook weer niet dat we bijvoorbeeld de kleur zouden weten van het kleed dat de huisvrouw van Copernicus droeg.
Het is dus een historische roman. In een andere bijdrage had ik het al over dat genre, zie Andrew Miller, Ingenious Pain. Het is ook een merkwaardig indrukwekkende historische roman. Met uiterste zorg voor detail wordt een onverbiddelijk beeld geschetst van Europa in die cruciale periode waarin de mens zich moeizaam oprichtte uit modder van de Dark Ages en herboren werd in de van optimisme blakende Renaissance. Dat op zichzelf maakt het al de moeite waard om het boek te lezen. De complexe figuur van Koppernigk wordt ons voorgesteld als een levend wezen, een kind van zijn tijd. De auteur heeft zorgvuldig vermeden de vrij ingewikkelde technische kant van de astronomische revolutie te beschrijven: al vroeg in het boek krijgt Koppernigk als in een Damascus-ervaring dat ene inzicht: de aarde is niet het centrum van de wereld, het is een van de planeten die om de zon draaien. Hoe hij precies tot dat inzicht is gekomen wordt niet verhaald. Er zijn beschrijvende algemene verwijzingen naar waarnemingen, naar observatoria en wetenschappelijke instrumenten, maar je ziet als het ware de astronoom niet aan het werk, eerder een kamergeleerde die meer bezorgd is om filosofische en vooral theologische vraagstukken en valkuilen. Voor mij was dat lichtjes teleurstellend. Het is dus een geromantiseerde levensbeschrijving, geen wetenschappelijke. De aandacht gaat helemaal naar de lotgevallen van de personages, niet naar de analyse van de ontdekking en de argumenten van de revolutie. En toch staat die ontdekking centraal in het boek, als rode draad en als metafoor voor het ontwaken van de moderne mens, de bevrijding uit het louter overgeleverde, de autonomie van de onderzoeker, het begin van de aftakeling van het onverantwoorde religieuze gezag. Van dan af staat de mens centraal in het universum, niet de zon, die verzengende metafoor voor een almachtige, alles verslindende god. Copernicus zelf zal dat ontkennen, bij monde van de auteur, en de traditie wil dat hij zich tot het laatst verzet heeft tegen de publicatie van zijn levenswerk. Hij bleef inderdaad een kind van zijn tijd, net zoals Roger Bacon dat was (1214-1294), een van de eerste geleerden die zich afzetten tegen de deprimerende onaanvechtbare, oorlogszuchtige orthodoxie van de kerk; de voornaamste reden die hij, Bacon dus, aangaf om de kalender (zie mijn vorige bijdrage daarover) te herzien was dat men de heiligen zou vieren op de verkeerde datum…
Hoezeer ik ook genoten heb van de roman die Banville schreef over Koppernigk, toch bleef mijn intellectuele nieuwsgierigheid naar zijn levenswerk onbevredigd. Men zou dat ook als een verdienste kunnen zien: dank zij dit boek ben ik gaan snuffelen in encyclopedieën en meer gespecialiseerde werken… Daarover waarschijnlijk later meer. Hoor ik daar iemand zuchten?
En dan iets helemaal anders: The Sea. Anders? Zeker, en niet alleen omdat er dertig jaar tussen de twee werken liggen. Zeker, je herkent meteen de meesterlijke stijl van Banville in het recente boek, hij is zichzelf trouw gebleven, gelukkig maar. Het valt meteen ook op wat een verrassend jong talent hij moet geweest zijn: hij was pas 31 jaar oud (°1945 in Ierland) toen zijn roman over Copernicus verscheen!
The Sea is een summa, een gebalde compilatie van alles wat de zee bij ons mensen oproept. Er is een verhaallijn die, zoals dat sinds Joyce ongeveer verplicht is, niet rechtlijnig verloopt, er zijn de flashbacks en –forwards waarmee ook de film meestal ten onrechte meent diepzinnig te zijn, er is de grote en de kleine liefde, witte en inktzwarte leugens, een freudiaans geheim uit de kinderjaren dat de volwassenen over de tijd en de dood met zich meedragen. Er is ziekte, dood, erfenis, overleven en levend begraven worden in gewenning, compromis, conventioneel denken, kleinburgerlijkheid.
Ligt het aan de beschreven tijd, aan het onderwerp? Ik vond Doctor Copernicus meer diepgaand dan het hedendaagse The Sea. Daarom kijk ik al uit naar wat hij over Kepler en Newton te vertellen heeft, en ook hoé hij dat doet. En dan zijn er nog een aantal romans van hem die liggen te wachten.
Ik weet niet meer waar ik het voor het eerst gelezen heb, maar het is een leuke anekdote: iemand vroeg aan zijn gastheer, die hem trots zijn bibliotheek toonde, ietwat uitdagend: en, heb je al die boeken gelezen? Waarop de gastheer: ik kan me niets ergers voorstellen dan een bibliotheek waarvan ik alle boeken al zou gelezen hebben!
En nu ik op pensioen ben heb ik de tijd om te lezen, boeken die ik in de voorbije vijfenveertig jaar verzamelde of wat de media en het toeval nu in mijn schoot doen vallen.
Bliss!


.jpg)

















