Godsdienst verklaard, Pascal Boyer

Pascal Boyer, Religion explained. The human instincts that fashion gods, spirits and ancestors, William Heinnemann (sic)-London, 2001, x + 430 pp., notes, bibliography, index; soft cover. Je kan deze uitgave tweedehands kopen voor minder dan vier euro. Er is een Amerikaanse uitgave bij Basic Books met een andere ondertitel: The evolutionary foundations of religious belief, gebonden € 31 en als paperback € 13 maar in beide vormen tweedehands en zelfs nieuw te vinden bij Amazon voor ongeveer de helft van de prijs. Er is een Nederlandse vertaling: Godsdienst verklaard: de oorsprong van ons godsdienstig denken, De Bezige Bij, 2002, 462 pp., paperback, 14 x 22 cm, tweedehands te koop, onder meer bij Bol.com en In ’t Profijtelijk Boeksken, ongeveer € 14.
Pascal Boyer is als cognitief antropoloog verbonden aan de Washington University, St. Louis. Hij is karig met informatie over zijn geboortedatum en (Franse) afkomst, als je meer over zijn carrière en publicaties wil weten kan je terecht op zijn homepage. Er zijn Wikipedia-bijdragen over hem in het Engels en het Nederlands.
Van bij de eerste bladzijden al wist ik dat dit boek als het ware voor mij geschreven was. Ik ben immers al sinds mijn prilste jeugd op zoek naar een verklaring voor het verschijnsel godsdienst, omdat de hele bedoening zo totaal en evident ongeloofwaardig, vergezocht, irrationeel, nutteloos en zelfs schadelijk lijkt als men er even bij stilstaat. Hoe is het mogelijk, heb ik niet opgehouden mij af te vragen tot op de dag van vandaag, dat verstandige mensen zich met dergelijke onzin bezig houden? Hoe is het mogelijk dat men in deze tijd – maar niet minder in vroegere tijden – een dergelijk liturgisch circus blijft opvoeren en bijwonen? Waarom (b)lijken mensen die je voor het overige niets kan wijsmaken zo klakkeloos de klinkklare nonsens te geloven die de christelijke maar ook andere geloofsvormen hen voorhouden?
Er zijn al heel veel auteurs geweest, sinds de oudheid maar vooral sinds ongeveer 1650 en dan ononderbroken tot aan de explosie van de laatste jaren, die zich daarover druk gemaakt hebben en die aangetoond hebben hoe dwaas allerlei aspecten van godsdiensten zijn en hoe nefast voor de maatschappij. Het roemruchte boek van de vermaarde professor Richard Dawkins, The God Delusion, waarvan de titel zwak vertaald is als ‘God als misvatting’, is daarvan een heerlijk en onmisbaar voorbeeld. Zolang er nog godsdienst is, zullen er dergelijke boeken (moeten) blijven verschijnen. Maar daarmee is het verschijnsel godsdienst nog niet verklaard: waarom inderdaad is er ooit godsdienst ontstaan, waar komt die vreemde godsidee vandaan, hoe komt het dat bijvoorbeeld het christendom gedurende tweeduizend jaar de hele Westerse wereld en grote gebieden daarbuiten heeft overheerst en zo ingrijpend onze cultuur heeft getekend?
Men kan dat proberen te verklaren vanuit het christendom zelf, wijzend op de rol die het gespeeld heeft voor mens en maatschappij. Maar dat legt nog altijd niet uit hoe het begonnen is, hoe het kon beginnen, noch hoe het zo onwaarschijnlijk lang heeft standgehouden. Dat te verklaren is wat professor Boyer zich hier tot doel stelt. Hij doet dat als antropoloog, dat wil zeggen dat hij zich richt op het menselijk en maatschappelijk sociaal verschijnsel godsdienst, bij primitieve stammen overal ter wereld maar ook in de grote wereldgodsdiensten. Hij vraagt zich daarbij niet af of de God of de goden of de engelen, duivels, heiligen, de geesten van voorouders of mythische stamvaders, de heksen en wat er nog allemaal bedacht en verzonnen is in godsdiensten in werkelijkheid ook bestaan, of er een metafysische werkelijkheid is of niet. Hij bestudeert het merkwaardige universele verschijnsel godsdienst in zijn vele vormen en probeert de aanwezigheid ervan te verklaren.
Hij is een ‘cognitief’ antropoloog en dat vraagt misschien toch een woordje uitleg, omdat dit onderscheid wel degelijk belang heeft voor zijn onderzoek. Cognitief is afgeleid van het Latijnse werkwoord cognoscere, kennen. Je herkent er het Griekse gnosis in, kennis. De cognitieve wetenschap is de vrij recente interdisciplinaire studie van de menselijke kennis in al haar aspecten. Wat is kennis, wat doet ze, hoe werkt ze? Hoe wordt kennis verwerkt en waar? Hoe verhoudt zij zich tot het gedrag van mens en dier? Is zoiets als artificiële intelligentie (AI) mogelijk? Kan een computer ‘weten’? Zowel de psychologie als de neurologie, filosofie, antropologie, linguïstiek, sociologie, pedagogie en nog enkele andere domeinen van de wetenschap houden zich daarmee de laatste vijftig jaar zeer intensief bezig.
Het zal daarbij duidelijk zijn dat al deze disciplines een grote belangstelling aan de dag leggen voor de evolutie van het menselijk (en dierlijk) brein. Vanaf het ogenblik dat men eindelijk afstapte van de waanidee (the God delusion) dat God de mens geschapen heeft zoals hij nu is en inzag dat het veeleer gaat om een zeer lange evolutie van het biologisch leven op aarde, waarbij de mens (slechts) een van de vormen is die het leven heeft aangenomen, een laat en uiterst gecompliceerd wezen, dat zich vooral onderscheidt door de vorm en de relatieve omvang van zijn hersenen en door het gebruik dat dit wezen ervan maakt; vanaf dat ogenblik, zeg ik, is het evident dat dit brein zich ontwikkeld heeft in een specifieke context en dat het daarvan ook de duidelijke sporen zal dragen. Zoals ook de rest van ons lichaam geëvolueerd is tot de zeer specifieke vorm die het vandaag heeft, zo ook onze hersenen, ons brein.
Vandaar dat men ‘cognitief’ heel vaak in een adem vermeld vindt met ‘evolutionair’ en dat is ook het geval bij Pascal Boyer. Hij behoort tot of leunt aan bij de belangrijke groep van evolutionaire psychologen waarvan ook Steven Pinker, E.O. Wilson, Jerome Barkow, Leda Cosmides, Sarah Blaffer Hrdy, Matt Ridley, John Tooby, Robert Trivers, D.S. Wilson behoren, om slechts enkele van de meest bekende te noemen. Hij zal dus bij het zoeken naar verklaringen voor het menselijk gedrag en meer bepaald het religieus aspect daarvan, vooral aandacht hebben voor de evolutie van dat gedrag en het situeren in de algemene ontwikkeling van het menselijk verstand vanaf de vroegste stadia, toen de mens zich stilaan ging onderscheiden van de andere humanoïde diersoorten en zich organiseerde in samenlevingsmodellen.
Al die geleerde uitleg zou je haast doen vermoeden dat dit een onleesbaar ingewikkeld, moeilijk en saai boek is geworden. Lieve lezers: niets is minder waar! Pascal Boyer schrijft een heerlijk, bijwijlen sappig Engels (hij heeft ook lang in Cambridge gewerkt) en hij heeft dit boek helemaal niet geschreven voor specialisten, al zullen die er ook zeker hun voordeel mee doen, maar voor mij en voor jou, geïnteresseerde leken met een ruime belangstelling. Bovendien slaagt hij erin om van het begin tot het einde een opgewekte, meeslepende taal en stijl te hanteren en zijn betoog te verluchten met talloze sprekende voorbeelden uit zijn antropologisch onderzoek in Afrika, Azië en Zuid-Amerika, maar ook uit onze contreien. Hij doet dat vaak op een ietwat ingehouden geamuseerd-luchtige manier, tongue in cheek Britse humor gecombineerd met Franse esprit en ontwapenende Amerikaanse ironie. Ik heb herhaaldelijk zitten schateren en kon het niet laten om Lut dan mee te laten genieten van nog maar eens een schitterende beschrijving of een hilarisch understatement of speels innuendo. Dit is genieten! Ik hoop dat de Nederlandse vertaling die typische intonatie heeft kunnen behouden.

Ik heb dus
op een uiterst aangename en boeiende manier veel geleerd van dit boek. Ik zal
hier geen poging doen om het samen te vatten, dat is onmogelijk. Ik wil enkel
nog wijzen op enkele aspecten die me bij het lezen en verwerken zijn
opgevallen.
Zo herhaalt de auteur voortdurend, aan de hand van concrete voorbeelden, hoe weinig rationeel wij met godsdienst omgaan. In dat domein aanvaarden wij allerlei ongerijmdheden die wij zelfs in de meest populaire vormen van cultuur zoals literatuur, theater niet zouden gedogen. Bovendien lijken we vast te houden aan die typisch godsdienstige ‘waarheden’ zonder er veel over na te denken of er lang bij stil te staan. Toch een voorbeeld daarvan: een bepaalde stam in Afrika gelooft zeer sterk in de werkzame aanwezigheid van de geesten van hun afgestorvenen. Maar wanneer antropologen hen daarover vragen stellen, zelfs de meest eenvoudige en voor de hand liggende, kijken ze de vraagstellers onbegrijpend aan en kunnen ze slechts de meest vage en antwoorden verzinnen, waarbij ze elkaar voortdurend tegenspreken. Wij kunnen hetzelfde vaststellen bij overtuigde christenen: niet alleen weten ze vrijwel niets over de belangrijkste elementen van hun geloof, ze houden er daarover ook heel specifieke eigen meningen op na, die niet zelden totaal verschillend zijn van die van het geloofsgenoten.
Godsdienst behoort duidelijk niet tot het wetenschappelijk kennen, alle inspanningen van de theologie, de theodicee (de redelijke verklaring van het geloof) en de zogenaamde godsdienstfilosofie ten spijt. Godsdienst behoort tot het domein van de fantasie, van de verbeelding, van de primitieve verhalen. Dit lijkt misschien evident, maar het is wel in tegenspraak met alles wat godsdiensten verkondigen. Zelfs voor een overtuigd atheïst als ik was dit nog altijd een verrassende en ontnuchterende conclusie, waarvoor ik de auteur blijvend dankbaar ben.
Godsdienst heeft ook slechts een oppervlakkige reële impact op het dagelijks leven. Wij mogen ons niet laten verleiden door allerlei zichtbare rituelen, bij primitieve volkeren of in onze moderne wereld. Als de paus een land bezoekt, komen daar miljoenen mensen op af en allerlei gezagsdragers verdringen zich om zijn ring te kussen of hem met militaire eer te ontvangen als een bevriend staatshoofd. Wanneer dat circus weer voorbij is, schenkt niemand ook maar enigszins aandacht aan wat die paus te vertellen heeft en gaat men ongestoord verder met het gewone leven. Primitieve stammen (als die er nog zijn…) en devote beoefenaars van de kerkelijke rituelen (als die er nog zijn, zowel de devote beoefenaars als de rituelen…) zijn ook heel gewone mensen, die zich in het dagelijkse leven meestal net zo realistisch gedragen als hun minder religieuze medemensen. Het was ook vroeger al zo: na de mis trok iedereen naar het dorpscafé, religieuze feesten waren ook altijd volkse kermissen.
Waarom, o waarom toch lezen wij geen boeken als dit? Waarom verzwijgt men ze? Wat hier te lezen staat, zou elke jongere moeten te horen krijgen op school, in plaats van de flauwe kul die ze nu naar verluidt krijgen, zowel in de godsdienstles als in de lessen niet-confessionele zedenleer. Voor elke volwassene is deze zinnige uitleg een bevestiging van wat hij of zij zelf ook al lang aanvoelt. Voor elke senior die opgegroeid is in die turbulente periode rond het midden van de twintigste eeuw is dit een lang verbeide opluchting: eindelijk weten we waarom (sommige) mensen zich zo gemakkelijk laten verleiden door het religieuze gedachtegoed. En eindelijk weten we allen dat hoewel godsdienst zo evident lijkt, er in feite geen enkele goede reden is waarom we er ook maar één ogenblik echt zouden in geloven.
Ik kan dit knappe
boek niet genoeg aanbevelen. Dit moet je echt lezen. Het is een verrukking voor
de geest en het zal voor altijd je kijk op het godsdienstige veranderen, ten
goede, wel te verstaan.












