Toevoegingen
bij de
Filosofische Gedachten
Denis Diderot
Twijfel over religieuze kwesties moeten we helemaal niet als oneerbiedig
beschouwen, maar veeleer als goede werken, wanneer het gaat om iemand die
nederig zijn onwetendheid erkent, en ze hun oorsprong vinden in de vrees om God
te mishagen door afbreuk te doen aan de redelijkheid.
Als we enerzijds aanvaarden dat er een overeenkomst bestaat tussen de
menselijke rede en de eeuwige redelijkheid die God is, maar anderzijds
aanvoeren dat God van ons eist dat we onze menselijke rede laten varen, dan is
dat zo goed als stellen dat hij alles en niets wil.
Als God die ons onze rede heeft gegeven, van ons vraagt dat we haar
opgeven, dan is hij een goochelaar die doet verdwijnen wat hij eerst gegeven
heeft.
Als ik afstand doe van mijn rede, dan heb ik niets meer dat me leidt. Ik
moet dan blindelings een ander principe volgen en de veronderstelling voor waar
aannemen die nog ter discussie staat.
Als de rede een geschenk uit de hemel is en als we hetzelfde zouden
kunnen zeggen van het geloof, dan heeft de hemel ons twee geschenken gegeven
die incompatibel en tegenstrijdig zijn.
Om die moeilijkheid op te heffen, moeten we zeggen dat het geloof een
schimmig principe is, iets dat niet bestaat in de werkelijkheid.
Pascal, Nicole en nog anderen hebben het volgende verklaard: ’als God al
de onschuldige kinderen straft met eeuwige verdoemenis voor de fouten waaraan
hun ouders zich hebben schuldig gemaakt, dan is dat een hoogstaande stellingneming,
die niet in strijd is met de rede.’ Maar wat is dan nog een uitspraak die
strijdig is met de rede, als een die zo duidelijk godlasterlijk is, het niet
is?
Ik ben in de nacht verdwaald in een uitgestrekt woud en ik heb alleen
maar een stukje kaars om me te leiden. Komt daar een onbekende aan die me zegt:
beste vriend, blaas je kaars uit, dan zal je beter de weg vinden. Die onbekende
is een theoloog.
Als mijn rede van hierboven komt, dan is het de hemel die daardoor tot
mij spreekt; dan moet ik wel luisteren.
Of iemand een verdienstelijk mens is of niet, heeft niets van doen met
het gebruik van de rede. Al de goede bedoelingen ter wereld kunnen een blinde
nog geen kleuren leren onderscheiden.
Ik moet de evidentie onderkennen waar ze te vinden is, en de afwezigheid
van evidentie waar ze niet is, tenzij ik achterlijk ben. Maar achterlijkheid is
een ongeluk, geen misdaad.
De maker van de natuur deelt geen beloningen uit voor wie blijk heeft
gegeven van scherpzinnigheid. Hij zal dan ook geen straf uitspreken over wie
een dwaas is geweest.
Hij zal je zelfs niet bestraffen omdat je een booswicht bent geweest.
Hoezo! Ben je dan niet al ongelukkig genoeg geweest dat je een booswicht was?
Elke deugdzame bezigheid gaat gepaard met een innerlijke voldoening. Elke
misdaad, met wroeging. Los van alle schaamte of wroeging kent ons verstand een
afkeer voor deze of gene zaak. Ze te geloven of te verwerpen is dus geen
kwestie van deugd of misdaad.
Als we om het goede te doen ook nog genade nodig hebben, wat was dan het
nut van de dood van Jezus Christus?
Als er voor elke geredde honderdduizend verdoemden zijn, dan is de
duivel altijd in het voordeel, en hij heeft niet eens zijn zoon moeten
overleveren aan de dood.
De god van de christenen is een vader die zich zeer bezorgd toont over
zijn appelen, maar veel minder over zijn kinderen.
Ontdoe een christen van zijn vrees voor de hel, en je ontdoet hem van
zijn geloof.
Een godsdienst die waarachtig is, van belang voor alle mensen, altijd en
overal, moest wel eeuwig, universeel en vanzelfsprekend zijn. Geen enkele
godsdienst heeft die drie eigenschappen. Dus is drie keer bewezen dat ze
allemaal vals zijn.
Feiten waarvan slechts enkele mensen getuige kunnen zijn, volstaan niet
om een godsdienst te bewijzen die door iedereen ter wereld op dezelfde wijze
moet geloofd worden.
De feiten waarop men de godsdiensten steunt, zijn antiek en
wonderbaarlijk, met andere woorden zo verdacht als maar enigszins kan als
bewijzen voor een totaal ongeloofwaardige zaak.
Het evangelie bewijzen met een mirakel, dat is iets dat absurd is, bewijzen
met iets dat tegennatuurlijk is.
En wat gaat God aanvangen met al diegenen die nooit over zijn zoon
hebben horen spreken? Zal hij de doven bestraffen omdat ze het niet gehoord
hebben?
Wat gaat hij doen met al diegenen die wel van zijn godsdienst gehoord
hebben, maar die er geen hoogte konden van krijgen? Zal hij de pygmeeën
bestraffen omdat ze niet konden lopen met zevenmijlslaarzen?
Waarom zijn de mirakels van Jezus Christus echt gebeurd, en die van
Aesculapius, Apollonius van Tyana en van Mohamed niet?
Zijn alle joden die in Jeruzalem waren dan bekeerd bij het zien van de
mirakels van Jezus Christus? Helemaal niet. Ver van in hem te geloven, ze
hebben hem gekruisigd. We moeten wel gaan geloven dat die joden heel bijzondere
mensen waren. We hebben gezien hoe overal de mensen overtuigd worden door een
vals mirakel, terwijl Jezus Christus zelf met het joodse volk er niets van
terecht bracht met eindeloos veel echte mirakels.
We moeten het belang van precies dat mirakel onder de aandacht brengen,
het ongeloof van de joden, en niet dat van de verrijzenis.
Zo zeker als twee plus twee vier is, zo zeker is het dat Julius Caesar
werkelijk bestaan heeft. Het is zo zeker dat Jezus Christus heeft bestaan als
Caesar. En dus is het zo zeker dat Jezus uit de doden is opgestaan, als dat hij
of Caesar ooit geleefd hebben. Wat een logica! Dat Jezus en Caesar bestaan
hebben is geen mirakel.
In de biografie van Monsieur de Turenne staat dat toen er ooit een brand
uitbrak in een huis, de aanwezigheid van gewijde hosties de brand meteen deed
ophouden. Juist. Maar in de geschiedenisboeken lezen we ook dat een monnik ooit
een hostie vergiftigde; toen de Duitse keizer ze innam, viel hij meteen dood.
Ofwel ging het daar om iets heel anders dan louter de gedaante van brood
en wijn, ofwel moeten we aannemen dat het vergif opgegaan is in het lichaam en
het bloed van Christus.
Dat lichaam beschimmelt, dat bloed wordt azijn. God wordt op zijn altaar
opgegeten door de mijt. Domme mensen, onnozele halzen, open toch jullie ogen!
De godsdienst van Jezus Christus, verkondigd door onwetenden, heeft de
eerste christenen opgeleverd. Diezelfde godsdienst wordt vandaag gepredikt door
geleerde doctors, maar levert enkel nog ongelovigen op.
Men voert aan dat door zich te onderwerpen aan een wettig gezag, men
niet meer hoeft te redeneren. Maar waar ter wereld vinden we een godsdienst die
een dergelijk gezag niet heeft?
Het is de opvoeding als kind die een moslim verhindert gedoopt te
worden. Het is de opvoeding als kind die een christen verhindert zich te laten
besnijden. Het is de rede van de volwassene die zowel het doopsel als de
besnijdenis misprijst.
Bij Sint-Lukas lezen we dat God de Vader groter is dan God de Zoon: pater
major me est. Nochtans, en in tegenspraak met een zo formele uitspraak,
veroordeelt de kerk elke gewetensvolle gelovige die het letterlijk houdt bij
die woorden van het testament van de Vader.
Als de autoriteiten zo vrijelijk kunnen beschikken over de betekenis van
deze passage, terwijl er in de hele Schrift geen één is die meer precies is dan
deze, dan is er geen enkele passage waarover we ons sterk kunnen maken dat we
ze goed verstaan, zonder dat de kerk er van nu af aan om het even wat kan van
maken.
Tu es Petrus etc., is dat de uitspraak van een god of een gril zoals die
van Etienne Tabourot, heer van Accords?
In dolore paries, in smart zult gij kinderen baren, zegt God tot de
leugenachtige vrouw. Wat hebben al de vrouwelijke dieren hem misdaan, dat ook
zij barensnood kennen?
Als we pater major me est naar de letter moeten nemen, dan is Jezus
Christus God niet. Als we hoc est corpus meum letterlijk moeten geloven, dan
heeft hij zich met zijn eigen handen aan zijn apostelen uitgereikt. Dat is al
even absurd als zeggen dat Sint-Denijs het hoofd gebogen heeft nadat men het
afgehouwen had.
Men zegt dat hij zich terugtrok op de Berg van Olijven om te bidden. En
tot wie bad hij? Tot zichzelf.
Een God, die God doet sterven om God te sussen, een mooie uitdrukking
van de baron de la Hontan. Er staat minder zinvols in honderd folianten
geschreven voor of tegen het christendom, dan in de satire van deze twee
regels.
Als we zeggen dat een mens bestaat uit sterkte en zwakheid, uit inzicht
en verblinding, uit kleinzieligheid en grandeur, dan maken we het proces niet
op van de mens, maar zeggen we wat hij is.
De mens is zoals God of de Natuur hem gemaakt heeft. God of de Natuur
maakt niets slechts.
Wat wij de péché originel noemen, is bij Ninon de L’Enclos le péché original.
Het is een grove schaamteloosheid om de overeenstemming van de
evangelisten aan te halen, terwijl er bij de enen zeer belangrijke feiten
vermeld staan waarover bij de anderen met geen woord gesproken wordt.
Plato onderkende drie aspecten in het goddelijke: goedheid, wijsheid en
macht. Zelfs met de ogen toe herkent men de triniteit van de christenen. Al
drieduizend jaar geleden noemde die Atheense filosoof logos wat wij het woord
noemen.
De drie goddelijke personen zijn ofwel alle drie accidenteel ofwel drie
substanties. Een tussenweg is er niet. Als ze accidenteel zijn, dan zijn we
atheïst of deïst. Als ze substanties zijn, zijn we heidenen.
God de Vader is van oordeel dat de mensen zijn eeuwige wraak verdienen.
God de Zoon vindt dat ze zijn eeuwig medelijden waardig zijn. De Heilige Geest
is onbeslist. Hoe brengen we dit katholiek gewauwel in overeenstemming met de
eenheid van de goddelijke wil?
Al heel lang vraagt men aan de theologen om het dogma over de eeuwige
straf in overeenstemming te brengen met Gods oneindige goedheid. Ze zijn er nog
altijd mee bezig.
Waarom een schuldige straffen, als er van zijn straf geen enkel gunstig
gevolg meer te verwachten is?
Als men enkel voor zichzelf bestraft, dan is men wel erg wreed en erg
boosaardig.
Geen enkele goede vader zou op onze hemelse vader willen lijken.
Wat voor verhouding is er tussen degene die beledigt en degene die
beledigd is? Wat voor verhouding tussen de belediging en de straf? Een
opeenstapeling van dwaasheid en van wreedheid.
En waarover is die God zo gebelgd? Zou je niet denken dat ik iets vermag
voor of tegen zijn glorie, voor of tegen zijn gemoedsrust, voor of tegen zijn
geluk?
Men wil hebben dat God de schelmen doet branden die niets tegen hem
vermogen, in een vuur dat eindeloos brandt. Terwijl men een vader nauwelijks
zou toestaan om een zoon een zeer tijdelijke dood te doen ondergaan voor het in
gevaar brengen van zijn leven, zijn eer en zijn fortuin!
Jullie christenen hebben dus heel andere opvattingen over goed en kwaad,
over waarheid en leugen. Jullie zijn dan ook de meest absurde dogmatisten, of
anders de meest buitensporige pyrronisten.
Al het kwaad waartoe iemand in staat is, is niet al het mogelijke kwaad.
Enkel wie in staat is tot al het mogelijke kwaad, verdient ook een eeuwige
straf. Door van God een oneindig wraakzuchtig wezen te maken, verhef je een
aardworm tot een oneindig machtig wezen.
Als we horen hoe de theologen tekeer gaan over de daad van een man die
God wellustig heeft geschapen en die met zijn buurvrouw heeft gevrijd, die God
gewillig en mooi geschapen heeft, zou je denken dat de hele wereld in brand
staat. Ach! Beste vriend, hoor wat Marcus Aurelius zegt en je zal zien dat je
God vertoornt omwille van het ongeoorloofde en wulpse gewrijf van twee
ingewanden.
Wat de wrede christenen vertaald hebben in ‘eeuwig’, betekent in het
Hebreeuws enkel ‘langdurig’. De onwetendheid van een hebraïst en het woest
karakter van een vertaler zijn de reden voor het dogma over de eeuwigdurende
straf.
Pascal heeft gezegd: ‘Als uw religie vals is, dan riskeer je niets door
ze voor waar te nemen; als ze waar is, dan riskeer je alles door haar voor vals
te houden.’ Een imam kan net hetzelfde zeggen als Pascal.
Dat Jezus Christus, die God is, zou verleid zijn door de duivel, is een
fabeltje zoals die uit Duizend en één nacht.
Ik zou willen dat een christen, vooral een jansenist, me het cui bono
aantoont van de incarnatie. Overigens moet men het aantal verdoemden niet tot
in het oneindige opdrijven, als men tenminste nog enig nut wil halen uit dit
dogma.
Er was eens een jonge vrouw die een erg teruggetrokken leven leidde. Op
een dag kreeg ze bezoek van een jongeman met een vogel. Ze werd zwanger. Dan
stelt zich de vraag: wie heeft het kind gemaakt? Interessante vraag. De vogel!
Waarom lachen wij met de zwaan van Leda en de vlammetjes van Castor en
Pollux, en niet met de duif en de vurige tongen uit het evangelie?
Tijdens de eerste eeuwen waren er zestig evangelies waaraan men evenveel
geloof hechtte. Zesenvijftig ervan heeft men verworpen omdat ze kinderachtig en
onzinnig waren. Alsof er in de vier overgeblevene niets daarvan zou aanwezig
zijn.
God vaardigt een eerste wet uit voor de mens. Vervolgens schaft hij die
wet af. Is dat niet een beetje het gedrag van een wetgever die zich vergist heeft
en dat maar erkent na verloop van tijd? Is het een kenmerk van een volmaakt
wezen om zijn mening te herzien?
Er zijn zoveel soorten van geloof als er religies zijn in de wereld.
Al de onverdraagzamen van de hele wereld zijn niets anders dan ketterse
deïsten.
Als de mens ongelukkig is indien hij niet met schuld beladen geboren
wordt, dan is dat misschien wel omdat wij voorbestemd zijn om te genieten van
het eeuwig geluk, zonder dat we dat van nature ooit waardig zouden kunnen zijn.
Dat is wat ik denk van de dogma’s van het christendom. Over zijn moraal
zal ik mij niet uitspreken. Wat moet een katholieke huisvader doen, wanneer hij
overtuigd is dat hij de geboden van het evangelie letterlijk moet toepassen, op
straffe van wat men de hel noemt; rekening houdend met de extreme moeilijkheid
om een zo hoge graad van perfectie te bereiken dat de menselijke zwakheid die
niet mogelijk maakt? Ik zie geen andere mogelijkheid dan dat hij zijn kind bij
zijn ene voet grijpt en het op de grond te pletter slaat, of het verstikt bij
zijn geboorte. Op die manier bespaart hij het kind het gevaar van de
verdoemenis en verzekert hij het van het eeuwige geluk. En ik houd vol dat door
zo te handelen hij helemaal geen misdaad begaat, maar een zeer lovenswaardige
daad stelt, aangezien die gebaseerd is op de vaderlijke liefde, die vereist dat
een goede vader voor zijn kinderen al het mogelijke goed doet.
De voorschriften van de godsdienst en de wetten van de maatschappij, die
het vermoorden van onschuldigen verbieden zijn dus inderdaad wel erg absurd en
heel wreed, indien men door hen te doden hen verzekert van de eeuwige zaligheid
en door hen te laten leven, bijna zeker overlevert aan het eeuwige onheil.
Hoezo, Mijnheer De La Condamine! Het zou toegelaten zijn om je kinderen
in te enten tegen de pokken, maar het is niet toegelaten om ze te doden om ze
de hel te besparen? Belachelijk!
‘Het volstaat dat de overwinning triomfeert bij enkelingen, als dat ook
de goede zijn. Het ligt niet in haar aard om aan iedereen te behagen.’ In de
Oudheid was het op het eiland Ternate aan iedereen verboden, zelfs aan
priesters, om over godsdienst te spreken. Er was maar één tempel, er was een
wet die uitdrukkelijk verbood dat er een tweede zou komen. Er was daarin geen
altaar, geen heiligenbeelden, geen schilderijen. Honderd priesters met een
aanzienlijk inkomen, deden dienst in de tempel. Ze zongen niet en spraken niet;
in die enorme stilte wezen ze met de vinger naar een piramide waarop deze
woorden geschreven stonden: ‘Sterveling, aanbid God, bemin uw broeders en wees
dienstbaar aan het vaderland.’
Er was eens een man die in de steek gelaten was door zijn kinderen, zijn
vrouw en zijn vrienden. Onbetrouwbare vennoten hadden hem in het ongeluk en de
armoede gestort. Vervuld als hij was door haat en een grondig misprijzen voor
de menselijke soort, liet hij de maatschappij achter zich en trok zich helemaal
alleen terug in een grot. Daar, met zijn vuisten in de ogen gedrukt, en denkend
aan een wraakneming die in verhouding zou zijn met zijn hevige gevoelens, sprak
hij: ‘De ontaarden! Wat zal ik doen om hen te straffen voor het onrecht dat ze
me aangedaan hebben, hoe kan ik hen zo ongelukkig maken als ze verdienen te
zijn? O, als het mogelijk zou zijn om iets te bedenken… hen een groot waanidee
in het hoofd te prenten dat ze voor belangrijker zouden houden dan hun leven,
en waarover ze het nooit eens zouden worden!’ Meteen stormt hij naar buiten uit
de grot, al roepend: ‘God! God!’ Om hem heen herhalen ontelbare echo’s ‘God!
God!’ Die vreesaanjagende naam verspreid zich van pool tot pool en wordt overal
beluisterd met verbazing. De mensen buigen eerst diep neer, komen dan weer
overeind, stellen zich vragen, discuteren, worden verbitterd, excommuniceren
elkaar, haten elkaar, snijden elkaar de keel over en zo wordt de dodelijke wens
van de misantroop bewaarheid. Dit is het verhaal geweest in het verleden, en zo
zal ook het verhaal zijn in de toekomst, van een wezen dat altijd even
belangrijk zal zijn als onbegrijpelijk.
Vertaling © Karel D’huyvetters 2012