Verkiezingen: gelijkheid


Binnenkort zijn er weer verkiezingen, een goede gelegenheid dus om stil te staan bij de programma’s van de politieke partijen, maar dan niet zozeer bij de concrete voorstellen, de borrelhapjes waarmee ze ons proberen te verleiden, zoals een jobkorting, maar bij hun basisopvattingen over de maatschappij.
Neem nu een traditionele partij als de socialisten. Zij vetrekken van de overtuiging dat alle mensen gelijk zijn, maar niet gelijk behandeld worden en dat vinden ze onrechtvaardig.
Zijn alle mensen gelijk? Natuurlijk niet: er zijn er geen twee die identiek zijn. En we willen ook niet identiek zijn: we proberen allemaal onze persoonlijke voorkeur te volgen, een eigen identiteit uit te bouwen, een individu te zijn. Als iemand op een feestje komt en hij of zij merkt dat iemand anders precies de zelfde kleren draagt, is dat een uiterst vervelend moment. En zo is het op velerlei vlakken: we houden er niet van om niet origineel te zijn.
Dat kan dus niet de gelijkheid zijn die de socialisten bedoelen. Het gaat duidelijk over iets anders, iets dat we gemeenschappelijk hebben. Uiteindelijk kan dat niets anders zijn dan dat we allemaal mensen zijn, dat er geen verschillende soorten van mensen bestaan, dat iedereen die mens is niet wezenlijk verschilt van een andere, hoe sterk verschillend zijn of haar omstandigheden ook mogen zijn.
Dat is geen open deur instampen: gedurende het grootste gedeelte van onze geschiedenis was vrijwel iedereen overtuigd van het tegendeel. De blanken wisten met zekerheid dat de andere rassen inferieur waren en dus bijvoorbeeld als slaven konden behandeld worden of zelfs gewoon uitgemoord. De adel had ongeveer dezelfde opvattingen over wie niet uit nobele familie geboren was. De rijken meenden dat zij ver boven de armen stonden en dat die verhoudingen moesten in stand gehouden worden. Sommige intellectuelen vonden dat slechts een klein gedeelte van de mensen in staat was tot zelfstandig helder denken. Religieuze leiders voelden zich geroepen om de massa’s tot betere gevoelens en een deugdzaam leven te brengen en als dat niet lukte ook strenge straffen op te leggen. Militaire leiders vonden dat zij het recht hadden om andere mensen massaal de dood in te jagen. En ga zo maar door.
Het is nog niet zo lang dat wij stilaan van het tegendeel overtuigd geraakt zijn. Het is vooral door te zien hoe het niet moest, dat er verandering gekomen is en de twintigste eeuw heeft ons meer dan voldoende afschrikwekkende voorbeelden gegeven. De adel had al een serieuze verwittiging gekregen met de Franse Revolutie en in vele landen was dat meteen ook hun einde. Maar ook vandaag nog zijn er mensen die het erfelijk koningschap verdedigen, een extreme vorm van denken in termen van ongelijkheid: niet iedereen kan koning worden, je moet de zoon of in het slechtste geval de dochter van een koning zijn, en dat is dan, naast een noodzakelijke, ook een voldoende reden. Er zijn nog steeds racisten en vreemdelingenhaters, religieuze leiders die rechtstreeks van God vernemen hoe het moet, dictators die lak hebben aan de verzuchtingen van hun volk, militairen die menen dat hun ondergeschikten offers moeten brengen…
Maar er zijn nu mensenrechten die universeel erkend én afdwingbaar zijn, al lukt dat nog niet overal in de praktijk. Over die rechten, die voor iedereen gelijk zijn, moeten de socialisten het hebben. Het is immers niet denkbaar dat zij een wereld zouden voorstaan waarin iedereen werkelijk gelijk is, identiek: dat zou een zeer saaie boel zijn en pogingen daartoe in communistische systemen zijn altijd deerlijk mislukt. Het socialisme verdedigt dus die rechten waarop iedereen aanspraak kan maken, zonder onderscheid des persoons. Het maakt niet uit wat je huidskleur is, je taal, je geslacht, je afkomst, je rijkdom, je leeftijd, je godsdienst &c.
Het partijprogramma van de SP.A zegt dat zij als enige partij het principe van de gelijkheid verdedigen en dat de andere partijen dat niet kunnen opeisen zonder zichzelf te verloochenen. Krasse taal en weinig waarschijnlijk: welke partij zou het aandurven om de universele verklaring van de rechten van de mens naast zich neer te leggen?
Ze moeten het dus toch over iets anders hebben, maar wat?
Het is niet meteen duidelijk uit de teksten op hun website, maar ik vermoed dat het hierom gaat.
Men kan er niet om heen dat er verschillen zijn tussen de mensen, ook al hebben ze dezelfde rechten. Er zijn nu eenmaal mensen die meer hebben dan andere: meer geld, scherper verstand, betere opleiding, meer ervaring, meer talent, beter voorkomen, rijker taalgebruik; sommigen leven in meer beschaafde streken, met een beter politiek en sociaal stelsel; sommigen beschikken zelfs over beter genetisch materiaal, waardoor ze beter bestand zijn tegen ziekte. We kunnen er niet om heen: de levensverwachting en de levenskwaliteit van al die gelijke mensen verschilt enorm. Tussen Mexico en de Verenigde Staten is er enkel een kunstmatige grens, maar een hemelsbreed verschil, waardoor talloze Mexicanen van de ene kant naar de andere willen.
De socialisten zijn tegen die verschillen en willen er iets aan doen. Zij vinden het onrechtvaardig dat in de praktijk de welstand ongelijk verdeeld is, ook al zijn de rechten gelijk. Maar ook zij hebben geleerd uit de communistische experimenten. Zij vinden dat de welstand niet al té ongelijk verdeeld mag zijn. In de V.S. is de verhouding tussen het gemiddelde loon en dat van de top CEO’s 1:475. In Europa is dat ‘slechts’ ongeveer 1:25. Hier verdient een baas nog altijd zoveel als 25 van zijn werknemers, maar dat is een serieus pak minder dan mensen die 475 keer zoveel verdienen als de gemiddelde werknemer. De gelijkheid die de socialisten willen, moeten we in die richting zoeken: er mag gerust wat ongelijkheid zijn, maar niet teveel. Voor een aantal zaken mag er zelfs helemaal geen verschil zijn, vinden ze: het openbaar vervoer moet voor iedereen beschikbaar zijn en mag voor de ene niet duurder zijn dan voor de andere. Evenzo voor de elementaire gezondheidszorg, het basispensioen, de werkloosheidsuitkering, het kindergeld… Door die domeinen in handen van de Staat te geven, kan men ervoor zorgen dat er een gelijke verdeling is van de elementair geachte goederen of diensten.
En dan gaan ze nog een stap verder. Met het geld van de belastingbetaler willen ze ook bepaalde ongelijkheden bestrijden. Iemand met een ziekte of handicap moet extra steun krijgen, om althans een gedeelte van zijn ongelijkheid te compenseren. Iemand die in armoede leeft, betaalt minder belastingen en krijgt meer uitkeringen. Men doet zo aan een vorm van positieve discriminatie. Als allochtone jongeren minder kansen krijgen op de arbeidsmarkt, dan gaat men programma’s opstarten om daaraan te verhelpen. Als oudere werknemers niet meer aan de bak komen, dan gaat men hun aanwerving aantrekkelijker maken voor de werkgevers. Men gaat aan de bedrijven zelfs quota opleggen: zij moeten een bepaald aantal van die of die soort werknemers hebben, of zij worden daarvoor gesanctioneerd.
Men vertrekt van de grondregel dat iedereen gelijk is. Dan stelt men vast dat in de praktijk een grote ongelijkheid bestaat. Men vindt dat onrechtvaardig en probeert dat te veranderen. Dat gebeurt via ingrepen door de Staat: regelgeving en belasting. Het parlement, of de regering zullen beslissen hoe het belastingsgeld herverdeeld wordt, welke regels uitgevaardigd worden om de maatschappij te hervormen. In een socialistisch systeem is de Staat het middel om de welstand zo goed mogelijk, rechtvaardig te verdelen en de politiek beslist.
Dat is wellicht het grote verschil met andere partijen en vooral met die ene partij, de liberalen. Dat zijn de traditionele tegenstanders van staatsinmenging: zij vinden dat er zo weinig mogelijk Staat moet zijn, dat men de burgers zelf moet laten beslissen over hun eigen lot. Maar daarover meer in een volgende aflevering.


















