Stephen Jay Gould: Rocks of Ages


Een van de eerste auteurs die ik ter hand nam na mijn pensionering was Stephen Jay Gould, de bekende wetenschapper en publicist die in 2002 overleed aan kanker, amper 60 jaar oud, net zo oud als ik toen was, in 2006. Ik had de gewoonte aangenomen om elke morgen een artikel te lezen in een van de talrijke bundels die van zijn hand verschenen zijn, meestal onder sprekende titels. De artikels verschenen maandelijks in het tijdschrift Natural History en werden zeer veel en graag gelezen. Dit is zijn bibliografie, althans van zijn boeken; daarnaast schreef hij talloze artikels in wetenschappelijke en meer populaire tijdschriften en kranten en weekbladen.
1977. Ontogeny and Phylogeny
1977. Ever Since Darwin
1980. The Panda's Thumb
1981. The Mismeasure of Man
1983. Hen's Teeth and Horse's Toes
1985. The Flamingo's Smile
1987. Time's Arrow, Time's Cycle
1987. An Urchin in the Storm: Essays about Books and Ideas
1989. Wonderful Life: The Burgess Shale and the Nature of History
1991. Bully for Brontosaurus
1992. Finders, Keepers: Eight Collectors
1993. Eight Little Piggies
1993. The Book of Life. Preface, pp. 6-21
1995. Dinosaur in a Haystack
1996. Full House: The Spread of Excellence from Plato to Darwin
1997. Questioning the Millennium: A Rationalist's Guide to a Precisely Arbitrary
Countdown
1998. Leonardo's Mountain of Clams and the Diet of Worms
1999. Rocks of Ages: Science and Religion in the Fullness of Life
2000. The Lying Stones of Marrakech
2000. Crossing Over: Where Art and Science Meet
2002. The Structure of Evolutionary Theory
2002. I Have Landed: The End of a Beginning in Natural History
2003. Triumph and Tragedy in Mudville: A Lifelong Passion for Baseball
2003. The Hedgehog, the Fox, and the Magister's Pox
Ik las van hem net het vrij korte Rocks of Ages (1999), 241 pp., index, een goedkope (12,50 € bij Proxis/Club) Ballantine herdruk, groot lettertype, ruime interlinie, dus ook fysiek leuk om te lezen, naast het genoegen dat je bij Gould steeds beleeft aan de inhoud en de stijl.
Dat plezier was bij dit werk van hem enigszins getemperd. Gisteren nog had ik het hier (onder meer, onder meer…) over de vaak hartverscheurende tweestrijd tussen geloof en wetenschap. Dat is ook het thema van het boek, zoals de ondertitel duidelijk maakt: Science and Religion in the Fullness of Life. De bedoeling van Gould is om te pleiten voor een vreedzaam samenleven van de twee. Hij acht dat niet alleen mogelijk maar zelfs noodzakelijk, maar dan wel onder voorwaarden: beide moeten zich houden aan strakke afspraken, namelijk om niet op elkaars terrein te komen. Gould heeft daarvoor een uitdrukking gekozen en een acroniem, een letterwoord: NOMA of non-overlapping magisteria. De twee benaderingen zijn noodzakelijk verschillend, maar vertonen talrijke raakpunten en Gould houdt vol dat ze naast elkaar kunnen bestaan als ze elkaar maar respecteren in hun eigenheid. Het geloof of de religie mag zich niet inlaten met wat de wetenschap doet, namelijk de logische, rationele verklaring van onze wereld, en de wetenschap kan niets zeggen over de zin van de wereld voor zijn bewoners.
So far so good, maar lukt dat ook? Gould voert aan, met talrijke voorbeelden en anekdotes, dat het hier gaat om een vals of fictief probleem, een tweestrijd die er niet hoeft te zijn. Maar precies die overvloedige en bekende voorbeelden, zoals Galilei, Newton, Darwin, Huxley, Haldane, pauselijke encyclieken, de rechtspraak in de USA rond evolutieleer en intelligent design… bewijzen dat er wel degelijk altijd al een strijd is geweest en dat die er nog steeds is. Gould doet al de moeite van de wereld om dat te minimaliseren. Eerst sluit hij de hele oudheid en de middeleeuwen uit van de discussie, want dan bestond de wetenschap nog niet als dusdanig of behoorde ze tot de theologie. Als hij er toch op ingaat, levert dat soms betwistbare resultaten op; zo beweert hij dat men in de oudheid en de middeleeuwen helemaal niet dacht dat de aarde een platte schijf was: de meerderheid van de wetenschappers en zelfs van de theologen zou er zeker van geweest zijn dat de aarde bolvormig was. Hij steunt daarvoor op één enkele auteur en een van de aangehaalde voorbeelden is Beda (+ 735), die spreekt van orbis, wat Gould vertaalt als orb, globe, maar die betekenis heeft orb maar na 1520 en orbis is in het Latijn helemaal geen bol maar een cirkel. Enige voorzichtigheid is dus geboden, want Gould lijkt wel héél welwillend tegenover de uitstapjes van de religie op het domein van de wetenschap of de vervolging van autonoom denkende wetenschappers. Dat verandert wanneer hij zelf betrokken is als expert witness in een rechtszaak tegen religieuze fundamentalisten die het recht opeisten om het creationisme te doceren in Amerikaanse scholen. Dan blijken dit niet zozeer gelovigen te zijn, maar uitzonderingen, randverschijnselen, bijna misdadige geesten die niets te maken hebben met echte religie.
Dat is het grote probleem in dit boek: wat is religie dan wel? Voor Gould is het een soort van gemene deler van alle religies (hij verontschuldigt zich dat hij van Islam en oosterse godsdiensten niets afweet en daarover dus niets kan zeggen; ook over het katholicisme pleit hij zichzelf vrij van kennis of betrokkenheid en hoewel hij uit een Joodse familie stamt, noemt hij zich atheïst). Hij heeft het dus over een soort religieus gevoel, of zelfs een morele instelling, een ethische manier van omgaan met elkaar en met de wereld, niet over een bepaalde godsdienst. Dat is de moeilijkheid, natuurlijk. Wie kan er iets hebben tegen zoiets vaags? Maar religie is helemaal niet vaag of onbepaald, maar uiterst duidelijk en beslist. De katholieke Kerk is volgens hem een heel open praatgroep, al eeuwen lang, waar allerlei opinies mogelijk zijn. Oh, ja? Maar wie beslist er over het priesterschap van de vrouw? het celibaat? abortus? euthanasie? onsterfelijkheid? de ziel? Laten we nuchter blijven.
Gould pleit voortdurend voor duidelijke demarcatielijnen tussen wetenschap en religie, slaagt er nergens in om te overtuigen dat religie noodzakelijk is. Hij beweert dat men nooit met behulp van de wetenschap uit de natuur enige zin of betekenis kan afleiden, maar blijft het antwoord schuldig op de vraag waarom religie dan wel de antwoorden vandaan zou halen. Hij verwijst vaag naar de taak elk individu om daarmee in het reine te komen. Laat dat nu precies zijn wat godsdiensten niet wensen: niet het individu beslist, maar het magisterium, een woord dat in de katholieke Kerk een totaal andere betekenis heeft dan wat Gould aangeeft: niet zoals Gould zegt ‘een domein waarin een leraar (magister) gezag heeft’, maar Het Leergezag, de Paus, met andere woorden, als onfeilbaar vertegenwoordiger van God op aarde, die in dogma’s en andere encyclieken vastlegt wat de gelovigen moeten geloven.
Dit is een zeer vlot en goed geschreven boekje, met allerlei interessante anekdoten en leerzame argumenten, maar het biedt helaas geen echt doordachte uitweg uit de wellicht eeuwige twistvraag over het gelijk van wetenschap en religie. Daarvoor is Gould te vergoelijkend tegenover de godsdiensten, de angstaanjagende realiteit van Goulds al te vage ideële ‘religie’; daarnaast heeft hij een manifeste blinde vlek voor de vooruitgang die er sinds meer dan dertig jaar gemaakt wordt op het vlak van de integratie van de positieve en de humane wetenschappen. Hij staat dan ook bekend als een fervent tegenstander van de sociobiologie en de evolutionaire psychologie en auteurs als Dennett, Dawkins, Pinker, Tooby en Cosmides, die op hun beurt herhaaldelijk en vaak ook heel scherp Goulds onduidelijke en onzuivere premissen hebben blootgelegd en aangeklaagd.
Ik zal nog vaak Gould lezen en met veel plezier, maar in dit boekje toont hij zich niet van zijn sterkste kant. Ik had gehoopt op enige verheldering, want het debat is actueel, ongemeen belangrijk en nog steeds onbeslist, en Gould leek me als een integer wetenschapper met een uitgesproken belangstelling voor het verschijnsel religie, uitmuntend geplaatst om ons een stap verder te brengen. Maar dat is hem niet gelukt, in tegendeel: door de lijnen niet scherp genoeg te trekken, door zijn termen nauwelijks af te lijnen heeft hij enkel rookgordijnen opgetrokken en zich verscholen achter intellectuele mistbanken. Spijtig, ik had er echt meer van verwacht, te veel, blijkbaar, maar we zijn allemaal mensen.


















