pianola


Conlon Nancarrow
° 27 oktober 1912, Texarkana † 10 augustus 1997, Mexico City
Weinig mensen zullen ooit gehoord hebben van Conlon Nancarrow of van zijn muziek. En toch werd hij ooit een van de meest originele en belangwekkende componisten van de 20ste eeuw genoemd. Hij was een van die Amerikaanse individualisten die hun eigen weg volgen, hoe onwaarschijnlijk die ook is en ondanks de weerstand die ze daarbij ondervinden. Hij was lid van de communistische partij toen dat allesbehalve vanzelfsprekend was en trok naar Spanje om er tegen Franco en het fascisme te strijden. In 1940 emigreerde hij naar Mexico, werd er staatsburger in 1955 en leidde er tot zijn dood een erg teruggetrokken leven.
Als componist was hij al vrij vroeg gefascineerd door de toepassing van wiskundige formules en patronen op de muziek. Daarin was hij natuurlijk niet de eerste, muziek(notatie) is een zeer wiskundige bezigheid, en componisten hebben wel eens hun inspiratie gehaald, of hun gebrek daaraan verdoezeld met wiskundige ordening van noten, ritmes, modulaties en zo verder. Dat dit niet meteen tot minderwaardige muzikale resultaten moet leiden, bewijst ons Bach zelf: over de wiskundige aspecten van zijn composities zijn geleerde boeken geschreven.
Bach was een genie, daarover is iedereen het eens, misschien wel het grootste genie dat de mensheid voortgebracht heeft. De wiskunde was een substraat, een onderliggende laag waarop hij autonoom en met gebruik van al zijn geestelijke vermogens en emoties zijn muziek bouwde. Ook de wiskundig opgebouwde stukken hebben de kritiek van zijn geniale inspiratie moeten ondergaan en wat eventueel wel mathematisch perfect was maar niet klonk of boeide, vloog eruit of werd aangepast.
Ook moderne componisten hebben zich op wiskundige principes gesteund voor hun composities: Varèse, Xenakis, Stockhausen…
Nancarrow schreef muziek die zo complex was dat hij geen uitvoerders vond, niet in New York, toen hij nog daar verbleef, en zeker niet in Mexico, waar hij zo goed als van de buitenwereld afgesloten leefde. Toen hij een vrij aanzienlijke som erfde, besloot hij om daarmee in New York een mechanische piano te kopen, een player piano of pianola waarop de toetsen bewegen door een mechanisme met een soort ponsband, de bekende pianorollen. Je kan die ook bij ons soms nog zien bij draaiorgels of mechanische orgels op de kermis. Dat systeem was vroeger, voor we radio of muziekplaten hadden, erg in trek. Je kon zo thuis pianomuziek beluisteren zonder pianist. Beroemde pianisten en componisten lieten hun vertolkingen op rollen opnemen en zo kreeg je thuis topkwaliteit, of toch bijna.
Vandaag bestaan er zelfs prachtige Bösendorfers waarin een volledig elektronisch geheugen is opgenomen, samen met een zeer verfijnde mechanische aandrijving van de toetsen. Je kan zo registreren wat je gespeeld hebt, of wat een topartiest erop gespeeld heeft, en dat nadien vlekkeloos laten afspelen. Je kan ook de muziek als noten of als file invoeren als in een computer, en de piano dat laten afspelen. Onzin, zal je zeggen, je hebt een interpretatie nodig voor je van kunst kan spreken, maar een beroemde pianovirtuoos zei dat hij er enkel kon van dromen om Bach met zo’n perfect ritme te spelen…
Nancarrow kwam in Mexico aan met zijn pianola en met het toestel om de rollen aan te maken en zette zich aan het werk. Hij prutste aan de pianola en aan het ponsapparaat tot hij het resultaat kreeg dat hij wou en componeerde nu eindelijk zonder rekening te moeten houden met de menselijke beperkingen van de uitvoerders van zijn muziek.
Je zou dan denken dat hij zich dan vooral zou bezig houden met dingen die een mens wel wil maar nu eenmaal niet kan: enorm snel spelen, allerlei noten tegelijk of in een volgorde die tien vingers niet aankunnen, dus een soort duivelskunstenaar, een super-Liszt of –Paganini. Maar daarvoor had hij geen belangstelling. Hij was gegrepen door de esthetiek van de wiskunde en zijn research, want dat was het, richtte zich helemaal daarop. Het resultaat is, hoe zal ik het zeggen: eigenaardig. Soms klinkt het als een pianola in een bar in een oude Western, soms als een leerling-harpist, soms als… Nancarrow. Zijn verzameld werk staat op Cd, je vindt het ook in de uitleenbibliotheek, probeer het maar eens. Ik vermoed dat het voor de gewone luisteraar té bevreemdend is om te (blijven) boeien. De schoonheid blijft wellicht wat steken in de formules. Maar misschien vergis ik mij: ook Bach’s Kunst der Fuge of zijn werk voor viool- of cello-solo hebben zijn tijdsgenoten meewarig beluisterd. Toch vrees ik dat Nancarrow te diep gegraven heeft naar de mogelijkheden van zijn machines en de wiskundige theoretische basis van de muziek en misschien te weinig geselecteerd heeft wat ook voor de toehoorder esthetisch aantrekkelijk of fascinerend is.
In die Beschränkung zeigt sich erst der Meister.


















