Pasen


Het vaststellen van de datum waarop Pasen valt, is een zeer ingewikkelde zaak. In enkele werken die ik onlangs daarover raadpleegde, worden tientallen bladzijden aan deze problematiek gewijd. Gemakshalve staan de resultaten van de complexe berekeningen in tabellen weergegeven voor de volgende tweehonderd jaar.
Onder de christelijke kerken is men het overigens niet eens over deze zaak, het is zelfs een van de belangrijkste twistpunten tussen de katholieke en de orthodoxe kerken.
Men vraagt zich vertwijfeld af: waarom? Wat is er zo belangrijk aan die datum en waarom moet de berekening zo ingewikkeld zijn?
Pasen is het feest van de verrijzenis van Christus, de jaarlijkse herdenking van een gebeurtenis op een bepaalde dag van het jaar. Maar over Christus had men geen historische gegevens, men wist niet eens of hij wel bestaan had… Volgens de overlevering was hij verrezen op het Joodse feest van Pascha; de Joden hadden sinds vele eeuwen een nauwkeurige kalender, dus hoefde men maar Pasen te vieren op hun Pascha. Nee dus.
Aanvankelijk werd Pasen op verschillende plaatsen gevierd op andere momenten. Het was Constantijn die het nodig vond dat Pasen overal op dezelfde dag gevierd werd. Het heeft eeuwen geduurd voor men het daarover eens geraakte. Het is, om het te eenvoudig te zeggen, de zondag na de volle maan die volgt op de lente-nachtevening. Wanneer het volle maan is, en wanneer de lente-nachtevening valt, is echter niet astronomisch bepaald, maar op basis van vaste, maar onnauwkeurige kerkelijke tabellen, die teruggaan op de kalenderhervorming van 1582.
De concrete datum kan van jaar tot jaar serieus verschillen: Pasen valt ten vroegste op 22 maart en ten laatste op 25 april.
Nog niet zo heel lang geleden was het hele openbaar leven aan die sterk verschuivende datum gekoppeld, met alle vervelende gevolgen van dien. Stilaan is men daarvan beginnen afwijken, bijvoorbeeld voor de schoolvakanties. Men was het beu dat die nu eens heel vroeg kwamen, dan weer heel laat, en dat een schooltrimester niet steeds de volle drie maanden lang was. Nu zet men de paasvakantie zoveel mogelijk rond dezelfde periode, maar nog altijd met Pasen zelf als de uiterste begin- of einddatum.
Het is en blijft een rare bedoening. Als men echt jaarlijks de precieze dag van het jaar wou gedenken waarop Christus verrezen was, dan zou men toch een vaste datum nemen, zoals voor zijn geboorte, 25 december?
Het hardnekkig vasthouden aan een historisch gegroeid, astronomisch onjuist, onpraktisch, onlogisch, onvoorspelbaar en onnodig ingewikkeld systeem heeft uiteindelijk geleid tot de ongeloofwaardigheid van dit belangrijkste feest van de christenheid. Indien men het had vastgelegd op een afgesproken datum, zou men een maatschappelijke gewoonte gecreëerd hebben, zoals bij Kerstmis. Nu weet geen mens wanneer Pasen valt zonder het op te zoeken, en men houdt er dus ook geen rekening meer mee. De paasdatum is voor de moderne mens net zo onbegrijpelijk en irrelevant als de totaal voorbijgestreefde dogma’s van de kerk, zoals de Drievuldigheid, de onbevlekte ontvangenis en de hemelvaart van Maria, of de onfeilbaarheid van de paus.
Toen destijds Karol Woitiwa, een fervent skiër, paus werd, deed in de Engelstalige wereld dit grapje de ronde: Why is the Pope so good at ski? Because he is infallible…
Over die onfeilbaarheid was al enige twijfel gerezen toen een paus ooit verklaarde dat het zich laten inenten tegen de koepokken niet in overeenstemming was met het christelijk geloof. Na het ‘citaat’, de miskleun van wereldformaat door een intellectueel zwaargewicht als Joseph Ratzinger, kan zelfs de meest welwillende gelovige niet meer zeker zijn. Ratzinger was voor zijn ‘verkiezing’ stukken lucider en voorzichtiger dan erna…
Geen wonder dat de kerken leeg zijn, zelfs met Pasen.
De enigen die er tegenwoordig nog mordicus in willen, zijn de sans-papiers, en die worden er door de politie (!) meteen weer uit gesleurd.




















