ex libris: drie krimi's


ex libris: Reichs, Pears & Hill
Krimi’s lezen is een tijdverdrijf. Het verzet je gedachten door je mee te slepen in een spannend, vlot geschreven verhaal, waarin de auteur de oplossing van een misdaad handig voorspiegelt maar steeds opnieuw uitstelt tot op vrijwel de laatste bladzijden. Dat veel lezers zich tot het genre aangetrokken voelen, moge blijken uit de verscheidenheid en de oplages van het enorme aanbod in zowat alle talen, en dat sinds mensenheugenis. Heel veel van die verhalen worden vandaag nadien verfilmd tot reeksen, miniseries, Tv-films of regelrechte kaskrakers. Maar een film is geen boek, laten we wel wezen. Bij het lezen werkt je verbeelding, film of Tv kan in het beste geval enkel de spanning oproepen. Beelden zijn visueel, (goede) literatuur doet hetzelfde, maar de eigen inspanning van de lezer is veel belangrijker, en dat maakt het zoveel leuker.
Laatst las ik er nog drie uit een doos met allerlei boeken, ‘geërfd’ van Birgit en Luk, die hun boekenkasten aan het opruimen waren.
Iain Pears is een Brits journalist en specialist in 18deeeuwse Britse (schilder)kunst. Hij heeft een reeks lopen met een politieagente bij de Italiaanse afdeling van de politie die zich met kunstroof bezighoudt en een Britse kunsthandelaar. The Last Judgement (1993) brengt ons van Rome naar Zwitserland, Frankrijk en Engeland en van het heden naar de tweede wereldoorlog. De aangesneden thema’s zijn belangrijk, niet in het minst de dubbelzinnigheid van heldhaftigheid en lafheid in de oorlog en het verzet en de tragiek van overlevenden, zowel slachtoffers als oorlogsmisdadigers. Het is dus een menselijk verhaal, en de beide hoofdpersonen zijn ook vrij gewone mensen, geen superdetectives. Hun dialogen zijn puntig en amusant, soms in schril contrast met de feiten en hun motieven die ze op hun weg vinden. Ook dat helpt allemaal om te blijven lezen, 340 bladzijden lang, en dat houdt je niet langer dan een dag in je luie zetel.
Kathy Reichs is echt een Amerikaanse forensische antropologe, en blijkbaar niet de eerste de beste, zoals moge blijken uit haar cv. Maar zij is dus ook auteur van krimi’s met als hoofdpersonage… een Amerikaanse forensische antropologe. Ik las van haar Fatal Voyage (2001), 433 pp. en ik heb het ook in korte tijd uitgelezen. De eerste hoofdstukken lezen een beetje als een artikel in The New Yorker van vroeger; daarin verschenen af en toe heerlijke reportages over echt gebeurde misdaden, beschreven vanuit een diep doorleefde human interest optiek. Je krijgt dus een massa enigszins droge informatie, met de feiten tot in het kleinste detail, de beschrijving van de procedures, de wetenschappelijke methodes bij het verwerken van de gegevens en de materiële aanwijzingen. Maar er gaat ook veel aandacht naar de gevoelens van de personages, groot en klein, en je krijgt een boeiend, uiterst geloofwaardig verhaal, je vergeet gewoon dat je met fictie te doen hebt. Ook hier zijn de dialogen scherp en origineel, nog beter vond ik dan bij Iain Pears, af en toe moest ik ze tweemaal lezen voor ik ze doorhad, leuk, zo uitgedaagd worden, da’s eens wat anders dan voorspelbaar gezemel. Kathy Reichs’ hoofdpersoon, Tempe Brennan, is een vrouw van vlees en bloed en ook dat is een verademing, een nodige afwisseling voor de onvermijdelijke ongenuanceerde macho’s die je als hoofdfiguur voorgeschoteld krijgt in veel krimi’s. Er wordt al eens uitgehuild en het geweld, hoewel ruim aanwezig, is veel minder gratuit.
De website van Kathy Reichs is best leuk, een bezoekje waard.
Men vergelijkt Kathy Reichs vaak met Patricia Cornwell, en wel in haar voordeel: zij zou stukken beter zijn dan de toch wel bekende Cornwell. Tijd dat ik ook eens iets van haar ga lezen, dan kan ik zelf oordelen.
Dritte im Bunde is Good Morning, Midnight, 2004, 612 pp., van Reginald Hill. Wellicht zegt de naam van de auteur niet veel, maar in grote letters staat op het kaft vermeld: featuring dalziel and pascoe. En die namen zie ik voortdurend in de Tv-programmagids. Dalziel is Schots voor ‘ik durf’ en wordt uitgesproken ‘die-él’, zegt www; ik heb nog geen aflevering gezien. Good Morning, Midnight is de twintigste van een reeks die begon in 1970, maar mijn eerste kennismaking met de auteur en zijn wereld. Het is een krachtig verhaal, met allerlei bochten en verrassingen in de intriges, met kleurrijke personages en vele verwijzingen naar de wereld om ons heen. We krijgen het verhaal vooral te zien van uit het standpunt van Pascoe, de ondergeschikte van Dalziel, maar hij is geen sophomore sidekick voor zijn baas zoals bij Morse, bijvoorbeeld. Hij is het eerlijke, verstandige, menselijke midden. Andere figuren krijgen ook hun zeg, bijvoorbeeld in verklaringen die ze afleggen, lange monologen die ze voor de bandopnemer van Pascoe debiteren. Dat geeft wat afwisseling in de stijl, al heb je dat niet echt nodig, want Hill is een meesterlijk verteller, met een oog voor details, stemmingen, kleuren, geuren en menselijke zwakheden zowel als hun betere kanten. Grote verhalen, zoals de oorlog in Irak en de economische ontwikkelingen van de laatste dertig jaar vormen een brede achtergrond voor de kleinere verhalen van concrete mensen die eten en drinken, werken en slapen, de liefde bedrijven of ervan dromen, kinderen verwekken of baren, leven, laten leven en soms zien sterven of zelfs een handje helpen, al ben je nooit helemaal zeker. Hill is ook een taalvirtuoos, die zijn figuren elk hun eigen versie van het Engels geeft, wat leidt tot verrassend volkse praat bij stevige oude malt whisky en tot subtiele woordschermutselingen met de OED in de hand. Ik betrapte de proeflezers op één nalatigheid: ze laten iemand door de ringer halen, de mangel zeggen wij, maar het is wringer, niet ringer. Dat soort homonieme fouten maak ik zelf ook voortdurend in het Engels, en ook zoonlief Luk doet dat: hij bekende ‘he has one the competition’ voor ‘won’ en zelf schrijf ik wel eens ‘are’ voor ‘our’. Leuk dat je zo’n lipsus languae (zoals wij dat op school noemden, het verschijnsel toepassend op de naam) opmerkt, bewijst dat je niet in slaap gevallen bent, of erger. Laatst las ik een minderwaardige Vlaamse monografie over Richard Strauss, die zo slecht was dat ik ze hier niet zal bespreken, en daar stonden naast allerlei inhoudelijke enormiteiten en stilistische afknakkers ten minste ook drie grove dt-fouten in, naast andere overtredingen van ten minste € 250, zelfs volgens het aangepaste tarief, foei!
Er is blijkbaar veel geld te verdienen met krimi’s. Dat deert me niet, zolang ik er zelf ook plezier aan beleef. Voor mij is Reginald Hill de meest interessante auteur. Ik vraag me alleen af of ik dat na twintig turven nog zou zeggen. Maar er zijn nog zoveel andere, ik hoef me niet te vervelen, is dat niet knap? Vive l’embarras du choix!

















