Zingeving


Een van de meest gebruikte argumenten voor het bestaan van God en voor godsdienstigheid is dit: zonder God is het leven zinloos.
Als we dat omkeren is enkel een godsdienstig leven wel zinvol en geeft God, of zijn bestaan, zin aan het leven.
Wat kan die zin zijn?
De erg kleine kern van gelovigen ziet er niet opmerkelijk veel zinvoller uit dan hun heidense medemensen, dunkt me, en we zien anderzijds die ongelovigen niet bepaald als zombies rondlopen, wanhopig zoekend naar de zin van hun bestaan.
In de brieven van Paulus wordt heel sterk de nadruk gelegd op het hiernamaals: wij zullen niet echt sterven, wij zullen eeuwig leven en de heerlijkheid van God delen, als we tenminste God erkennen. De kruisdood van Christus heeft de mens verlost: wij kunnen nu eeuwig leven. Door zijn verrijzenis heeft hij ons de weg getoond, wij zullen zoals hem verrijzen op de jongste dag. Dit is de kern van het christelijk geloof. Ons leven hier op aarde is kort en vol lijden, maar voor wie hier leeft zoals God en de kerk het voorschrijft, is er een beloning in het hiernamaals, voor de anderen is er eeuwige verdoeming.
Wijs me één gelovige die dat nog zonder verpinken aanvaardt.
Ook vroeger, toen de kerken nog vol zaten op zondag en de kerk ook werelds machtig was, wisten de mensen nauwelijks wat de kerk hen voorhield; het was een geloof van uiterlijkheden, conventies, gewoonten, tot in het ridicule toe, en dat alles in het Latijn, zodat men zelfs de woorden niet kon verstaan die men sprak of zong.
Ik kon me toen al niet voorstellen dat zo’n oppervlakkig gedoe zin gaf aan het leven, en dat deed het ook niet. Bij begrafenissen klonken de woorden van de priester hol als hij beweerde dat de overledene eigenlijk en eindelijk bevrijd was van dit aardse bestaan en naar de hemel was, en dat wij dus geen verdriet moesten hebben. De mensen wisten wel beter, en ze hadden wél verdriet natuurlijk, je staat toch niet te lachen bij een kist?
En die godsdienstigheid was ook geen garantie voor een zinvol leven: de mens is een zondaar, het rijtje overtredingen was eindeloos, dagelijkse en doodzonden, die een mens konden uitsluiten van de eeuwigheid! Gelukkig was er de biecht, enkele Onzevaders en Weesgegroeten en zelfs de doodzonden waren vergeven, elke week opnieuw…
Ooit zei een getrouwde professor theologie me dat zonder de eeuwigheidsdimensie zijn huwelijksliefde ondenkbaar was. Ik vraag me nog steeds af wat hij daarmee bedoelde. Zien zij elkaar liever omdat ze weten dat ze eeuwig zullen leven? Zal hun liefde de dood overleven? Eeuwig zijn, letterlijk? Het zou mooi zijn, maar ik vrees dat het een begoocheling is.
Tijdens een Leuvens colloquium over het leven na de dood werden de experts geconfronteerd met het verlangen van een moeder om in het hiernamaals haar gestorven kind terug te zien. De aanwezige filosofen en theologen waren het er onder elkaar vrijwel over eens dat dat niet letterlijk het geval zou zijn: het eeuwig leven is geen leven zoals het aardse, onze lichamen zullen er niet zijn zoals hier en zo verder, de hereniging met onze overleden geliefden moet eerder symbolisch gezien worden, een soort van samen met alle anderen opgenomen zijn in een groter geheel… Maar een van de belangrijkste theologen van onze dagen, Schillebeeckx, maakte zich behoorlijk boos: zoiets zeg je niet aan een rouwende moeder! Vanuit een psychologisch en menselijk standpunt had hij overschot van gelijk, en het ‘kan geen kwaad’ dat die moeder zo denkt, als dat haar helpt om met haar verdriet te leven.
Godsdienstigheid wordt dan, zoals in oosterse godsdiensten, een therapeutische levenshouding, een manier om ons bestaan hier dragelijk te maken, zonder pretenties op absolute waarheid. Dat is niet wat de kerk ons voorgehouden heeft en blijft voorhouden. Maar het zou wel eens kunnen dat voor de zeldzame overblijvers het geloof precies dat is: het maakt hen rustiger, het geeft hen troost, het maakt hen optimistisch, het geeft zin aan een bestaan dat, omdat het eindig is en lijden met zich meebrengt, op zichzelf onvolkomen is.
Dat lukt natuurlijk enkel indien het bestaan hier zo vervuld is van lijden en dood dat het een mens teveel wordt. En inderdaad, waar de kwaliteit van het leven laag is, is religie prominent. Het lijkt erop dat de lijdende mens zichzelf een waarheid maakt om te kunnen overleven ondanks het leed. Aldus heeft niet God de mens, maar de mens zijn God gemaakt, en zo zijn zinloos lijden zinvol gemaakt: zalig die lijden, want zij zullen de hemelse zaligheid bereiken.
Voor mensen die het hier op aarde al goed hebben, en die de kracht kunnen opbrengen om het onvermijdelijke leed te verwerken, is het veel minder evident om zo’n uitgesteld geluk te verzinnen ter compensatie. Velen onder ons genieten van het leven onder de beste omstandigheden, in een verzorgingsstaat die tot voor kort ondenkbaar was, en waarvan helaas vele andere bewoners van deze aarde nog niet eens kunnen dromen, zo onvoorstelbaar groot is het verschil tussen een bestaan in bijvoorbeeld Darfoer en hier in Vlaanderen. Ons leven hier is zinvol genoeg om geen zingever te moeten verzinnen of aanvaarden.
Indien enkel het geloof zin geeft aan het leven, waarom zijn de kerken dan leeg? Waarom staan priesters helemaal onderaan als er naar geloofwaardigheid gepeild wordt? Waarom geloven zoveel bewonderenswaardige medemensen niet meer in God of hiernamaals?
Het geloof was vroeger al maar een heel wankele steun, ook voor eenvoudige mensen. Onze optimale levensomstandigheden hebben het geloof zijn zin ontnomen en die aan het leven zelf gegeven.
Het leven is maar zinloos als we niet in elkaar geloven, als we niet met elkaar kunnen samenleven en als we het leven hier op aarde zelf in het gedrang brengen.

















