Hersengymnastiek


Het ‘bestaat’ allemaal: een steen, een plant, een dier. Een mens bestaat ook. Een steen leeft niet, een plant wel, een dier ook, maar anders. De mens nog anders. Dat anders ligt in zijn vermogen om zijn kop te gebruiken, beter dan het meest ontwikkelde dier.
Dat een mens denkt en voelt, gebruik maakt van zijn geestelijke vermogens, is evident: ik ben er nu mee bezig, en jij ook. Ik bedoel evident niet het louter theoretische logisch nadenken, als dat al zou bestaan, maar elke geestelijke en emotionele activiteit.
Wat dat precies is, weten we niet zo goed. We weten nu dat het gebeurt met onze hersenen, gevoed door informatie en energie uit ons hele lichaam. We weten niet alles over wat er daar precies gebeurt, al maken we goede vorderingen. Men heeft bepaalde processen zoals spreken, geheugen, zintuigen, emoties kunnen lokaliseren in specifieke plaatsen in onze hersenen. Denken is dus een proces in onze hersenen, waar allerlei gegevens bliksemsnel worden gecombineerd. Dat gebeurt bewust, bijvoorbeeld als we herinneringen oproepen, of bewust bepaalde methoden gebruiken zoals optellen en vermenigvuldigen. Er zijn ook minder duidelijk bewuste processen: waarom herinneren we ons bepaalde dingen, en andere niet? Waarom gebruiken we precies die elementen in ons intern overleg en andere niet? Waarom maken we bepaalde associaties? Zijn we ons altijd wel volledig bewust van bepaalde motivaties bij het nemen van beslissingen?
Denken is dus iets dat gebeurt in onze hersenen, iets dat wij doen met of in onze hersenen. Zonder die hersenen is er geen mentale activiteit zoals denken, voelen, spreken… mogelijk. Ze zijn een noodzakelijke voorwaarde, maar niet altijd een voldoende voorwaarde: de hersenen kunnen ook stuk gaan, gedeeltelijk of helemaal, en dat beïnvloedt het vermogen om te denken radicaal, zoals bij de ziekte van Alzheimer.
Is dat denkproces een fysiek gebeuren? Natuurlijk, wat anders? En wat we dan denken, een gedachte: is die fysiek? Dat is al moeilijker. Als we een gedachte uitspreken: ik heb honger, dan is dat uitspreken fysiek. En honger zelf, het gevoel, is ook fysiek, het is het complex van signalen dat ons doet denken: tiens, ik heb honger, zou het al tijd zijn om te gaan eten? Honger is anderzijds ook iets waarover we in het algemeen kunnen spreken: de honger in de wereld… Het ‘begrip’ honger, dat is niet iets dat je kan aanraken, het heeft geen fysieke kenmerken.
Bij het begrip honger moet je nog altijd denken aan mensen die honger hebben, als je daar niet aan denkt, wordt het een leeg begrip. We hebben ook namen voor dingen die niet zo tastbaar zijn: complexe gevoelens zoals heimwee, emoties zoals woede of geluk, abstracte begrippen zoals causaliteit. Onze taal beschikt over termen die het de mens mogelijk maken om abstract te redeneren, om na te denken over zichzelf, zoals ik nu ook bezig ben. Het is zoals wiskunde, waar je bepaalde afspraken maakt, regels opstelt, die ons dan toelaten vrij ingewikkelde problemen op een eerder eenvoudige wijze op te lossen. We maken gebruik van die middelen, we denken in die categorieën. Het is duidelijk dat onze gedachten bestaan, we twijfelen er niet aan, we zijn ons immers bewust dat we ze denken. Ze zijn voor ons even reëel als de lucht die we inademen.
Filosofen daarentegen zijn het nooit eens geraakt over het ‘zijn’ van die ‘ideeën’. Ze twisten al eeuwenlang verhit over de vraag wat er nu echt bestaat: is er alleen maar de woede die de mensen concreet voelen, of is enkel de idee ‘woede’ echt, en al de rest schijn? Het lijkt me een futiele bezigheid, die haar oorzaak enkel vindt in vooringenomen stellingen zoals het bestaan van een almachtige God, een visie op de mens als een minderwaardig wezen, of de behoefte aan universele waarheden en morele voorschriften die altijd en overal gelden. De uitkomst van die discussies is zelden relevant voor de mens en de samenleving. Zelfs Kant vond het vanzelfsprekend dat al zijn filosofie tot geen ander resultaat kon komen dan wat we al lang wisten, bijvoorbeeld dat we het bestaan van God niet kunnen bewijzen maar dat we er wel kunnen in geloven, of dat de beste morele regel deze is: behandel de anderen zoals je wil dat zij jou behandelen.
De mens heeft geleerd om zijn hersenen te gebruiken. Het is het instrument waarmee de mens met zijn lichaam interactief in de wereld is, waarmee we ook met elkaar omgaan, in liefde en vaak ook even verblind door haat. Het heeft hem tot de machtigste soort op de aarde gemaakt. Door het gebruik van die hersenen beheersen we de wereld en zijn we nu met meer mensen dan men ooit voor mogelijk gehouden heeft, zodanig zelfs dat men al begint te vrezen dat het er te veel worden. We maken steeds ingewikkelder en machtiger instrumenten, zoals robots en computers, die voor ons taken vervullen die anders totaal onmogelijk zouden zijn. Hoewel vele mensen onnodig lijden, heeft de mensheid het nog nooit zo goed gehad in zo groten getale.
Zonder hersenen is er geen geestelijke activiteit, een mens zonder actieve hersenen mist de mogelijkheid om met de wereld in contact te treden, het is een ‘plant’, zoals men dat gewoonlijk zegt. We aarzelen, gelukkig maar, maar ons eerlijk aanvoelen is dat een mens zonder enige hersenactiviteit eigenlijk geen mens meer is en we zoeken dan naar een humane manier om zo’n lichaam te laten afsterven. Het louter kunstmatig in stand houden van een lichaam dat zijn geestelijke vermogens totaal en onherroepelijk moet missen, lijkt ons immers fundamenteel oneerbiedig, diep onmenselijk. Een mens sterft met zijn geest, hij geeft de geest. Als het lichaam bezwijkt onder ouderdom, ziekte of ongeval, dan aanvaarden we, noodgedwongen, het einde van de hersenactiviteit van de meest briljante geleerde, de meest liefdevolle partner, de meest onzelfzuchtige dienaar van de mensheid. Wij huiveren zeer terecht bij de gedachte aan hersentransplantaties of een kunstmatig leven voor een louter stel hersenen in een bokaal. Laat ons dan ook respectvol het afsterven aanvaarden van het lichaam dat niet meer in staat is tot een menselijk bestaan.
De mens is onverbrekelijk één, als een denkend, voelend levend wezen. Elk onderscheid tussen een sterfelijk lichaam en een onsterfelijke geest is verwarrend, misleidend, niet ter zake. Wij zijn ons lichaam, die machtige brok levende materie, dat ons eindeloos blijft verbazen in zijn grootste verwezenlijkingen en zijn zwartste wandaden.

















