
Misdaad en straf, of schuld en boete.
Het is stilaan een van de kernpunten van de politiek geworden, omdat het ook bij de gewone burger veel vragen oproept: misdaad en straf.
We leven in een wereld die bijna volledig onkerkelijk is, geseculariseerd, zegt men. Iedereen doet wat hij wil, enkel geremd door zijn mogelijkheden en de eventuele gevolgen van zijn daden, en dan nog. Er is geen overheersende moraal, er is geen zonde meer en dus ook geen schuldgevoel. We zijn weer waar we begonnen zijn: de schaamte-cultuur. Stelen is niet erg, betrapt worden wel.
En dan stelt zich de vraag wat we moeten aanvangen met mensen zonder scrupules, die gewoon uit zijn op een maximum aan kicks tijdens dit korte aards bestaan, zonder oog voor de gevolgen voor zichzelf of anderen, en die moorden en stelen, bedriegen, verkrachten, drugs gebruiken en verhandelen, en die uiteindelijk toch tegen de lamp lopen en veroordeeld worden?
Laten we nu even het juridisch systeem terzijde, en concentreren ons op de eenvoudige vraag die vandaag ook de eerste minister formuleerde: moet een misdadiger behandeld worden als iemand die een vergissing begaan heeft, berouw toont, gestraft wordt en dan een nieuwe kans krijgt? Of stellen we een andere diagnose: een misdadiger is een ander soort mens, die we moeten opsluiten om ons ertegen te beschermen.
De eerste houding is die van de christenen, van de begrijpende vader, van de eeuwige optimisten, van de sociale werkers.
De andere begint stilaan veld te winnen.
Er zijn natuurlijk soorten van misdaden en van misdadigers.
Ongetwijfeld heeft het absoluut geen zin om iemand voor een kleine winkeldiefstal of simpel drankmisbruik op te sluiten, andere straffen zijn evident meer efficiënt, zowel voor de betrokkene als voor de maatschappij.
Ongetwijfeld is er ook een speciale behandeling nodig voor de passionele misdaden, waarbij iemand onder de invloed van omstandigheden ‘door het lint’ gaat en iets doet dat hij of zij onder gewone omstandigheden nooit zou doen, zijn overspelige partner vermoorden bijvoorbeeld.
En evident moet men nog een andere houding aannemen tegenover onverbeterlijke beroepsmisdadigers, die vastbesloten zijn om de wet aan hun laars te lappen.
Omdat verscheidene instanties dit onderscheid niet maken, slaagt uiterst rechts er handig in om een sfeer van rechteloosheid te suggereren, die in de praktijk niet aanwezig is.
De eerste schuldigen zijn, in de ogen van allen behalve zijzelf, justitie. Ik had het eerder al over summum ius, summa iniuria, of hoe het verkiezen van de letter boven de geest van de wet onvermijdelijk leidt tot wantoestanden. Dat bleek onlangs nog eens, toen een ongetwijfeld eminente academische juriste, maar van wie we helaas nog nooit gehoord hadden, ons op Tv kwam verklaren dat er niets verkeerds was met het voorlopig vrijlaten van een brutale misdadiger, want, zo zei ze letterlijk: de wet zegt dat hij daar recht op heeft. Ze zullen het wellicht nooit begrijpen, onze juristen. Het is waar, onze enige bescherming tegen willekeur zijn goede wetten. Góéde wetten, of een goede interpretatie van menselijke, dus feilbare wetten. Met zelfs één hersenhelft actief weet elke tooghanger dat men een dergelijke gangster nooit in een systeem van heropvoeding moet brengen: verloren geld, verloren moeite, wat hij zelf perfect duidelijk gemaakt heeft door voor die vriendelijke begeleiding naar re-integratie te bedanken, hij zal het wel op zijn eigen manier doen, we horen er ongetwijfeld nog van.
Ook de politiek gaat niet vrijuit. Al te lang heeft men gedacht of gehoopt dat men de wereld kan veranderen met goede wil, dat de mens maakbaar is, zoals dat heet. Nee dus. De mens blijft wat hij al eeuwen is: in staat tot de meest wonderlijke verwezenlijkingen, en ook tot misdaden die met verstomming slaan. De politiek heeft justitie verwaarloosd, te weinig gecontroleerd, te weinig geïnvesteerd in mensen en middelen, te weinig intellectuele topkwaliteit ingezet, heeft het niet aangedurfd om die augiasstal uit te mesten. Men roept dan de scheiding der machten in: een onafhankelijke rechtsmacht is onze garantie voor eerlijk recht. Dat is zo, natuurlijk, maar vandaag en hier bij ons is het gevaar gelukkig niet zozeer de mogelijke afhankelijkheid van de rechtsmacht van de politiek of het particuliere belang, maar haar eigen inertie, zelfgenoegzaamheid, bekrompenheid, gebrek aan visie, maatschappelijke irrelevantie, aftandsheid, pompositeit en eigenwaan. De politiek moet dat inzien, en door de juiste wetgeving orde op zaken stellen. Als je dan ziet wie er de laatste decennia minister is geweest, dan weet je meteen dat die arme amateurs weinig weerwerk konden bieden tegen een kaste die zich sinds vele eeuwen gespecialiseerd heeft in het mooipraten en zakkenvullen. Dit is harde taal, ik weet het, maar ook hier geldt corruptio optimi pessima: als de bewakers zelf van het recht falen, is de hele maatschappij in gevaar.
En ook wij, de gewone burgers zijn schuldig door nalatigheid. Wij hebben ons zowel door de politiek als door de juristen in de doeken laten doen. Het is overigens interessant om zien hoeveel politiekers ook jurist zijn, niet alleen van opleiding, vaak oefenen zij ook nog tijdelijk of deeltijds het beroep van advocaat uit, of juridisch adviseur, of hoe ze het ook verbloemen.
Die onaantastbaarheid van justitie, die steeds onbetwist is gebleven, komt stilaan onder vuur te liggen. Het zijn geen goden, het zijn ook maar mensen. Het wordt tijd dat ze dat ook gaan inzien, hun toga verbranden, hun paleizen verlaten, hun honoraria driemaal halveren en een cursus Nederlands voor anderstaligen gaan volgen.
Denk je dat we het nog zullen meemaken?