Normaal gesproken: Kim D.


Normaal: niets is zo simpel als dat, we weten allemaal wat daarmee bedoeld is. Doe eens normaal. Normaal gesproken. Een normaal verschijnsel. Dat is de normale toestand. Normaliter. Da’s normaal. Dat beantwoordt aan een norm.
Van Dale houdt zich over de oorsprong van dat woord weer eens van den domme: komt van het Frans, norme. Ja, ja, zo kan ik ook woordenboeken maken. Als we het echt willen weten, dan moeten we wel wat verder terug gaan. Franse woorden hebben vaak hun wortels in het Latijn en dat is hier evident ook zo: norma. Maar Latijnse woorden gaan vaak terug op Griekse; het Grieks was voor de Romeinen de cultuurtaal, zoals het Frans in de Vlaamse betere kringen in de vorige eeuwen en het Engels nu. Onze Griekse link is gnoorisma, waarbij zoals vaak de moeilijke nasale ‘gn’ een gewone ‘n’ werd en is het lange woord gemakshalve wat ingekort. De stam ‘gnoo-’ slaat altijd op kennen en kunnen, het is zelfs het zelfde woord, denk aan ‘kende’ en ‘konden’, dat zijn omkeringen van kne- en kno-. In het Grieks is kennen gignooskein, in het Latijn noscere. Wij kennen diagnose, gnosis, ignorant &c. Gnoorismos betekent: wel bekend, gnoorisma is een herkenningsteken. In het Latijn kreeg norma een heel specifieke technische betekenis: het was een hulpmiddel voor handwerklui, metsers, houtbewerkers, schilders, om rechte hoeken te maken, een vierkant of een winkelhaak. Later kreeg het in het Latijn de betekenis die we het best kennen: een figuurlijke maatstaf, een regel, een patroon, een voorschrift, een norm.
Wie of wat niet aan normen beantwoordt, is niet normaal.
En daarover wou ik het vandaag even hebben. Soms weten we het heel zeker, we moeten ons niet afvragen: is dat wel normaal? Bij sommige gebeurtenissen is onze reactie meteen: dat is niet meer normaal. Bij sommige mensen ook: die is niet normaal, hij is niet goed wijs. We doen daar soms wat lacherig over, uit onbegrip of om ons onbehagen te verbergen. Van mensen die duidelijk niet normaal zijn verdragen we iets meer en dat moet wel want ze worden veel minder vaak opgesloten dan vroeger, de muren en de stalen hekkens van de ‘krankzinnigengestichten’ zijn gesloopt, de ‘gekken’ of ‘zotten’ zijn nu ‘patiënten’, vaak ambulant of slechts tijdelijk opgenomen.
Alles verandert evenwel wanneer een normale mens op een dag plots ‘niet normaal’ blijkt te zijn, iets doet dat niet mag, niet kan, zoals de moordaanslag in Sint-Gillis-Dendermonde. Dan spreken we niet meer over zomaar wat abnormaal gedrag: er is een zware misdaad begaan en onze eerste reactie is om die te beoordelen op de feiten zelf, niet op de motieven, de aanleidingen, de verre oorzaken: de dader wordt opgepakt en opgesloten. Maar we weten het onmiddellijk: dit is niet normaal, een normale mens doet zoiets niet, er moet dus iets meer aan de hand zijn. In de eerste berichten sprak men over een psychiatrisch en zelfs gerechtelijk verleden, hij was bekend bij de politie: het was iemand die niet normaal was en zo konden we zijn daden duiden, konden we het beginnen begrijpen: we konden ons aan zoiets verwachten, hij was immers niet normaal.
Daarna kwam de twijfel: nee, hij was veel jonger dan eerst gedacht; hij was niet bekend bij het gerecht, zoals bijna elke verdachte die in het nieuws komt; hij had geen psychiatrisch verleden, het was een gewone jongen, stil, teruggetrokken, maar… normaal. Dan maar een ander cliché: bij hem waren de stoppen doorgeslagen (voor uitleg over die uitdrukking klik je op deze link https://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/archief.php?ID=309). Er was iets gebeurd in zijn hoofd, hij was gek geworden, dat kon niet anders: een normaal mens doet zoiets niet, daarover is iedereen het eens.
Dat is een verschil met bijvoorbeeld de moord op die politieagente: dat waren zware criminelen, niet aan het proefstuk en de moord gebeurde tijdens een overval, een carjacking. Dat maakte hen tot gewetenloze misdadigers, mensen zonder scrupules, schurken, bandieten, uitschot, geen discussie.
Maar een gewone jongen die uitgerekend een kinderkribbe binnenvalt, dat is iets anders. Vrienden, collega’s, kennissen, buren, oud-leraars staan verstomd: niemand had dit zien aankomen.
Wij zijn gewoon om ervan uit te gaan dat alles normaal is. Als de trein twee minuten te laat is, als de postbode niet langs komt, als de elektriciteit uitvalt, als de afloop verstopt raakt, als de piloten staken, dan zijn we verbaasd, kregelig, verontwaardigd. We rekenen erop dat alles en iedereen normaal is, terwijl we heel goed weten dat het niet zo simpel is. We denken in zwart-wit: ofwel werkt het, ofwel is het stuk, terwijl het meestal grijs is: meestal werkt het, maar soms ook niet. We zouden al moeten blij zijn dat het af en toe werkt, dat het meestal nogal meevalt, maar onze verwachtingen zijn hoger gespannen: da’s toch niet meer normaal!
Ook over mensen doen we aan zwart-witdenken: je bent normaal of je bent het niet. Maar zo is het niet. Mensen zijn allesbehalve normaal, want wat is de norm? Wie is de ideale mens, op wie niets aan te merken valt? We mogen al blij zijn dat het meestal nogal meevalt, dat de meeste mensen meestal niet al te abnormaal doen. We zouden moeten weten, uit eigen ervaring, met onszelf en met anderen, dat de grens tussen normaal en abnormaal niet zo scherp te trekken is: dat had je nu nooit van hem of haar gedacht, zelfs niet van mensen die je al jaren kent. Tiens, heeft die ook een depressie doorgemaakt? Slik jij ook Prozac? Is die opgepakt voor zedenfeiten? Is de bankdirecteur uit je dorp met de kas gaan lopen? Heeft die zijn vrouw en zijn kinderen vermoord?
Je brengt je kind rap-rap naar de kribbe, waarvoor je al voor de geboorte ingeschreven had. Je vertrouwt je eigen vlees en bloed toe aan een goed georganiseerde, moderne instelling en je haast je naar je werk. En dan gebeurt het onvoorstelbare, of toch wat enkel in Amerika gebeurt of Finland of zo, of in de weekendfilm. En ja, het is jouw kind, in jouw kribbe, in jouw dorp. Paniek. Is het gekwetst, dood? Waar ligt het?
In de nieuwsberichten vernemen we er niets over, maar ook de dader heeft ouders, familie. Ook zij vernemen het: ja, het is hun kind. Ook hun wereld stort in. Hadden zij dat ooit gedacht? Hadden zij het moeten zien aankomen? Treft ook hen schuld? En hoe moet het nu verder, want hij blijft hun kind, ook al is hij voor altijd veranderd in iemand die ze niet meer herkennen.
En wij, het publiek, weten het nu weer: we kunnen nooit helemaal zeker zijn, al doen we wel alsof. Het onvoorstelbare kan wel gebeuren, de weekendfilm is gemaakt door mensen die het zich wel kunnen voorstellen, voor mensen die dat even vergeten waren: niets is onvoorstelbaar voor mensen. Wij kunnen nu nadenken over maatregelen, beveiliging, wetgeving, in een tot mislukking gedoemde poging om alles te voorzien, alles te voorkomen, ook het onvoorstelbare, het abnormale.
Ik schreef mijn onmacht en verdriet over onvoorstelbare gebeurtenissen als deze uit in een treurdicht, je kan het lezen als je op deze link klikt: https://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/archief.php?ID=228.



















