Dr. A.L.Constandse, humanist


Mijn Nederlandse lezers zal de naam van dr. Anton Constandse (1899-1985) wellicht nog steeds vertrouwd in de oren klinken. Hij was schrijver, journalist, publicist, spreker, leraar en professor, maar vooral activist: hij was een onverdroten en gedreven voorvechter van de idealen waar hij voor stond, van in zijn jeugd tot zijn laatste snik. Die idealen waren het pacifisme en gedurende lange tijd ook het anarchisme; zijn ervaringen in de Spaanse burgeroorlog brachten hem ertoe het anarchisme niet meer te zien als een leefbaar politiek systeem, maar hij bleef gehecht aan de filosofische idealen van het ongebonden leven.
Ik vond een interessante biografie: http://www.iisg.nl/bwsa/bios/constandse.html.
Constandse was, hoe kan het ook anders, een overtuigd atheïst en schreef daarover verscheidene werken en hield overal te lande ontelbare lezingen, vaak in de vorm van debatten met vertegenwoordigers van de christelijke godsdiensten. Ik las van hem Geschiedenis van het Humanisme in Nederland, 190 blz., 1978²; de eerste editie is van 1967. De ondertitel vermeldt Geert Grote, Erasmus, Spinoza, Descartes, Tyssot de Patot, Frans Junghuhn, van Vloten, Multatuli, Busken Huet, Allard Pierson, Domela Nieuwenhuis.
Enige tijd geleden moest ik hier vaststellen, naar aanleiding van de lectuur van enkele boeken van André Comte-Sponville, dat wij Vlamingen in feite vrijwel niets afweten van de culturele activiteiten in Frankrijk: wij kennen de grote (hedendaagse of klassieke) auteurs niet (meer), zijn niet vertrouwd met de publieke debatten die gevoerd worden, noch met de artistieke of politieke actualiteit. Ik moet helaas bekennen dat dezelfde opmerking geldt voor onze taal- en misschien straks wel landgenoten in Nederland. Voor mij was Constandse een volslagen onbekende en wat ik concreet weet over de namen in de ondertitel van dit boek, kan je op een bierviltje kwijt. Ik heb dus veel bijgeleerd, ook over de meer vertrouwde namen als Erasmus, Spinoza, Descartes en Multatuli. Constandse was vermaard, berucht zelfs om zijn scherpe tong en pen, maar dit boek uit zijn rijpere periode – hij was 68 bij de eerste druk – toont ons een overtuigd maar rustig man, erudiet, scherpzinnig, zakelijk zelfs, die zijn overtuigingskracht veeleer put uit argumenten en de aangehaalde feiten dan uit het pathos van zijn betoog of de retoriek van zijn taal.
Het vage ‘humanisme’ uit de titel, waaronder hij uitersten als Erasmus en Multatuli vat, verduidelijkt Constandse in zijn inleiding, die ik hier even citeer:
Het humanisme liep… uit op de aanvaarding van een aantal beginselen. In de eerste plaats zag men het gebeuren niet meer als een blijk van het ingrijpen ener persoonlijke godheide, maar als een causaal proces dat zonder wonderen verliep, waarin echter wel de menselijke wil een doelbewuste oorzaak kon zijn. Er werd naar gestreefd, ‘de wereld uit zichzelf te verklaren’, zonder een beroep te doen op de veronderstelling van het bestaan van dusgenaamde ‘bovennatuurlijke’ machten, doch met begrip voor haar evolutie. Ten tweede stonden de humanisten open voor de conclusies van de ervaringswetenschap: het logisch ordenen van hetgeen werd ontdekt in de natuur en het menselijk bewustzijn. De gevonden ‘wetten’, hypothesen die passen bij de mate van kennis ener bepaalde periode, bleken doeltreffend te kunnen worden toegepast en waren aan de praktijk te toetsen. De techniek maakte de mens ervan bewust, dat hij over vermogens beschikte, die voorheen waren toegekend aan de goden. De mythologische figuren en gestalten werden geanalyseerd en bleken te onthullen, wat de gelovigen zelf dachten, voelden, verlangden en vreesden. Kennis der goden bleek kennis der mensen. Ten derde werd het ethisch oordeel bevrijd van theologische veronderstellingen. Niet het handelen op zichzelf, maar de beweegredenen ertoe werd centraal gesteld. En als maatstaf voor de waarde van dat motief gold niet meer enig goddelijk gebod, noch kerkelijke zede, maar het autonome, zij het niet willekeurige geweten. De normen daarvan werden geacht voort te komen uit de identificatie met de medemens. Vandaar aanbevelingen als deze: “Doe een ander wat gij wilt dat men u doet; verlang niets voor uzelf, wat gij niet tevens voor uw medemens zoudt wensen; handel zo dat het motief van uw handelen algemeen geldend zou kunnen zijn.” En ten vierde was daar het ideaal van het algemeen welzijn op aarde, de vermeerdering der levenszekerheid en van materiële, zinlijke en geestelijke vreugden.
De algemene indruk die ik aan de lectuur van dit boek heb overgehouden is vooral deze: blijkbaar is in Nederland, dat wij Vlamingen overduidelijk niet kennen, het openbaar debat over religie altijd al veel opener geweest dan hier in België. Vooreerst was het christendom er niet monolithisch zoals in Vlaanderen: het katholicisme speelde er een belangrijke rol, maar naast de protestantse kerken, in het meervoud, zodat de dogmatische stellingen van de enen steeds heilzaam werden gerelativeerd door de vaak antithetische van de even geloofwaardige en gerespecteerde anderen. Tevens komt het mij voor dat, misschien zelfs precies daardoor, ook de vrijzinnige levenshouding veel vroeger en veel uitgebreider aan bod is gekomen dan in het uiterst katholieke Vlaanderen en dat het op dezelfde manier als andere levensbeschouwingen erkend en gewaardeerd werd en niet vervloekt en verguisd en vervolgd zoals hier. Misschien is die indruk het gevolg van de blik door de ‘humanistische’ bril van Constandse, maar ik meen uit zijn feitelijke gegevens toch te mogen opmaken dat er in Nederland zeker vanaf het midden van de 19de eeuw een veel grotere diversiteit van gedachten en overtuigingen mogelijk was dan toen in Vlaanderen zelfs maar denkbaar was.
Constandse schrijft zijn ‘geschiedenis’ vooral maar zeker niet uitsluitend aan de hand van de grote auteurs die hij in de ondertitel vermeldt; daarbij gaat hij soms veel dieper in op hun opvattingen dan strikt nodig is voor zijn doel: de beschrijving van het ontstaan en de ontwikkeling van het vrijzinnig gedachtegoed in Nederland, maar als onbevangen lezer kan ik hem dat nauwelijks ten kwade duiden: zijn analyses zijn helder, duidelijk en zeer nuttig voor een goed begrip van de ideologie en de politieke overtuigingen van zijn kopstukken. Deze personele methode zou, bij een minder begaafd of integere auteur, het gevaar inhouden dat de insulaire aller-individueelste expressie van de aller-individueelste religieuze emoties van enkele tendentieus gekozen personen wordt overgedragen op een ganse bevolking, die zich daarvan eventueel nauwelijks bewust zou zijn geweest en die vreemd zou hebben opgekeken wanneer men Nederland in dergelijke termen zou beschreven hebben. Ik ben slecht geplaatst om daarover te oordelen, maar Constandse doorspekt zijn prosopografie van het humanisme met vele aspecten van de receptie van deze ideeën bij het volk, in het onderwijs, de politiek en de religieuze debatten. Ook statistisch cijfermateriaal ontbreekt niet en ook dat spreekt duidelijke taal over de verdeeldheid van de bevolking in katholieken, protestanten en vrijzinnigen. Zijn leerrijke en zeer bevattelijke uitweidingen en commentaren, analytisch of synthetisch, garanderen dat ook meer algemene begrippen en maatschappelijke tendensen, die niet uitsluitend verbonden zijn aan één enkele van zijn titulaire denkers, ruimschoots aan bod komen en het veld zo verbreden dat het gul de beste kenmerken van een evenwichtige beschavingsgeschiedenis ten toon spreidt.
Dit boek was voor mij een openbaring op verscheidene punten. Vooreerst, zoals ik zei, over het intellectuele leven in Nederland, vooral dan sinds het onzalige einde van de vereniging onzer provincies; daarnaast over de rol die een atheïstisch humanisme kan spelen in een burgerlijke maatschappij die niet gekenmerkt is door één allesoverheersende religie.
Ik heb me daarbij ook vaak de bedenking gemaakt dat wat nu in de media bestempeld wordt als een nieuwe kruistocht tegen God, een hedendaagse Beeldenstorm van een kleine groep van vooral Angelsaksische auteurs, veeleer moet gezien worden als een voortzetting, indien al geen herhaling, van een historisch intellectueel elan dat zijn wortels inderdaad heeft in een geschiedenis die veel verder teruggaat. Waarschijnlijk is die tegenstroom zelfs samen met het religieuze ontstaan, misschien was religie zelfs niets anders dan een maatschappelijke reactie tegen het god-loze individualisme, zoals ook Freud lijkt te suggereren. Het is dank zij verstandige, rustige en uiteindelijk daardoor overtuigende boeken als dit werk van Constandse dat het verhaal van de autonome mens de aandacht krijgt die het zo vaak moet missen in de veel talrijker maar zoveel oppervlakkiger uitwendige geschiedenissen van de maatschappij. Ongetwijfeld toont Constandse met verve aan dat zijn hoofdfiguren de lichtende belichaming waren van essentiële, universele menselijke waarden en idealen, ja van de nobelste dromen van de mensheid zelf.



















