
Gisteren vertelde ik je over het laatste boek dat ik gelezen had, het essentiële Darwins gevaarlijke idee van Daniel Dennett. Maar ongeveer gelijktijdig daarmee was er een concurrent voor mijn aandacht, een boek in het Frans, voorwaar. Ik behoor tot een generatie voor wie het Frans, althans in onze jeugd, veel evidenter was dan het Engels: wij spraken een mondje Frans nog voor we ooit Engels gehoord hadden. Dat is heel snel veranderd, tot op vandaag: de tweede taal van de Vlamingen en van de Franstaligen, is het Engels. Ik ben ‘mijn Frans’ blijven cultiveren: ik luister vaak naar de Franstalige radio, ook naar woordprogramma’s en ik lees wel eens iets in het Frans. Sinds vele jaren zoek ik naar een goede Frans algemeen cultureel tijdschrift, maar tevergeefs en dat is geen sneer naar het Franse cultuurgebied: ik ken ook geen goed Engels of Nederlands cultureel week- of maandblad, jij wel?
Het is waarschijnlijk hoe dan ook beter een boek te lezen dan een krant of tijdschrift, waarin de artikelen meestal inderhaast geschreven zijn en onder de druk van de omstandigheden en de leesdichtheid. Een boek kan een ruimer perspectief bieden, meer blijvende waarden. Zodoende.
Via de aankondiging van een Engelse vertaling kwam ik toevallig bij een boek uit 1995, het zelfde jaar als Dennetts boek dus, van de Franse filosoof André Comte-Sponville (1952-), dit is de Franse Wikipedia-pagina aan hem gewijd:
http://fr.wikipedia.org/wiki/Andr%C3%A9_Comte-Sponville .
Petit traité des grandes vertus is de stilistisch leuke maar materieel een misleidende titel voor een boek van 392 pagina’s, vind je ook niet? De uitgave bij de bekende uitgever Puf (Presses Universitaires de France, met het beroemde logo, een wagenmenner die zijn driespan aanspoort) in de reeks Perspectives Critiques is uiterst verzorgd en heeft niets meer gemeen met de ietwat sordide, slordige, beduimelde publicaties op slecht, houthoudend papier en met dunne kartonnen kaft die je nu overal onopengesneden op rommelmarkten vindt, met werken van Sartre en zijn trieste tijdgenoten. Het lettertype van dit nouveau elan is genereus, het papier stevig en glad en lichtjes geel getint, het diepblauwe kaft is stijlvol: luxe! De druk is vlijmscherp, zelfs met een oogloep, zo’n instrument dat uurwerkmakers en diamantairs in hun oog geklemd houden, is er zelfs in de scherpste bochten geen enkele rafeligheid te bemerken; ik weet het niet met zekerheid, maar als dit elektronisch zetwerk is, dan steekt het alle voorgaanden, inclusief het artisanale, naar de typografische kroon. En aangezien het oog spreekwoordelijk ook wat wil…
Voor we naar de inhoud gaan nog even iets over de literaire stijl. Ik ben gewoon om vrijwel alles wat ik lees in het Engels tot mij te nemen. Dat heeft me vertrouwd gemaakt met de meestal nogal nuchtere, om niet te zeggen zakelijke stijl die zeker in deze tijd die taal eigen is. Zelfs een van de onbetwiste stijlmeesters van het moderne Engels, Vladimir Nabokov, is, ook in zijn meest geconvoluteerde literaire proza, en bijna vanzelfsprekend in zijn kritisch of wetenschappelijk werk, een toonbeeld van grondige ernst, didactische klaarheid, pedagogische bekommernis en beheerste volmondigheid, als je daartegenover een typisch Frans product stelt als dit werk van Comte-Sponville. Het is een andere wereld. Ik wist niet dat men nog zo schreef, nog zo kon of wou schrijven, op onze dagen, ik dacht dat zulk taalgebruik weggehoond was in de straten van Parijs in mei 1968 of weggespoeld met de waterkanonnen en neergeknuppeld met de wapenstok door de infame CRS, de Compagnie Républicaine de Sécurité, een zustervereniging van de nog meer beruchte Roemeense Securitate, of dat vonden wij toen toch.
Het Frans dat Comte-Sponville voor ons debiteert is dus van een klassieke schoonheid; het is een waterval van welbespraaktheid, niet ons niemendalletje van Coo, maar een royale Niagara, regenboog incluis. Het is even wennen, maar het werkt! Je laat je meeslepen door de volmaakte volzinnen, de eigenzinnige tournures, het bijna gesproken woord, de gezochte uitdrukkingen, de klassieke stijlfiguren, de ouderwetse aansprekingen, de talloze retorische vragen en hun even retorische antwoorden. Dit is een subliem, subtiel maar speels, bijna frivool en gedurfd taalspel op het hoogste precaire niveau, vol esprit, bons mots en trouvailles, een lust voor de geest en een fraaie défi voor ons taalgevoel. Zonder enige aarzeling of valse schaamte bespeelt de auteur alle registers van het Cavaillé-Coll-orgel dat le Petit Robert, le Grand Larousse, Grévisse en l’Académie Française elle-même zo zorgvuldig hebben opgetekend en vastgelegd: de Franse taal.
Wij kennen onze directe zuiderburen niet meer, we spreken of verstaan hun taal niet meer, en vice versa. Maar nog verder weg ligt Frankrijk, letterlijk en figuurlijk. We komen er nog wel, maar dan als toerist, op doorreis of in een van de campings, pleisterplaatsen of domeinen, te midden van legioenen even toeristische en Fransonkundige Nederlanders, Duitsers en Belgen, Vlaamse en Waalse en Brusselse. We weten niet wat er daar gebeurt, in de wereld van de politiek of de kunst of de economie of op sociaal gebied, tenzij het op ons Tv-scherm verschijnt, gedurende enkele tergend luttele seconden, in al zijn zinloze agressiviteit of onbegrijpelijke controverse. Wij kennen de belangrijke auteurs niet meer, tenzij ze een of andere prijs halen die een naam draagt die we niet kunnen plaatsen, en ze prompt ook in het Nederlands verschijnen. Ik had nog nooit gehoord van André Comte-Sponville. De auteurs die hij citeert ken ik evenmin, tenzij van horen zeggen, dus niet: Jankélévitch, Alain, Simone Weil, Sartre, Camus, Voltaire, Conche, Pascal, Montaigne, Rousseau, Descartes, de la Rochefoucauld, naast de meer universele Aristoteles, Plato, Epicurus, Nietzsche en Kant, Thomas en Augustinus, en dan vooral Spinoza, een ware geestesgenoot, blijkbaar en het voorwerp van veel belangstelling, eerbied en onverdoken bewondering.
In zijn inleiding zegt hij het zelf: hij citeert enorm veel, rechtstreeks en onrechtstreeks en wellicht ontleent hij nog heel wat gedachten aan de auteurs die hij citeert en sommige die hij vergeet te citeren, zoals dat al gaat. Hij heeft verscheidene bekende en minder bekende werken ter hand genomen en erg grondig bestudeerd, die handelen over het onderwerp dat hij ons voorlegt: de deugden. Ik schreef daarover zelf heel kort (in vergelijking en in realiteit): https://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/archief.php?ID=416 .
Comte-Sponville doet er langer, veel langer over, maar niet té lang, althans dat is mijn overtuiging. Hij telt 18 ‘deugden’ en bekent dat hij er nog verscheidene heeft weggelaten… Ik soms ze even op voor u:
- La politesse
- La fidélité
- La prudence
- La tempérance
- Le courage
- La justice
- La générosité
- La compassion
- La miséricorde
- La gratitude
- L’humilité
- La simplicité
- La tolérance
- La pureté
- La douceur
- La bonne foi
- L’humour
- L’amour
Er is ook nog een table analytique met de titels en de tussentitels van de 18 hoofdstukken.
Aan de hand van zijn bronnen en van zijn ruime belezenheid, zowel van de klassieken als de modernen en in vrijwel alle talen (die in het Frans vertaald zijn, dat blijkt een voorwaarde te zijn, hij citeert er geen andere), vertelt hij ons ongeveer alles wat je ooit over een van de achttien onderwerpen zou kunnen zeggen. Maar hij doet het op een gedreven manier, gestructureerd ook, niet vrijblijvend: er zit een eenheid achter en onder de vele discours, excursions, discriminations, dispositions &c., een eigen filosofie die hij zeer duidelijk naar voren brengt, zowel haar theoretische gronden als haar consequenties voor de praktische voorbeelden die hij liberaal (in zowat alle betekenissen van het woord, dus ook in de eerste: gul) rondstrooit in zijn uiteenzettingen en die sommige wat obscure standpunten triomfantelijk duidelijk maken.
Ik ben dus een gelukkige lezer. Ik heb een boek gevonden in het Frans, en wat voor Frans! en zo mijn oude, trouwe liefde voor die prachtige taal zo niet weergevonden, dan toch wat in ere hersteld en dat heeft me echt deugd gedaan (oeps! no pun intended…). Het onderwerp is belangrijk, boeiend, bevattelijk, beduidend, beeldrijk, zelfs begeesterend: je kan er niet om heen dat deze thema’s onze cultuur doordrenken. De standpunten die de auteur inneemt zijn genuanceerd maar duidelijk en eerlijk en zelfs kranig: hij schuwt de controverse niet, ook niet met gevestigde waarden en bewoners of architecten van heilige huisjes. Hij is overtuigd atheïst, maar wellicht meer vertrouwd met kwesties van geloof en zeden dan menig hedendaags lid van de Curie. De intellectuele uitdagingen zijn haalbaar voor de lezer met ten minste een algemene ontwikkeling en een actieve belangstelling voor filosofische onderwerpen, zonder dat hij of zij een filosoof hoeft te zijn, gelukkig maar.
Na de lectuur van dit Petit traité voel ik mij zelfs een beetje uitgelaten, zoals na een (zeldzaam, ik geeft het toe…) goed examen: ik ben geslaagd! (Is het de geest des tijds? Het begin van de vakantie!) Ik ben erin geslaagd een ernstig boek te lezen over een interessant en belangrijk onderwerp, in het Frans; ik heb, voorwaar, mijn tijd niet verdaan met beuzelarijen of niaiseries. Het heeft me niet alleen deugd gedaan, zo’n onderdompeling in het Frans, ik heb er zelfs plezier aan beleefd en ik hoop dat ik een zweem, een soupçon van die vreugde heb kunnen overbrengen. Mocht het Frans voor u een onoverkomelijke barricade of barrière vormen, dan kan u zich de vertaling aanschaffen of ze ontlenen in uw bibliotheek (een daad die in strijd is met geen van de achttien opgesomde deugden): Kleine verhandeling over de grote deugden, uitg. Atlas.
Een inhoudelijke slotbedenking. Vrijwel al de beschreven deugden behoorden vroeger tot het religieuze denkkader en maakten deel uit van wat de gelovigen werd voorgehouden, ja, opgelegd. Vandaag is vrijwel alles netjes overgenomen, gerecupereerd zegt men, door het seculiere, zoals hier door een uitgesproken atheïstisch filosoof, door de neutrale maatschappij, de sociale zekerheid, het gerecht, of internationale organisaties en afspraken, zoals ik hier onlangs nog aantoonde in verband met de universele rechten van de mens: https://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/archief.php?ID=472 .
Had de godsdienst, in ons geval het christendom, dan toch gelijk? Ja en neen. Gedurende tweeduizend jaar heeft een indrukwekkend aantal mensen zich achter die vlag geschaard, onder de leiding van ongetwijfeld meestal goedmenende denkers en gewiekste kerk-politieke figuren. Men heeft gemeend dat men de mens kon leren hoe hij goed moest leven, hoe en wat hij moest denken en beslissen. Maar dat gebeurde op een paternalistische wijze, van boven naar onder, als een opgelegde, bovennatuurlijke wet, waaraan niet alleen het geluk zeer voorwaardelijk verbonden was, maar ook de verdoemenis voor wie tekortschoot. Dat werkt niet. Vandaag zoeken wij ons heil in afspraken die mensen onder elkaar maken, in politieke beslissingen, ook over ethische kwesties, en wij leggen die vast in gemeentelijke verordeningen, gemeenschappelijke (zoals in Vlaamse Gemeenschap) decreten, federale wetten, Europese richtlijnen en universele verklaringen. Inbreuken worden bestraft, na openbare processen volgens transparante regels en met uitvoerige rechten op verdediging en hoger beroep. De straffen zijn menselijk, zelfs voor mensen als Milosevitsj, hoewel die zijn veroordeling en straf te snel af was door zijn milde en wellicht welkome dood. Niemand is verdoemd voor eeuwig. Onze schuld is er een tegenover onze medemens, onze straf wordt door hem opgelegd. Dat maakt een hemelsbreed (is er ook helsbreed?) verschil, voor de schuldigen en de slachtoffers. Wij stellen onze medemens teleur, wekken zijn verontwaardiging op, zijn woede ook, maar niet die van een alwetende, eeuwige, almachtige God. Aan u de keuze. De mijne kent u.