
Weet je het nog, de herrie rond het jaar 2000? Eerst was er de onzin over de millennium bug: de programmeurs zouden er niet aan gedacht hebben dat na 1999 of ’99 het jaar 2000 zou komen, of ’00. Men voorzag dat de computers niet meer zouden weten wat er bedoeld was met ’00: 1900 of 2000? Alsof ze tevoren problemen zouden gehad hebben met bijvoorbeeld ’85: was dat 1985 of 1885? Er werden geleerde boeken over dit onderwerp geschreven en hoe dichterbij 2000 hoe meer drukte: het Y2K-probleem (Year 2000) voorzag dat computers en netwerken overal ter wereld zouden stilvallen, tenzij men belangrijke aanpassingen deed. In sommige landen zoals de V.S. en Groot-Brittannië zijn er fortuinen betaald aan nieuwe software. Elders trok men zich veel minder aan van de heisa en vertrouwde men erop dat het wel zo loslopen. 1 januari 2000 kwam en ging en in het ene noch in het andere land waren er belangrijke problemen bij de overgang: was het probleem overtrokken, of had iedereen toch die nieuwe software geïnstalleerd?
Vervolgens waren er de wijsneuzen die erop wezen dat het derde millennium en de eenentwintigste eeuw pas in 2001 begonnen, het eerste jaar van de nieuwe eeuw en van het nieuwe duizendtal. Hoezo?
Als je begint te tellen vanaf het jaar 1, ben je bij 10 nog steeds in de eerste tien jaar, het eerste decennium; het tweede begint dus in het jaar 11. Evenzo met de eeuwen: je begint bij 1 en 100 is het honderdste jaar, dus de tweede eeuw begint in 101 (zie ook mijn bijdrage over tijdrekeningen op 21.04.2008). En dus ook voor de millennia: het eerste liep tot 1000, het tweede tot 2000 en het derde begon dus in 2001.
Toen Dionysius Exiguus (zie mijn bijdrage 03.10.2007, een beetje ingewikkeld maar onmisbaar!) het jaar één vastlegde, bedoelde hij niet dat het zou lopen van 0 tot 1, zoals wij nu doen met de eeuwen: de eerste eeuw eindigt in het jaar 100, de tweede gaat van 100 tot 200, de derde van 200 tot 300… Nee: hij vond het terecht onzin om een jaar 0 te maken, nul is niets en dus kan je geen jaar 0 hebben, zo dwaas was dat niet. Je had het jaar 1 vóór Christus en daarop volgde het jaar 1 na Christus. Maar wanneer is Christus dan geboren, volgens Dionysius Exiguus? Eh… in 1 vóór Christus, op 25 december, zodat hij op 25 december van het jaar 1 één jaar oud was.
Wat al onzin, toch… Het is allemaal een kwestie van naamgeving: de eerste eeuw is die die eerst komt, voor de tweede. Het jaar één is het eerste jaar, dat voor het tweede komt. Wanneer we een jaar of een eeuw of een millennium laten beginnen, is gewoon kwestie van afspraak. En aangezien enkel wijsneuzen, pedanten en muggenzifters menen dat 2000 nog tot de vorige eeuw behoorde, hebben we met zijn allen vrolijk het nieuwe millennium ingezet met champagne op 1 januari 2000, zoveel champagne zelfs dat ze het in Reims niet konden bijhouden.
Wij houden van ronde getallen en niet alleen tijdens de koopjesperiodes. We houden vooral van getallen die een veelvoud zijn van vijf en van tien: vijf jaar is een lustrum, tien jaar een decennium, vijftig jaar een jubilee of jubileum, honderd jaar een eeuw, duizend een millennium, hoe meer nullen hoe beter, zie ook hieronder voor heel veel nullen. Vijf en tien, omdat we nu eenmaal uit de evolutie gekomen zijn met vijf vingers aan één hand en tien op de twee, en we hebben leren tellen op onze vingers. Slimmeriken denken dat sommigen hebben leren tellen met twaalf en vijf, samen zestig, omdat er op onze vier vingers (dus zonder de duim) twaalf vingerkootjes hebben. Vooral rond de Middellandse Zee zou men nog heel lang op die manier geteld hebben op de markten. Daar zou ook de oorsprong liggen van het twaalfdelig en zestigdelig stelsel, zoals in de uren van de dag, de maanden van het jaar, de minuten en de seconden en de graden van een cirkel.
Over dat jubileum wou ik het nog even hebben. Wij gebruiken dat woord vooral bij een gouden bruiloft: vijftig jaar getrouwd. Later is er ook een tussenstap gekomen, want ook vroeger was vijftig jaar samen getrouwd veeleer uitzonderlijk, dus vierde men alvast het zilveren jubileum. Sindsdien heeft de commercie zich meester gemaakt van dat soort dingen; naast een nog zinvol diamanten bruiloft na zestig jaar is er nu een naam voor ongeveer elke periode: papier, karton, zijde, tin, koper…
Een jubilee hoort vijftig jaar te zijn, zo staat het in de Bijbel, Leviticus 25 is er helemaal aan gewijd. Ik geef u hieronder de volledige tekst, het is waarschijnlijk de eerste keer dat je hem leest. Doe toch even de moeite?
En waarom al die aandacht voor bazuingeschal of blazen op de sjofar, de ramshoorn, ofte jobhel, voor jubileums van 50 en voor ronde getallen, vooral duizendtallen en veel nullen? Lieve lezer, je raadt het al: misschien ben jij vandaag wel de 50.000Ste unieke lezer van mijn blog! Ik heb de 60.000ste page view ongemerkt laten voorbijgaan, maar de 50.000ste keer dat iemand bij mij op bezoek komt, dat moesten we vieren!
Ik heb het gedaan op een manier die je van mij wel verwacht, als je een beetje een trouwe lezer bent: met wat etymologie, veel aandacht voor de tijd en hoe die berekend wordt en voorbijgaat, een Bijbelcitaat, wat wetenswaardigheden, een filosofische bespiegeling of een stukje commentaar bij de gebeurtenissen van de dag.
Traditioneel sluit ik een jubileumblog af met een woord van dank aan alle vaste bezoekers, aan toevallige passanten en aan verdwaalde schapen, kortom aan iedereen die hier even heeft verpoosd en niet onmiddellijk gaan lopen is. Ik hoop dat jullie er wat aan gehad hebben; voor mij is mijn website zowat de hemel op aarde, mijn tuin van Eden, mijn lusthof, mijn Eldorado, mijn Serendipity; hier lig ik met mijn gat in de boter, met een zilveren lepel in de mond en met de helm geboren, een konijnenpootje in de hand, alle dagen wittebrood etend en drinkend uit een kelk die overloopt. Moge het nog even duren, het is hier zo goed.
Bedankt allemaal en tot de volgende keer…
Karel
Leviticus 25
1 De HEER zei tegen Mozes, op de Sinai: 2 ‘Zeg tegen de Israëlieten: “Wanneer jullie eenmaal in het land zijn dat ik je zal geven, moet het land rust krijgen, een sabbatsrust gewijd aan de HEER. 3 Zes jaar achtereen mogen jullie je land inzaaien, je wijngaard snoeien en de oogst binnenhalen. 4 Maar het zevende jaar moeten jullie het land laten rusten. Het is een sabbatsjaar dat aan de HEER gewijd is. Je mag dan je land niet inzaaien, je wijngaarden niet snoeien, 5 het koren dat vanzelf opkomt niet als oogst binnenhalen en niet de druiven oogsten van je ongesnoeide wijnstokken. Het moet een jaar zijn van volstrekte rust voor het land. 6 Wat er in dat jaar op het land groeit, is voor jullie allen. Je mag er zelf van eten, maar ook je slaven en slavinnen, je loonarbeiders en de vreemdelingen die bij je te gast zijn; 7 ook voor je veestapel en voor de in het wild levende dieren kan het als voedsel dienen.
8 Na verloop van zeven sabbatsjaren, na zeven maal zeven jaar, wanneer er negenenveertig jaren verstreken zijn, 9 moeten jullie op de tiende dag van de zevende maand de ramshoorn luid laten schallen. Op Grote Verzoendag moet in heel het land de ramshoorn schallen. 10 Elk vijftigste jaar zal voor jullie een heilig jaar zijn, waarin kwijtschelding wordt afgekondigd voor alle inwoners van het land. Dit is het jubeljaar, waarin ieder naar zijn eigen grond en zijn eigen familie kan terugkeren. 11 Elk vijftigste jaar zal voor jullie een jubeljaar zijn. Je mag dan niet zaaien, het koren dat vanzelf opkomt niet als oogst binnenhalen en niet de druiven oogsten van je ongesnoeide wijnstokken. 12 Het is een jubeljaar, dat als heilig beschouwd moet worden. Jullie zullen dat jaar leven van wat er vanzelf opkomt.
13 In het jubeljaar zal ieder naar zijn eigen grond terugkeren. 14 Wanneer je een stuk grond aan een ander verpandt of van een ander in pand neemt, mag je elkaar niet benadelen. 15 Het aantal jaren dat na een jubeljaar verstreken is, bepaalt de prijs die de pandnemer moet betalen; het aantal jaren dat de pandgever heeft kunnen oogsten, bepaalt de prijs die hij mag vragen. 16 Hoe meer jaren er nog resten, des te hoger de prijs; hoe minder jaren, des te lager, want wat verhandeld wordt is het aantal oogsten. 17 Benadeel je volksgenoten niet. Toon ontzag voor je God; ik ben de HEER, jullie God.
18 Leef mijn bepalingen na, houd je aan mijn regels en handel ernaar, dan zul je onbezorgd in je land kunnen leven. 19 Het land zal vruchtbaar zijn en jullie zullen volop te eten hebben. Je zult er onbezorgd kunnen wonen, 20 en mochten jullie je afvragen waarvan je het zevende jaar moet leven als je niet mag zaaien en oogsten, 21 bedenk dan dat ik jullie het zesde jaar zal zegenen met een oogst die voor drie jaar toereikend is, 22 zodat je in het achtste jaar weer kunt zaaien en tot in het negende jaar kunt leven van de oude oogst, totdat je dat jaar de oogst kunt binnenhalen.
23 Land mag nooit verkocht worden, alleen verpand, want het land behoort mij toe en jullie zijn slechts vreemdelingen die bij mij te gast zijn. 24 In heel jullie land moet voor grond altijd het lossingsrecht blijven gelden.
25 Wanneer een van jullie tot armoede vervalt en een deel van zijn grond moet verpanden, kan zijn losser, zijn naaste verwant, zich aanmelden om het pand voor hem in te lossen. 26 Gebeurt dat niet, maar beschikt hij na verloop van tijd zelf over voldoende middelen om het pand in te lossen, 27 dan moet hij nagaan hoeveel jaar het verpand is geweest en het resterende deel van het oorspronkelijke bedrag terugbetalen aan degene aan wie hij het verpand had. Dan kan hij naar zijn eigen grond terugkeren. 28 Vindt hij niet voldoende middelen om het pand in te lossen, dan blijft het tot aan het jubeljaar in handen van de pandnemer. Maar in het jubeljaar valt het aan hem terug en kan hij naar zijn eigen grond terugkeren. 29 Als iemand een woonhuis in een ommuurde stad verpandt, geldt het lossingsrecht niet langer dan een jaar na het moment van verpanding; in dat geval geldt het lossingsrecht dus tijdelijk. 30 Wordt het pand niet binnen het jaar ingelost, dan vervalt het huis – indien het dus in een ommuurde stad staat – voorgoed aan de pandnemer en diens nakomelingen. Het valt in het jubeljaar niet aan de oorspronkelijke eigenaar terug. 31 Huizen in dorpen die niet ommuurd zijn, worden gerekend bij het land waarop ze staan. Daarvoor geldt het gewone lossingsrecht en in het jubeljaar vallen ze aan de oorspronkelijke eigenaars terug. 32 In de door de Levieten bewoonde steden, die zij als grondgebied toebedeeld hebben gekregen, geldt voor hen onbeperkt lossingsrecht voor huizen. 33 Zo’n huis kan door een Leviet worden ingelost en valt – indien het op hun grondgebied staat – in het jubeljaar aan de oorspronkelijke eigenaar terug, want de huizen in de steden die bij de verdeling van het land onder de Israëlieten aan de Levieten zijn toegewezen, gelden als hun grondbezit. 34 De akkers en weidegronden bij die steden mogen helemaal niet verpand worden, want die vormen hun onvervreemdbaar bezit.
35 Wanneer een van jullie tot armoede vervalt en zich niet kan handhaven, moet je hem bijstand verlenen, zoals je ook een vreemdeling zou helpen die bij je te gast is; je mag hem niet laten verkommeren. 36 Toon ontzag voor je God en laat je volksgenoten niet verkommeren. Wanneer je een volksgenoot iets leent, mag je hem vooraf noch achteraf rente vragen. 37 Je mag van hem geen rente vragen als je hem geld leent, en geen winst maken als je hem voedsel geeft. 38 Ik ben de HEER, jullie God, die jullie uit Egypte heeft geleid om jullie Kanaän in bezit te geven en jullie God te zijn.
39 Wanneer een van jullie tot armoede vervalt en zichzelf aan jou verpandt, mag je hem niet als slaaf behandelen. 40 Je moet hem beschouwen als een loonarbeider of als een vreemdeling die bij je woont. Tot aan het jubeljaar zal hij voor je werken, 41 dan hoeft hij je niet meer te dienen en kan hij met zijn gezin terugkeren naar zijn eigen familie en naar de grond van zijn voorouders. 42 Het volk dat ik uit Egypte heb weggeleid behoort mij toe, Israëlieten kunnen dus niet als slaaf verkocht worden. 43 Toon ontzag voor je God en beul hen niet af als slaven. 44 Als slaven en slavinnen kun je mensen kopen uit de omringende volken, 45 of vreemdelingen die bij jullie wonen of de nakomelingen die zij in jullie land hebben gekregen. Die slaven en slavinnen zijn je eigendom, 46 je kunt hen als erfelijk bezit aan je nakomelingen nalaten; zij zullen voor altijd als slaaf voor je blijven werken. Maar je volksgenoten, de Israëlieten, je eigen verwanten, mag je nooit als slaven afbeulen.
47 Wanneer mensen die als vreemdeling bij jullie wonen, rijkdom vergaren en een van jullie tot armoede vervalt en zich aan zo’n vreemdeling of een afstammeling van een vreemdeling verpandt, 48 behoudt hij het recht op lossing. Hij kan worden vrijgekocht door een broer, 49 een oom of een neef of een andere bloedverwant, of hij kan, wanneer hij weer over voldoende middelen beschikt, zich zelf vrijkopen. 50 Samen met degene aan wie hij zich verpand heeft, moet hij nagaan hoeveel jaren er liggen tussen het jaar van de pandstelling en het eerstvolgende jubeljaar; de pandsom wordt berekend naar het aantal dienstjaren, volgens het tarief van een loonarbeider. 51 Als er nog veel jaren resten, moet een evenredig deel van het bedrag als losgeld worden betaald; 52 als er volgens de berekening nog weinig jaren resten tot aan het jubeljaar, moet een evenredig deel worden afgelost. 53 Zo iemand moet op dezelfde manier behandeld worden als een loonarbeider die per jaar in dienst wordt genomen; jullie mogen niet toestaan dat hij als een slaaf wordt afgebeuld. 54 Wanneer hij niet op de een of andere manier wordt vrijgekocht, komt hij in het jubeljaar met zijn kinderen vrij. 55 Want de Israëlieten behoren mij toe; ik heb hen uit Egypte weggeleid. Ik ben de HEER, jullie God.
De Nieuwe Bijbelvertaling
© 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap