De eerste van de Daltons: John Dalton

Ik weet niet of ze nu nog zo in zijn, maar in mijn jeugd en ook nog in die van mijn kinderen waren de Daltons immens populair. Het tragikomische familiekwartet verscheen in een Lucky Luke-verhaal van Morris, Les hors-la-loi, (1954) in het Nederlands ‘Vogelvrij’. Dit waren de oorspronkelijke vier broers, gebaseerd op de historische figuren Bob, Grat, Bill and Emmett Dalton; de eerste twee vonden de dood bij een overval in Coffeyville, Kansas, op 5 oktober 1892. Emmett werd daar gewond en belandde in de gevangenis, Bill was er toen niet bij. In het album laat Morris alle vier de broers sterven. Toen René Goscinny erbij kwam als scenarist, greep hij terug naar de vier broers die uiterlijk enkel in hun afmetingen verschilden, onder de vorm van de bekende neven Dalton, die het eerst verschenen in 1958, in de albums ‘De bende van Joss Damon’ en ‘De neven Dalton’ en nadien in talloze afleveringen van Lucky Luke en sommige van Rataplan. De blunderende would-be gang van Joe, Jack, William en Averell was een vaste waarde in de plot en de oorzaak van algemene hilariteit.
Maar ik wou het hebben over een andere Dalton, John genaamd (Eaglesfield, 6 september 1766 – Manchester, 27 juli 1844), een Engels scheikundige en natuurkundige. Zijn levensverhaal is fascinerend, maar ik wil hier slechts één aspect naar voren halen. Deze bijzonder scherpzinnige waarnemer stelde vast dat hij bepaalde voorwerpen niet zag in de kleuren die anderen ervan beschreven; zijn broer daarentegen zag die kleuren precies zoals hijzelf. Dat leidde hem ertoe te besluiten dat er iets speciaals was met hun beider ogen. In een artikel in 1798 meende hij dat de vloeistof binnen in het oog, het glasachtig lichaam, in hun geval gekleurd was en als een filter werkte, zodat ze bepaalde kleuren niet zagen. Dalton was daarvan zo overtuigd dat hij in zijn testament vastlegde dat men zijn ogen daarop zou onderzoeken, wat ook gebeurde, maar de vloeistof bleek volkomen helder te zijn, zoals het hoort, dat weten we ondertussen. De onderzoeker die Daltons ogen te beschikking had gekregen probeerde dan iets anders: hij maakte een gaatje achter in het oog en probeerde zo door de lens van ex-Dalton te kijken, maar dat resulteerde evenmin in de kleurafwijkingen die Dalton zo nauwkeurig had beschreven. Het lag dus niet aan de lens en niet aan het glasachtig vocht; dat zijn broer net dezelfde afwijking had, kon laten vermoeden dat het om iets erfelijks ging.
Honderd vijftig jaar later heeft men Daltons ogen, die netjes bewaard gebleven waren in het laboratorium, onderworpen aan een DNA-test en vastgesteld dat hij inderdaad een genetische afwijking had, en wel de meest voorkomende, die we verderop beschrijven.
We weten nu waarover we het hebben: kleurenblindheid, die bijvoorbeeld in Frankrijk nog steeds Daltonisme wordt genoemd, naar onze John. De oorzaak, dat heeft men veel later ontdekt, is een afwijking in ons netvlies. Daar bevinden zich twee soorten licht-gevoelige cellen, enerzijds de staafjes, die vooral afwijkingen tussen licht en donker waarnemen en anderzijds de kegeltjes die actief zijn bij normaal daglicht en die reageren op de verschillende frequenties van het licht zoals het weerkaatst wordt op alles wat wij zien.
Er zijn drie soorten van kegeltjes: een eerste soort reageert op licht met een korte golflengte, de tweede op de middenfrequenties, de derde op de lange golflengten. Op het hoogste punt van hun respectieve spectra is dat bij de eerste soort blauw, bij de tweede geel-groen en bij de derde geel; maar ze dienen vooral om de hoofdkleuren blauw, groen en rood te onderscheiden, de kleuren waarmee we al de andere kunnen vormen. De kleuren die wij zien zijn het resultaat van het ongelijk stimuleren van de drie soorten kegeltjes. Die zenden signalen naar de hersenen, waar wij die omzetten in het kleurenspectrum dat wij kennen. Lees eventueel nog eens na wat ik daarover schreef op 13.02.2008, onder de titel de gustibus et coloribus: hoofdkleuren, zie het lijstje hiernaast).
Als er nu om een of andere reden iets verkeerd gaat met die kegeltjes, of met de oogzenuw die het oog met de hersenen verbindt, dan kan het dat bepaalde lichtfrequenties niet correct doorgestuurd worden naar onze hersenen, met als gevolg dat we een kleur niet of niet goed zien. Het kan ook dat de centra in onze hersenen die de kleursignalen moeten interpreteren, beschadigd zijn. Ook dan kan er kleurenblindheid optreden.
Zoals Dalton al vermoedde, kan kleurenblindheid erfelijk zijn. Wij spreken nu van een genetische afwijking, die voorkomt bij mannen (8%) én vrouwen (2%), maar dus beduidend vaker bij mannen; sommige vormen komen helemaal niet voor bij vrouwen. Rood-groenkleurenblindheid bijvoorbeeld zou voorkomen bij 5 tot 10 procent van de mannen en niet bij vrouwen. Dat laat vermoeden dat het genetisch materiaal dat verantwoordelijk is voor de vorming van de kegeltjes zich op het X-chromosoom bevindt: vrouwen hebben er twee van en aangezien het vrijwel uitgesloten is dat ze allebei defectief zouden zijn op dit punt, corrigeert het ene X-chromosoom het andere; vrouwen kunnen dus wel drager zijn van defect genetisch kleurenmateriaal, maar lijden er niet onder; mannen hebben een XY-combinatie en als het X-chromosoom slecht genetisch kleurenmateriaal heeft, is er geen correctie mogelijk door een gezond gelijksoortig X-chromosoom zoals bij de vrouw.
Maar andere, meer zeldzame afwijkingen komen zowel bij mannen als bij vrouwen voor, omdat ze op andere plaatsen in ons DNA zitten.
Er zijn talrijke vormen van kleurenblindheid, afhankelijk van de oorzaak. Bij de congenitale (erfelijke) vorm gaat het meestal om de slechte werking van de kegeltjes, bijvoorbeeld doordat er maar twee van de drie soorten werken of zelfs aanwezig zijn, of goed werken. De meest voorkomende vorm (6% bij mannen, 0,4% bij vrouwen) is deuteranomalie, waarbij de kegeltjes voor de middelste frequentie niet goed werken. Het gevolg is dat men slecht groen ziet: bij slecht licht wordt groen zelfs zwart; schakeringen van rood, oranje, geel en groen kan men moeilijk onderscheiden en benoemen.
Klinisch gezien spreekt men van algemene kleurenblindheid (zeldzaam) of gedeeltelijke, waarbij men een onderscheid maakt tussen wie problemen heeft met rood-groen en die met geel-blauw (zeldzaam).
We kennen allemaal de testjes voor kleurenblindheid, meestal zien we die voor het eerst bij het medisch onderzoek op school.
Er is geen remedie voor kleurenblindheid.
Eigenaardig is nog dat katten, honden, ratten en muizen en ook konijnen kleurenblind zijn; ze hebben het zelfde probleem als de meerderheid van de kleurenblinde mensen, dus met het onderscheiden van groen en vooral rood. In het donker zijn alle katten grijs, zegt men, maar voor een kat zijn ze zelfs bij klaarlichte dag allemaal grijs. Misschien is dat omdat katten overdag meestal slapen en vooral ’s nachts actief zijn, wanneer zelfs voor niet-kleurenblinde katten en dito (zie mijn etymologische zoektocht naar dit woord van 15.07.2006) mensen de wereld hoofdzakelijk donkergrijs is: waarom zou een nachtdier kegeltjes hebben, als staafjes veel nuttiger zijn?




















