John Burroughs 1837-1921


Ik ben er vrijwel zeker van dat je, net als ik tot voor enkele dagen, nog nooit gehoord hebt van de Amerikaanse auteur John Burroughs (3 april 1837-29 maart 1921). Nochtans was hij in zijn tijd een van de meest populaire schrijvers, met een indrukwekkende lijst van publicaties op zijn naam en een goede bekende van zowat iedereen die enige naam had in Amerika, van zijn goede vriend de dichter Walt Whitman tot president Theodore Roosevelt toe.
Zijn specialiteit was het natuur-essay: de beschrijving van vogels, bloemen en hun natuurlijke omgeving, met bespiegelend commentaar dat zeker in zijn latere jaren een sterke filosofische inslag had. Hij publiceerde ook een bundel met natuurpoëzie. Gedurende het grootste gedeelte van zijn lange leven verbleef hij in de natuur op boerderijen, in hutten, chalets of reizend en kamperend. Met zijn lange witte baard zag hij eruit als een soort natuurmens en rond de eeuwwisseling was hij de belichaming van de Amerikaanse voorliefde voor de natuur en de ontluikende natuurbescherming, lang voor wij hier Agalev hadden.
Ik leerde hem kennen van enkele citaten over het bestaan van God. Terwijl de natuur door de eeuwen heen en tot vandaag voor veel gelovigen een subtiele of overweldigende bron van religieuze inspiratie is, was Burroughs overtuigd dat de natuur geen enkele verwijzing, laat staan een bewijs bevatte naar een Schepper en dat de veronderstelling van zelfs een liefdevolle God geen betekenisvolle dimensie of waarde toevoegde aan de ervaring van de wonderen van deze wereld en van het universum.
Aangezien er vrijwel niets van John Burroughs in het Nederlands te vinden is, vertaal ik hieronder een tekst waarin hij die thematiek rustig maar vol overtuiging en duidelijk uiteenzet.
De term ‘religie’ is een dubbelzinnig en vaak misbruikt woord, maar ik ben ervan overtuigd dat niemands leven volkomen is zonder een of andere vorm van emotionele ervaring die religieus kan genoemd worden. Niet zozeer een welbepaald credo of geloof als wel een aangetrokken zijn door en een streven naar het Oneindige, of nog een gevoel van ontzag en eerbied dat zijn inspiratie vindt in het aanschouwen van dit wondermooie en mysterieuze universum, iets dat de mens optilt boven alle louter zelfzuchtige en materiële doeleinden en dat zijn ziel openstelt voor invloeden uit de hoogste hemelen van het denken.
Religie in een of andere vorm is net zo natuurlijk voor de mens als eten en slapen. De mysteries van het leven en het wondere en de verschrikking van de wereld waarin hij zichzelf ervaart, wekken gevoelens op van ontzag en vrees en aanbidding van zodra zijn vermogen tot reflectie geboren is. In de vroege geschiedenis van de mensheid zijn religie, filosofie en literatuur één. De mens is, vanzelfsprekend, bijgelovig lang voor hij wetenschappelijk wordt; hij siddert voor het bovennatuurlijke lang voor hij de natuur meester is geworden.
In onze dagen bekijken wij het probleem van de Natuur en God in een nieuw licht, het licht van de wetenschap, of van de geëmancipeerde menselijke rede, en de oude mythen betekenen nog weinig voor ons. Wij aanvaarden de natuur zoals wij die aantreffen en wij hebben geen nood aan de tussenkomst van een God die erachter verborgen zit en die er boven staat. De wetenschap maakt een einde aan goedgelovigheid en bijgeloof, maar voor een evenwichtige geest bevordert zij het gevoel van verwondering, van verering en van verwantschap dat wij voelen in aanwezigheid van het wonderbare universum.
Het woord God heeft zo lang gestaan voor de opvatting van een wezen dat bestaat naast de Natuur, die de Natuur vormt en beheerst als haar maker en schepper. Het is een onderdeel van de opvatting van tweeledig of meervoudig universum, God en de Natuur. Dit botst met mijn aanvoelen van de eenheid van de schepping.
Het komt me voor dat er geen andere passende oplossing is voor heel het probleem van het leven en de Natuur dan wat men het Pantheïsme noemt, dat geest en materie, eindig en Oneindig vereenzelvigt en dat in al die diverse manifestaties één absoluut wezen ziet. Zoals Emerson naar waarheid zegt, pantheïsme kleineert God niet, het maakt hem groot. God wordt het ene en enige ultieme feit dat het universum vervult en waarvan we net zo min kunnen vervreemd worden dan we kunnen ontsnappen aan de zwaartekracht.
Een Pantheïst ziet het leven als een geheel. De mens is niet de uitzondering, maar een deel van het grotere plan. Het levensprincipe in hem is hetzelfde als in al het andere dat leeft. In het onkruid, de boom en in de mens is het principe het zelfde. Wat die organiserende kracht ingesteld heeft en ze zo heeft beïndrukt dat ze gaat van lagere vormen tot de hogere en zo het hele drama van de evolutie ontvouwt door de geologische tijden heen, dat is het mysterie der mysteriën. Om dit mysterie te doorgronden, heeft de mens goden uitgevonden en scheppingsdaden.
Maar een God die buiten de Natuur staat, is voor mij ondenkbaar en de wetenschap vindt van nergens een definitief geschapen begin terug, zij vindt enkel verandering, ontwikkeling.
De mens is goed op weg om in te zien dat toewijding tot de waarheid de essentie is van echte religie, en dat de aller-slechtste soort van ongodsdienstigheid bestaat in het aanvaarden van belijdenissen en vormelijkheden zonder ze te onderzoeken, of louter op gezag van een boek of een sekte. De verantwoordelijkheid berust bij onszelf.
Wanneer wij ons plaatsen in de Natuur waaruit wij voortgekomen zijn, of als wij onszelf daarin objectief bekijken, met onze deugden, betrachtingen, onze ondeugden en onze verdorvenheid, dan zaaien wij de zaden van onze religie. Op die manier maken wij de wereld waarin we leven, en op zijn beurt maakt de wereld ons. Op die manier houdt het goddelijke in ons gelijke tred met het goddelijke dat wij zien in de Natuur. En op die manier groeit de schoonheid van onze inborst bij het zien van de schoonheid in de inborst van de anderen. Op die manier ontwikkelen en vergroten onze liefde, geloof en hoop en naastenliefde bij het aanschouwen van die zelfde dingen in de wereld om ons heen. Zo zit het universum ineen en dat is al wat we erover te zeggen hebben.
Wij zoeken meer en meer naar een natuurlijke basis voor onze gedragsregels, voor ons altruïsme, voor onze cultuurinstellingen, voor gans ons ethisch systeem. Een principe dat in overeenstemming is met de natuurwet is waarlijk gevestigd op een rots. De sterren in hun banen ijveren voor een zijnsgrond die gevestigd is op natuurrecht; in de menselijke betrekkingen betekent dit niet het recht van de sterksten om de zwakkeren te vertrappelen, maar het recht van alles, mens dier en plant al gelijk, op de volle maat van hun vrije ontplooiing.
De Universele Natuur, zoals die tot uiting komt bij niet-levende lichamen en krachten, kent goed noch kwaad, maar enkel kracht. Natuurwetten en scheikundige processen, machines en industrieën hebben geen bewustzijn. Maar de mens wel, en dit feit zal op termijn bepalend zijn voor de loop van het heil van de mens en voor zijn overleven.
Pantheïsme staat voor rechtgeaardheid, zo zeker als het staat voor gezondheid en verscheidenheid. Welke triomfen arrogantie en vernielzucht ook mogen oogsten, uiteindelijk moeten zij hun nederlaag erkennen, anders heeft de Evolutie tot een miskraam geleid en is haar laatste product, de morele natuur van de mens, slechts stof en as.
Hoe belangrijk kan een benaming zijn! Wanneer wij de kracht die achter alles schuilt God noemen, dan ruikt dat naar geloofsbelijdenissen en systemen, naar bijgeloof, onverdraagzaamheid en vervolging; maar als we het de Natuur noemen, dan geurt het naar lente en zomer, naar groene velden en bloesemende bossen, naar vogels en bloemen en de lucht en de sterren. Ik geef toe dat het ook de geur heeft van tornado’s en aardbevingen, van oerwouden en wildernis, van ziekte en dood ook, maar al die dingen maken het voor ons nog meer reëel voor ons om over God te denken in termen van de universele Natuur – een Natuur-God waarin we werkelijk leven en bewegen en ons wezen vinden, waarmee onze relatie zo intiem is en zo constant als dat van een baby in de moederschoot, of van een appel aan een twijg. Dat is de God die de wetenschap en de rede ons onthullen – de God die wij met onze handen aanraken, zien met onze ogen, horen met onze oren, en waaraan ontsnappen niet mogelijk is – een God die we dienen en behagen met onze werken, niet met woorden, en wiens eredienst daden zijn, en wiens rechtvaardiging gelegen is in onze aanpassing aan zijn wetten en in het gebruik dat wij maken van zijn overvloed, een God die werkelijk bestaat in alle eeuwen der eeuwen.
(uit Accepting the Universe, 1920).


















