Spoorwegstaking


Zullen we het eens over de staking hebben? Niet dat ik er veel last van heb: als gepensioneerde hoef ik niet meer elke morgen in de rat race naar het werk en ben ik dus niet aangewezen op het openbaar vervoer en ook niet op de koning van de weg, de auto. Maar ook tijdens mijn loopbaan heb ik altijd alternatieven gebruikt: de fiets, aanvankelijk, daarna een vorm van samen-rijden met vrouw en kinderen en later, om minder afhankelijk te zijn en anderen niet tot last: de moto, tot aan mijn ongeval in 2002. Daarna was het de bus, een serieuze aanpassing voor een ‘motard’, maar ik leerde het betrekkelijk comfort snel appreciëren, zeker in de winter…
De spoorwegen in België, het is een stukje vaderlandse geschiedenis, ze zijn samen met België ontstaan en zijn een weerspiegeling van dit gekke, gezellige, kleinburgerlijke landje.
Als ik voor een gesloten overweg sta en een trein voorbij zie razen, ben ik altijd vreselijk onder de indruk van dat geweld, die mastodont die zonder zich om anderen te bekommeren over eigen sporen snelt, een transporttoestel zwaarder dan de grootste supertruck, motoren met een vermogen dat elke verbeelding tart, wagons met meer ruimte dan in de chicste autocar, een locomotief als een rijdende krachtcentrale, het is allemaal zo indrukwekkend, zelfs bij een boemeltreintje tussen Eeklo en Gent, of Wezemaal en Leuven, om nog te zwijgen van TGV’s, HST’s, Thalys en Eurostar, Japanse Bullets of Shinkansen, of magneettreinen die tien millimeter boven de sporen zweven en tot 500 km per uur halen, nog meer dus dan de 400 km/u waartoe de ‘gewone’ elektrische HST-treinen in staat zijn.
De spoorweg is zo’n ongelooflijk groots project dat enkel de staat zelf het kan bekostigen. En daarmee zijn we bij de grond van de zaak beland. Het spoorwegverkeer zag men van bij de aanvang als een openbare dienst: iedereen mocht meerijden, de prijzen waren heel schappelijk, het was een democratisch vervoersmiddel, al waren er drie klassen in de wagons en weerspiegelde het verschil tussen eerste en derde klasse de afstand die er lag tussen de salons van de adel en de sloppen in de grootsteden. Wie bij de spoorwegen werkte, was een staatsambtenaar en was binnen voor het leven, met een behoorlijke wedde, extra voordelen zoals gratis reizen voor de hele familie en een aantrekkelijk pensioen.
Al heel snel hebben de vakbonden een belangrijke plaats ingenomen in wat een van de grootste bedrijven van België was. En het was op en top een staatsbedrijf, zoals de ministeries en het onderwijs en de nutsvoorzieningen, water, gas, elektriciteit. Het was het Russische communisme ingeplant in een liberale kapitalistische economie, met de kwalen van beide: staatsbedrijven zijn log, conservatief, weinig bezorgd om de klanten of om winst en goed beheer; en het kapitalisme had er een gemakkelijke prooi aan voor fabuleuze winsten voor minderwaardige producten.
Vandaag zitten we met die erfenis en geen mens die weet hoe het nu verder moet: er is sprake van liberalisering, maar de staat blijft de enige aandeelhouder en betaalt alle rekeningen met ons belastingsgeld. Er zijn beheerders die ‘verantwoordelijkheid dragen’, maar ze zijn stuk voor stuk politiek benoemd: de duurste socialisten ter wereld. De vakbonden zijn oppermachtig: het is hun bedrijf, niet dat van de managers; zij beslissen wat er gebeurt op de werkvloer, hoeveel mensen er nodig zijn, wie er benoemd wordt en wie niet en wie bevorderd wordt en wie niet. In een ideale wereld is een dergelijke regeling de hemel op aarde, maar in de werkelijkheid is het een formule die chaos garandeert en onvoorstelbaar hoge kosten voor een ‘minimale dienstverlening’.
Als de beide partijen, de managers en de vakbonden het niet eens zijn, dan grijpen de vakbonden naar het enige wapen dat de arbeiders in de negentiende eeuw hadden: de staking.
Maar we zijn nu tweehonderd jaar later… De conflictrelatie tussen werkgever en werknemer is nu een overlegeconomie. Er zijn geen vooroorlogse ‘bazen’ meer: rond de onderhandelingstafel zitten aan de ene kant vakbondsmensen die een politiek mandaat ambiëren en aan de andere kant ex-vakbondsmensen die… een politiek mandaat hadden en dat ingeruild hebben voor een nog beter betaalde managersfunctie bij de spoorweg. Wat maken ze ons wijs? Het zijn allemaal syndicalisten die hun persoonlijke vetes uitvechten en hun ambities waarmaken of hun verworven rechten verdedigen. Dit conflict is geen klassenstrijd, maar een strijd binnen één klasse. Het stakingsrecht wordt opgeëist door zeer welgestelde vakbondsafgevaardigden, in naam van welgestelde werknemers, in confrontatie met uiterst welgestelde gearriveerde vakbondsafgevaardigden en politiekers. Het kapitalisme heeft geen vat op de spoorwegen, heeft er geen vertegenwoordigers, maar vreet zich cynisch vet zoals vroeger op de fabuleuze contracten die er elke dag af te sluiten zijn.
Dit is geen sociaal conflict, geen gevecht tegen het grootkapitaal. Dit is een laaghartige machtsstrijd binnen een klasse van zelfbenoemde zetbazen, onder het mom van een gefaalde en vergeten ideologie, met 19de-eeuwse middelen. Vandaag staken ze, morgen gaan ze weer rond de tafel zitten, ex- en toekomstige collega’s, vriendjes ondereen, om de koek onder elkaar te verdelen, de koek die jij en ik betalen en waarvan wij zelf nauwelijks de kruimels krijgen. Als ze morgen met elkaar kunnen spreken, waarom dan vandaag niet? Wat verandert een stakingsdag daaraan? Hoever zijn de vakbonden bereid te gaan om zich te verzetten tegen wat zij de pesterijen van het management noemen, terwijl de zogenaamde managers die gisteren nog bij de vakbond of de politiek dezelfde belangen verdedigden, nu neokapitalistisch zuchten en verontwaardigd wijzen op het onverzettelijke conservatisme en aftands corporatisme van de syndicalisten, een anomalie in onze moderne samenleving?
Het is een merkwaardig schouwspel: één zelfde groep van mensen, allemaal betaalde vrijgestelden van de maatschappij: politiekers, kabinetsmedewerkers, vakbondsafgevaardigden en politiek of syndicaal benoemden, zitten elkaar in het haar over heilige principes en vullen intussen de eigen zakken en bereiden hun overgang van de ene naar de andere kant van de tafel voor, met nog diepere zakken in het verschiet.
Daarbij zitten ze wel altijd in uw zakken en de mijne, wel te verstaan, niet in die van het grootkapitaal.
En de echte bazen, de minister, de regering, weer dezelfde mensen natuurlijk, die kijken machteloos toe.
Verschieten we dan nog als populisten en andere raddraaiers weer succes zullen hebben bij de verkiezingen in dit gezellige, waanzinnige, kleinzielige landje van ons?


















