Wraak!


Aansluitend bij de overwegingen over schuld en boete van gisteren, wil ik nog even stilstaan bij de problematiek van de bestraffing.
Een eerste voorwaarde voor een bestraffing die zinvol is voor de dader is deze: de dader moet verantwoordelijk zijn en zich daarvan ook bewust zijn of het worden. Ik verklaar mij nader: als een kind van zes jaar bij het spelen met het geladen wapen van zijn vader een vriendje ombrengt, dan zal niemand er zelfs maar aan denken om dat kind voor de rechter te slepen: het is duidelijk niet verantwoordelijk voor zijn daden. Een chauffeur die betrokken is in een ongeval waarbij een dode valt, maar die helemaal niet in fout is, wordt niet vervolgd, ook al heeft hij met zijn wagen de dood veroorzaakt van een medemens. Soms is het nodig mensen van hun verantwoordelijkheid te overtuigen. Zo zijn er in Amerika processen gevoerd tegen bedrijfsleiders in verband met de schadelijke gevolgen van tabak en van asbest voor het publiek en voor de arbeiders. Toen kon aangetoond worden dat zij op de hoogte waren van de gevaren en ze met opzet verborgen, kon men hen aansprakelijk stellen. Nazi-kopstukken en ook ondergeschikte kapo’s verdedigden zich met de Neurenberg-defensie: Befehl ist Befehl (zie 17.10.2007). Toch kan men ook daar aantonen dat er geen excuus is voor wandaden, dat elke mens verantwoordelijk is voor wat hij doet.
De reden daarvoor is dat elke mens beschikt over een geweten. Welke beschaving men ook bekijkt, overal vindt men terug dat men niet mag moorden, stelen, verkrachten, men hoeft dat niet uit te leggen, het ligt vast in de basispatronen van ons verstand. Niemand kan zeggen dat hij dat niet wist en dus kan iedereen ter verantwoording geroepen worden. Wie zou twijfelen, kan overtuigd worden, zoals in Neurenberg gebeurd is aan de hand van de gruwelijke filmbeelden: toen Göring die had gezien, wist hij dat geen enkele verdediging hem nog kon redden.
Als men dan te maken heeft met verantwoordelijke daders, dan is de straf erop gericht om hen ervan te weerhouden om hun misdaden opnieuw te plegen. De straf moet hen bewust maken van de ernst van hun overtreding, van het kwaad dat zij berokkend hebben aan hun slachtoffer en van het belang dat de maatschappij hecht aan het vermijden van dergelijke misdaden. Daarnaast kan het bestraffen van feiten ook dienen om anderen ervan te weerhouden gelijksoortige misdaden te plegen. Dat is op zichzelf ook een voldoende reden om een straf uit te spreken, bijvoorbeeld als er weinig kans is dat de misdadiger zelf ooit nog opnieuw zou beginnen; dat is de reden waarom het zinvol was om stokoude oorlogsmisdadigers toch nog te berechten en waarom we blijven eisen dat Mladic en Karadzic voor de rechtbank komen, ook al weten we dat ze allicht nooit meer zullen (kunnen) doen wat ze gedaan hebben.
Vaak eist het publiek ‘gerechtigheid’: de misdadiger moet zijn verdiende loon krijgen, hij of zij mag niet ongestraft blijven. Ook dat is een vorm van afschrikking, want wat is anders het nut van de doodstraf of levenslange opsluiting voor moord? De straf brengt de overledene, het echte slachtoffer niet terug en baat evenmin de overlevende familieleden, tenzij emotioneel, in het gevoel dat gerechtigheid is geschied, maar is dat een voldoende reden om iemand om te brengen of levenslang te geven?
Toch mogen we daaruit nooit besluiten dat bestraffen zinloos zou zijn, integendeel: wie zich straffeloos weet, of boven de wet verheven voelt, zal meer geneigd zijn om misdaden te plegen. Eigenlijk zouden we de misdadigers moeten kunnen straffen vóór hun misdaad, dan pas zou de straf echt zinvol zijn. Nu moeten we ons tevreden stellen met een minder volmaakte bestraffing na de feiten, die misschien vooral als functie heeft de orde in de maatschappij te handhaven.
Voor godsdienstige mensen is het nog duidelijker: ook als men niet betrapt wordt, weet God alles. Hij zal niets door de vingers zien en alles bestraffen. In de Romeinenbrief, 12, 19 zegt Paulus: ‘Geliefden, wreekt u niet, maar laat het over aan de Toorn; want er staat geschreven: Aan mij is de wraak; ik zal vergelden, zegt de Heer.’ De verwijzing is naar Deuteronomium 32,35. Vengeance is mine!
In vroegere tijden waren de straffen pas echt afschrikkend, tot het gruwelijke toe. Wij gruwen vandaag van landen waar dat nog steeds gebeurt, zoals een aantal Islam-staten, maar ook China en zelfs de Verenigde Staten, die maar niet willen afstappen van de uitvoering van de doodstraf. Dat bewijst dat wij de straf niet louter zien als letterlijke afschrikking, anders zouden we de straf wel zo verschrikkelijk maken dat niemand er zou aan denken om ook maar één stap verkeerd te zetten. Wij weten dat dat niet werkt, en dus stellen we ons tevreden met een mindere, soms zelfs symbolische straf, waarbij het principe van de straf behouden wordt, maar de praktijk vrijwel op niets neerkomt, zoals bij opschorting van straf of voorwaardelijke veroordeling.
Een straf kan ook pure zelfverdediging zijn vanwege de maatschappij. Dat is wat de minister van Justitie bedoelde toen hij zei dat er voldoende plaatsen moeten zijn om jeugdige delinquenten die ernstige feiten gepleegd hebben, op te sluiten: wij willen het risico niet lopen dat ze morgen opnieuw beginnen. Het zelfde met andere zware misdadigers: weg ermee, en voor lang genoeg! Vaak gaat het inderdaad om recidivisten, mensen die niet aan hun proefstuk zijn en die geen teken van berouw geven of zelfs maar van schuldbewustzijn. De vraag is dan: voor hoelang? Wat als ze weer vrij komen? En vooral: helpt het wel? Worden ze beter in de gevangenis? Of juist niet?
Een lezer wees me erop dat ik in mijn vorige bijdrage wel (kort) over de rechten van de daders gesproken heb, maar niet over de slachtoffers. Ook vandaag heb ik de slachtoffers enkel in het voorbijgaan vermeld. Laten we duidelijk zijn: wanneer we spreken over het beschermen van de maatschappij, door het bestraffen van misdadigers in de hoop dat zij en anderen daardoor minder misdaden zullen plegen, dan hebben we het eigenlijk alleen over de slachtoffers; misdaden worden altijd begaan op iemand: iemand wordt bestolen, vermoord, verkracht. Wanneer we de slachtoffers niet kunnen vergoeden, bijvoorbeeld omdat zij vermoord zijn, dan is de bestraffing heel duidelijk een signaal naar de maatschappij, want het echte slachtoffer heeft daar niets aan; ook als we aan de nabestaanden een vergoeding toekennen, brengt dat de overledene niet terug. Toch is dat zinvol, want zo maken we voor iedereen duidelijk dat wij misdaden niet zullen toelaten, dat wij geen maatschappij willen waarin mensen, om welke reden dan ook, daden mogen stellen die wij als mens ontoelaatbaar achten.
De laatste jaren is men zeer terecht veel aandacht gaan schenken en ook meer middelen gaan vrijmaken voor slachtofferhulp in de vorm van psychologische, administratieve en juridische bijstand van slachtoffers en van hun directe omgeving. Dat is een zeer gelukkige evolutie en een noodzakelijke aanvulling bij de rechten van de beschuldigden.
Laten we om af te sluiten bedenken dat ook ons rechtssysteem ‘maar’ mensenwerk is. Ik heb hier al vaker gewezen op de evidente gebreken, waarvan we helaas al te vaak voorbeelden krijgen. Maar wij hebben het geluk te leven in een rechtsstaat en dat is in deze wereld eerder de uitzondering dan de regel. Geen van ons wenst te ruilen met welk ander land ter wereld dan ook. Ook ik denk wel eens: pas de Sharia toe op gauwdieven (zowel Vlaamse, allochtone Belgische, Oost-Europese &c.), hak hen een hand af, dan kunnen ze ten hoogste twee keer stelen. Maar wie wil in een land leven waar mensen op dergelijke barbaarse manier met elkaar omgaan, zelfs bij misdaden? Wij sluiten iemand als Dutroux op, wij martelen hem niet, wij beroven hem niet van het leven. Mochten wij dat wel doen, dan waren we uiteindelijk geen haar beter dan hij. Ook wij zeggen: de wraak behoort ons niet toe, want wie zich wreekt, begaat op zijn beurt een misdaad. In een beschaafde wereld mag enkel de Staat geweld gebruiken, niet uit wraak, maar enkel ter bescherming van de maatschappij, sereen maar beslist, sine ira et studio.




















