Psalm 23


In een van de beste boeken van John Le Carré, zijn meest autobiografische ook: The Perfect Spy (1986), drukt de hoofdfiguur, een Britse spion die door de Tsjechische geheime dienst ‘gekeerd’ is, zijn diepste gevoelens uit tegenover zijn Tsjechische ‘baas’, de man die hem zijn instructies geeft: ‘Je geeft me het gevoel dat ik goed geleid word’.
Sommige mensen hebben daar behoefte aan, om geleid te worden. Ze hebben nood aan voorschriften, aan een kader waarin zij zich bewegen, aan voorspelbaarheid, aan afspraken, aan beloftes die nagekomen worden, aan vaste plaatsen voor alles en iedereen. Zij willen kunnen rekenen op iemand of iets dat boven hen staat en leiding geeft, bevelen zelfs, iemand die zegt hoe het moet, die de beslissingen neemt die zij uitvoeren. Vroeger, zegt men, was alles zo geregeld, tot en met de tweede Wereldoorlog. Als je het bevel kreeg om te vechten, te sterven voor je vaderland, dan deed je dat ook. Befehl ist Befehl, ook als dat betekent dat je onschuldige mensen moet afslachten. Dat is het uiterste, natuurlijk, maar het is slechts de eindterm van een levenshouding die begint met het aanvaarden van een hogere autoriteit, van gezag.
Mensen lijken soms maar al te graag te bedanken voor verantwoordelijkheid, het denken over te laten aan anderen. Niet te hoeven piekeren, ziet men als een voordeel, een gemakkelijker situatie. Werken in een grote organisatie biedt daartoe de gelegenheid: men is een onderdeel van een grotere structuur, waarin het heel moeilijk is precies aan te geven wie verantwoordelijk is. De grote lijnen worden aan de top vastgelegd en dat is dat, de rest is enkel nog uitvoeren, bij voorkeur zo goed mogelijk, maar zonder af te wijken van de basisdoelstellingen, zonder de principes in vraag te stellen, zonder veel zorgen om de gevolgen.
Sommige mensen kunnen niet functioneren, niet leven zonder zo’n kader, kunnen niet leven op het scherp van de snee, waarin hun doen en laten voortdurend in vraag wordt gesteld. Mensen hebben nood aan zekerheden. En waar kan men beter zekerheden vinden dan in een religie?
Wij zijn allen vertrouwd met Psalm 23. Wij hebben de tekst gehoord en gezongen in de kerk; talloze keren hebben we er citaten uit gelezen, hij behoort tot ons cultureel erfgoed. Dit is de bekende korte tekst:
23
Een psalm van David.
De HEER is mijn herder,
het ontbreekt mij aan niets.
Hij laat mij rusten in groene weiden
en voert mij naar vredig water,
hij geeft mij nieuwe kracht
en leidt mij langs veilige paden
tot eer van zijn naam.
Al gaat mijn weg
door een donker dal,
ik vrees geen gevaar,
want u bent bij mij,
uw stok en uw staf,
zij geven mij moed.
U nodigt mij aan tafel
voor het oog van de vijand,
u zalft mijn hoofd met olie,
mijn beker vloeit over.
Geluk en genade volgen mij
alle dagen van mijn leven,
ik keer terug in het huis van de HEER
tot in lengte van dagen.
De Nieuwe Bijbelvertaling © 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap
In Amerikaanse films is dit de tekst die hulpeloze kapelaans in het oor fluisteren van ter dood veroordeelden op weg naar de galg, de gaskamer of de elektrische stoel. Vooral my cup runneth over heeft me altijd gechoqueerd, eens ik het begreep, want ik heb lang gedacht dat het overlopen van de beker niet sloeg op een overvloed, maar op het leeglopen ervan, de naderende dood. Maar nee: met de dood voor ogen, even if I walk in the shadow of the valley of Death, de ijzingwekkende Engelse versie van het wat slappe ‘al moet ik door donkere krochten heen’, zelfs daar ben ik veilig, meer nog, mijn beker is zo vol dat hij overloopt. Straffe taal.
Deze psalm is de perfecte illustratie van het vertrouwen, het gevoel van veiligheid en de zekerheden die mensen zoeken en vinden in het geloof. Zij zijn als schapen in een kudde, geleid door een Herder met hoofdletter en dat is hun ideaal: genieten van al het goede van deze wereld, omdat iemand de weg weet naar de volgende drenkplaats, naar weiden waar het gras nog groen is, waar rust is en bescherming: een veilig huis.
Maar het is ook mogelijk om anders te denken, om op een andere manier in het leven te staan. Niet arrogant en overmoedig, maar ook niet als een schaap. Een mens kan ook gelukkig zijn als hij of zij geniet van al het goede van deze wereld, niet omdat Iemand of iets de weg weet en wijst, maar omdat de mens ook zelf het goede kan vinden, zonder een Herder, een Leider, een Grote Roerganger. Deze wereld is niet noodzakelijk een valley of Death, geen donkere krocht, al zijn er wel schaduwen en krochten, natuurlijk. Mensen kunnen ook leven zonder voortdurend te moeten denken dat iemand of iets voor hen zorgt, zonder erop te rekenen dat het hen wel goed zal gaan, omdat zij geborgen zijn in de liefde van een hoger wezen.
Gisteren schreef ik hier nog mijn geluk uit, ter gelegenheid van mijn 50.000ste bezoeker op mijn website, met een citaat uit onze psalm 23: mijn kelk, of beker, vloeit over. Dat gevoel heb ik inderdaad, nu ik geniet van mijn pensioen en de mogelijkheden die het mij biedt, maar ik heb steeds dat gevoel wel wat gehad, mijn leven lang, ook als er schaduwen waren en dood. Leven is zo overweldigend, zo mysterieus, verbijsterend, fascinerend, onbegrijpelijk heerlijk, ook mijn weiden zijn groen en ik kan rusten aan vredige wateren en onbevreesd gaan, ook waar het duister dreigt.
Ik citeer met enige nostalgie enkele vergeten verzen van Karel Van de Woestijne (Zomersonnetten), met echo's naar de psalm:
Vlaanderen, o welig huis waar we zijn als genooden
aan rijke taaflen! - daar nu glooiend zijn de weiden
van zomergranen, die hunne gele meren breiden
naar 't malven Oosten en 't vaag dagerade-rooden,
terwijl de morge'-ontwaakt ter hemel en ter Leie;
wie kan u weten en in 't hart zich niet verblijen,
niet danken om uw dagen, mild als zegen-goden,
gelijk een beedlaar dankt om versche koren-brooden?..
Ook hier is geen sprake van een Herder of Godheid, enkel zegen-goden, het is de wereld zelf, ons Vlaanderen dat geprezen en gedankt wordt als welig huis waar wij mogen wonen en aanzitten aan rijke tafelen, ónze tafels.
Hier in Rotselaar (waarvan Werchter een deelgemeente is) is onlangs een standbeeld opgericht, achter het nieuwe gemeentehuis, voor Frans Drijvers, die 125 jaar geleden de bekende leuze ‘Alles voor Vlaanderen - Vlaanderen voor Kristus’ bedacht. De seminarist Frans Drijvers (1858-1914) uit Rotselaar gebruikte ze in het jongerentijdschrift ‘De Student’, tijdens de winter van 1880-1881 aan het grootseminarie van Mechelen. De oprichters werden gesteund door Jan Bols uit Werchter, toen directeur van het Sint-Jozefscollege in Aarschot. Op het eerste nummer (17 april 1881) stond een kruis met daaronder de leuze. In 1930 hield ‘De Student’ op te bestaan.
In de krant van zaterdag 27 september 1919 stond voor het eerst, in de bekende kruisvorm, links naast ‘De Standaard’ het AVV-VVK. Het verdween bijna geruisloos na 30 september 1999.
Ook mijn ouders waren zeer gehecht aan die band tussen Vlaanderen en Kristus, iets minder aan die tussen Kerk en Vlaanderen, want ook daar gold ‘Arm Vlaanderen, dat al zo vaak verraden is…’, een vers dat mijn Vader zaliger nog kon voleindigen, maar ik niet meer, was het van Wies Moens? Misschien kan een lezer me helpen…
Ik citeer hier ten slotte in deze context graag het Nieuwjaarsgedicht 1990 van collega-cultuurblogger en pennenvriend Luc Verbeke, hij zal het me wel niet kwalijk nemen. Het illustreert, bij het mijmeren over de tijd en het heenglijden der jaren, in de slotverzen op indringende wijze die zelfde Godsverbondenheid, dat zelfde vertrouwen.
Ik weet het meer en meer:
Ik leef in taal en tijd,
Héél even maar.
Terwijl ik spreek of schrijf
Één enkel woord,
Is ’t woord alweer voorbij.
Géén ogenblik, geen woord
Keert ooit terug voor mij.
Geen nu, geen heden meer,
Alleen verleden tijd,
Herinnering, niets méér
En nutteloos,
Verleden en verloren,
Als Gij daar, God, niet zijt,
Het Woord van het Begin,
Het Woord van Eeuwigheid.


















