Olympische gekte


Vrijdag beginnen de Olympische spelen. Wat oorspronkelijk een lovenswaardig sobere sportieve competitie was voor een beperkt aantal van de beste atleten ter wereld in een beperkt aantal disciplines is uitgegroeid tot een totaalspektakel voor vele duizenden professionele of quasi-professionele topsporters en hun begeleiders, in een myriade van sporttakken, sommige te gek om op te noemen, in een gigantisch kader, met mondiale media-aandacht, imponerende veiligheidsmaatregelen en een aankleding waarbij zelfs de hipste shows van Le cirque dus soleil verbleken. Het is indrukwekkend, maar het is teveel: het hoeft niet meer voor mij, ik kan mij niet vereenzelvigen met het spektakel, met het statuut van de sporters, met de onvermijdelijke doping en terreurdreiging, met de omvang, met de kosten en de gevolgen voor simpele mensen die in de weg lopen, staan of wonen van de Olympische juggernaut. Ik zal niet veel kijken, vrees ik.
Ik denk vaak aan vroeger, een typische gewoonte van ouder wordende mensen, zegt men, maar ik heb het altijd al gedaan; ik probeer te begrijpen wat er vroeger gebeurd is met mij en mijn omgeving, oorzaken en redenen te achterhalen die ik toen niet doorhad, gebeurtenissen zin te geven die ze niet hadden, gevoelens te verklaren die me toen uit mijn lood sloegen.
Een van de belangrijkste principes in onze opvoeding was vergelijkbaar met de Olympische gedachte, vertolkt in het Latijnse adagium Citius, altius, fortius: sneller, hoger, sterker. Wij moesten de beste zijn, altijd en overal, of dat toch zeker proberen: alles was een wedstrijd, een prijskamp, alles was competitie en alleen naar de winnaar werd gekeken. Als je het zelf was, dan pas was het goed; was je het (weer!) niet, zelfs net niet, dan was je een mislukkeling. De besten werden ons voortdurend en verwijtend voorgehouden als lichtende voorbeelden, onze povere prestaties werden steeds vergeleken met al dan niet bereikbare idealen. Ontelbaar zijn de verhalen van kinderen die met hun rapport thuiskwamen en maar één commentaar kregen, namelijk over dat ene cijfer dat wat lager was, geen woord over al de goede… We moesten meer ons best doen, we hadden ons best niet gedaan, dat kon beter: alleen het beste was goed genoeg, alleen de beste was een goede.
En dat terwijl er in een klas vaak dertig leerlingen zaten en er maar één ‘zijnen eersten’ kon zijn, zo zegden wij dat toen: ‘hij was zijnen eersten’, de primus. En wie uitzonderlijk zes jaar lang elk jaar de eerste was, dat was de ‘primus perpetuus’, die zou het ver brengen. De eerste drie, dat waren goeie, al de rest: het spreken niet waard. Je had de knappe koppen en al de rest, de goede en de waardeloze, de slechte, zij die het ideaal bereikten en zij die tekortschoten, wit en zwart, licht en donker:
Denn die einen sind im Dunkeln
Und die andern sind im Licht.
Und man siehet die im Lichte
Die im Dunkeln sieht man nicht.
Dit is de slotstrofe die Bertolt Brecht in 1930 schreef voor de film naar zijn Dreigroschenoper, te zingen op de wijs van Die Moritat von Mackie Messer, waarmee het stuk begint en dat we allemaal kennen als ‘Mac the Knife’.
De enen zijn in ’t donker
En de anderen in het licht.
Die in ’t licht ziet men
Die in ’t donker ziet men niet.
Het is weer de ellendige zwart-wit-tegenstelling, zonder enige schakering. Dat zal het straks ook zijn in Beijing/Peking: alleen de medailles tellen. Vreemd, want in de oorspronkelijke betekenis was een medaille vrijwel waardeloos: wij hebben het woord van het Frans, dat het geleend heeft van het Italiaans, dat teruggaat op het Latijn medialia: halfjes, een halve denarius bijvoorbeeld; rond 1750 begon men onder die naam allerlei penningen te maken die geen geldwaarde hadden, vooral in bedevaartsoorden, wij hebben dat nog gekend in onze jeugd, we droegen zo’n ‘medaldekens’ aan een kettinkje om de hals.
Wie naast de medailles ‘grijpt’ en naast het podium ‘valt’, die heeft brute pech, hij of zij wordt niet vermeld, tenzij het een Belg is, want veel medailles zullen we wellicht niet rapen.
Het is alsof er maar twee uitersten zijn: de beste tijd en geen tijd, alsof de vierde sprinter niet 1/1000 van een seconde na de derde over de meet kwam, maar ettelijke uren later of helemaal niet. In de colleges prijkte de primus op het podium, zelfs met een lauwerkransje en een stapel prijsboeken. De klasgenootjes konden er naar kijken en giezen.
De werkelijkheid is anders: ook buiten de sport lopen de begaafdheden over een curve die gaat van het ene uiterste tot het andere, van 0 tot 100 en als je op de andere as het aantal personen zet, dan kan die curve allerlei vormen aannemen, maar de meest waarschijnlijke is een vloeiende lijn: er is maar één de beste, maar de tweede is niet veel slechter en zo verder, zelfs de duizendste deelnemer eindigt waarschijnlijk niet op nul maar op een verdienstelijke 75 of zo. Natuurlijk is er een enorm verschil tussen Einstein en jij en ik, maar dat degradeert ons toch niet tot volmaakte idioten?
Wat ik wil zeggen is dit: mensen hebben allerlei begaafdheden en hebben die in verschillende mate en in verschillende combinaties. Er is niemand die op alle punten het hoogst mogelijke menselijke ideaal bereikt: Einstein die ook de honderd meter wint en de marathon en de tienkamp en ook Mister Universe is en de rijkste man ter wereld en operazanger en vioolvirtuoos en de Nobelprijs voor literatuur krijgt en…
Naast Einstein zijn er miljoenen geleerden die niet zó slim zijn, maar toch behoorlijk knap. Miss Universe zonder make-up en in jeans zou je op straat waarschijnlijk niet eens nakijken.
Je kan het de mensen niet kwalijk nemen dat ze geen genieën zijn. Dat is het wrange gevoel dat ik aan mijn opvoeding heb overgehouden: er werd te veel van ons verwacht en als we het niet konden waarmaken, dan was dat een enorme teleurstelling en hadden we alle reden om ons schuldig te voelen. Alle aandacht ging naar de primus.
Ik was niet goed in wiskunde. Niet dat ik dat niet graag deed, in tegendeel: wat ik ervan snapte, deed ik heel graag. Maar ik bereikte snel mijn grens: een ingewikkelde algebraïsche vergelijking kon je me tien keer uitleggen: ik zag het gewoon niet. Mijn oudste zoon daarentegen heeft daar nooit veel moeite mee gehad: hij heeft het meteen door en verbaast zich over het feit dat iemand anders het niet ziet. Het is ook niet dat ik lui was, dat ik er niet voor werkte: ik wou wel, maar het was niets gekort: ik zag het niet, ik zou nooit goed zijn in wiskunde en dat was dat, ik moest me daarbij neerleggen. Het zelfde met artistieke begaafdheid: hoe zeer ik me ook voor alle mogelijke kunstvormen interesseer, ik ben een kluns voor het uitvoeren. Andere mensen zijn onmiddellijk weg met een instrument, ik kan krijg zelfs op een blokfluit ook mits lang te oefenen geen eenvoudige melodie gespeeld zonder fouten. Dat is voor mij al heel mijn leven een danige bron van frustratie, maar ik heb het moeten leren aanvaarden.
Mensen hebben hun beperkingen en wellicht betreuren zij dat zelf nog het meest, zoals ik mijn onvermogen om muziek te maken. Het heeft geen zin om hen daarvoor met de vinger te wijzen, tenzij zij er zelf de oorzaak zouden van zijn. Maar veel vaker gaat het om het ontbreken van een begaafdheid, om een minder dan optimaal ontwikkelde vaardigheid, omwille van iets in de genen, letterlijk of figuurlijk, of in de omstandigheden van de familie en de opvoeding, de omgeving… We moeten ons verheugen over de mensen die de hoogste toppen scheren, maar het is verkeerd om een moreel oordeel uit te spreken over wie het met veel minder moet stellen en dan ook veel minder presteert.
Dat is wat me zo tegensteekt in de Olympische spelen: men zegt wel dat deelnemen belangrijker is dan (over)winnen en ook het motto zegt dat, je kan dat hier nalezen: https://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/archief.php?ID=430 maar als je ziet welke onmogelijke, ja onmenselijke inspanningen men zich getroost en naar welke middelen men grijpt om toch maar op het ereschavot te geraken, dan blijkt het tegendeel: man siehet die im Lichte, die im Dunkeln sieht man nicht en dus zijn alle middelen goed, zoals onlangs nog bleek in een ontnuchterende reportage over de Oost-Duitse atletiek- en zwemwonderen: doping op grote schaal, met doden en blijvend gehandicapten bij de overlevenden.
Tussen haakjes: dat ‘schavot’ hebben we van het Fr. échafaud, dat teruggaat op het laat Lat. catafalicum, met daarin het Gr. kata- en het Lat. fala, houten vestingstoren; ook de nog meer lugubere katafalk is daarvan afgeleid: een stellage waarop men een doodskist plaatst.
Ik weet het, dit is de stem van een roepende in de woestijn, om nog maar eens Bijbels te spreken. Straks begint de gekte, of nee: ze is al een hele poos bezig en er is geen weg terug, zelfs niet na Berlijn, Mexico, Moskou of München: die zijn al compleet vergeten.


















