Winterschade


De voorbije winter was anders dan anders. We voelden het aan: het gure weer duurde te lang, de sneeuw bleef veel langer liggen dan andere jaren, de temperaturen waren lager, er was veel minder zonneschijn. Je merkte het ook aan jezelf en aan de mensen om je heen: ook daar was de ‘temperatuur’ dicht bij het vriespunt, het humeur bedenkelijk, het geduld snel op, het lontje kort.
Met het uitbreken van de lente, altijd vrij spectaculair in deze gematigde streken, stelden we vast dat ook de tuin geleden heeft onder de winter. Allerlei planten en struiken die het jaren goed hadden gedaan, zijn plots bezweken onder de vorst. Er zit niets anders op dan ze uit te graven en eventueel te vervangen.
Met de vijver is het eender zo. Er lag weken lang een dikke ijslaag, je kon erop lopen en dat was al enkele jaren geleden. Toen het ijs eindelijk helemaal gesmolten was, dreven hier en daar dode vissen rond, ik had geen wak gemaakt. Toen het wat warmer werd, was ik op de uitkijk naar vissen die het overleefd zouden hebben, maar het enige leven dat ik zag, waren twee groene kikkers aan de rand. Tot gisteren: twee kleine grijze schaduwen, waarschijnlijk vetjes (Leucaspius delineatus); er is nog hoop. Als het nog wat warmer wordt, kopen we misschien nog eens een schooltje goudwinden (Leuciscus idus, var. auratus), die zijn opvallend mooi om zien en zwemmen meestal aan de oppervlakte. Helaas zijn ze precies daarom vaak de prooi van de reiger en de ijsvogel, die maar al te graag op bezoek komen.
De skimmia doet het wel goed, de bloesems geuren heerlijk, maar dit jaar zijn er helemaal geen bijen die zich met honderden tegelijk laten verleiden. De imkers spreken van de verdwijnziekte: ganse populaties vliegen uit om nooit meer terug te komen.
Voor ons, senioren, zijn dergelijke winters dodelijk: de statistieken tonen het aan, er zijn meer sterfgevallen in gure winters. En als we het overleven, dan is het zoals met de rest van de natuur: er is altijd wel wat winterschade. Kleine kwaaltjes die wat hardnekkiger zijn, wat meer grijze haren; je bent ook rapper vermoeid en je komt minder snel op gang. Je denkt dat je wijzer geworden bent, maar je bent alleen wat minder optimistisch, minder toegeeflijk, minder vergevingsgezind, minder mens, misschien.
Winterschade. Het staat niet in Van Dale, hoewel het aantal samenstellingen met winter- indrukwekkend is. Overal zijn de mensen bezig om de geleden schade in tuinen en vijvers te herstellen, de gaten op te vullen in het decor van je dagelijkse omgeving. Maar je zal ze missen: het laurierboompje, de hebe en de andere heesters, de aronskelk; de goudwinden en de zeelt die je hebt uitgezet met de kleinkinderen en die je net als die kleinkinderen al die jaren hebt zien groeien en die op je voetstappen in het gras afkwamen voor hun portie kruimels van de tafel; de tijm, de salie en de rozemarijn die je bijna dagelijks ging plunderen voor de keuken.
Winterschade. Dit jaar heeft ze ook mij dieper gekwetst met onherstelbaar leed dat jaar na jaar het einde naderbij brengt. Ik bekijk deze lente met meewarige achterdocht. Het is aan mij niet meer zo besteed. Ik laat me niet meer om de tuin leiden door de heerlijke kleuren en geuren, de valse beloften van de stralende natuur. Ik weet nu beter dan ooit dat die vernieuwing afbraak en vernieling is. Het oude maakt plaats voor het nieuwe en dat is prachtig, maar net iets minder als je zelf oud bent.




















