Dmitri Sjostakovitsj, strijkkwartet nr. 1

Na de voltooiing van de vijfde symfonie heb ik een heel jaar niets gedaan. Ik heb alleen een kwartet gecomponeerd dat uit vier kleine delen bestaat. Ik begon er zonder bijzondere gedachten of gevoelens aan te schrijven en ging ervan uit dat het niets zou worden. Een kwartet is namelijk een van de moeilijkste muzikale genres. Ik schreef de eerste bladzijde als een soort oefening en dacht er helemaal niet aan het te voltooien of te publiceren. Het werk is mij echter zo gaan boeien, dat ik de rest ongelooflijk snel af had. In dit eerste strijkkwartet van mij moet men niet naar diepzinnigheid zoeken. Het is vrolijk, opgewekt en lyrisch. Ik zou het lenteachtig willen noemen.
Dit schreef Sjostakovitsj in de Izvestia in 1938 over zijn pas afgewerkte eerste strijkkwartet, opus 49 in C groot. Het was geschreven tijdens de zomer en werd op 10 oktober in Leningrad voor het eerst uitgevoerd door het Glazoenov-kwartet. Op 16 november volgde een uitvoering in Moskou door het Beethoven-kwartet, dat later ook alle andere kwartetten in première zou brengen. Aan zijn vriend Ivan Sollertinski schreef hij wat laatdunkend over dit werkje van amper 16 minuten: “Ik heb deel 1 en 4 van plaats verwisseld. Het resultaat is niet bepaald schokkend. Het is erg moeilijk om (een kwartet) goed te componeren, je moet het kunnen.”
Het is goed er altijd aan te denken dat om het even wat er over deze componist geschreven is, door hem zelf of door anderen, altijd cum grano salis moet gelezen worden. Hij was steeds beducht voor Big Brother Stalin en de apparatsjiks en wie over hem schrijft zal altijd moeten gissen naar de werkelijke bedoelingen van de steeds enigmatische en ironische componist; bovendien hadden en hebben heel wat commentaren een eigen agenda, politiek of door andere vooroordelen bepaald.
Met zijn vijfde symfonie van 1937 had Sjostakovitsj zich enigermate weten te rehabiliteren bij de officiële instanties, na de bijna letterlijk moordende kritiek in 1935 op zijn opera ‘Lady Macbeth van Mstensk’ en de terugtrekking van zijn vierde symfonie. Zijn Vijfde was inderdaad een overdonderend publiek succes en de partijkritiek was, misschien juist daarom, wel bar slecht maar niet rechtstreeks bedreigend. In de pers werd de nieuwe symfonie onder meer onthaald als ‘het antwoord van een sovjetartiest op terechte kritiek’, een epitheton amper ornans dat zeker niet van de componist zelf afkomstig is. Het is in die relatieve periode van rust, althans voor Sjostakovitsj zelf, want om hem heen woedde de Stalin-terreur, dat het eerste strijkkwartet tot stand kwam, onpretentieus, zonder veel drama, een inspiratie die opborrelde en niet verdrongen werd.
Al zal er ook bij deze componist onvermijdelijk wel enige rechtmatige schroom aanwezig geweest zijn bij het besef dat hij in de voetsporen trad van geniale voorgangers in dit genre als Haydn, Mozart, Beethoven en Schubert, om maar de allergrootste te noemen, die hij ongetwijfeld kende en zelfs bestudeerd had. In 1931 bewerkte hij al twee van zijn melodieën voor strijkkwartet (opus 30B): een elegie op een aria van Katerina uit ‘Lady Macbeth’, de opera waaraan hij toen werkte en een bewerking van een polka uit het ballet ‘De gouden eeuw’. Hoewel hij in 1938 amper 32 jaar oud was, is zijn eerste kwartet toch het werk van een volwassen meester met al een indrukwekkend oeuvre op zijn naam, de belangrijkste componist van de Sovjet-Unie, beroemd tot in Amerika. We kunnen dus echt niet van een probeersel spreken, een vingeroefening, zoals sommige moderne critici dit eerste kwartet afdoen.
“Ik had scènes uit mijn kinderjaren voor ogen toen ik dit schreef, een ietwat naïeve en heldere lentestemming.” De kinderjaren waarvan sprake speelden zich af in de grauwste armoede tijdens de opstand tegen de tsaar, de eerste wereldoorlog en de Oktoberrevolutie. Idyllisch? Eerder een typisch Sjostakovitsj-grapje van de meer sarcastische soort. Men kan zich overigens ook meer in het algemeen de vraag stellen of het veel zin heeft om een compositie rechtstreeks te verklaren vanuit het leven of de toelichting van de componist. Muziek is abstract, heeft haar eigen universele taal en een vermogen om bij de luisteraar gevoelens op te wekken, in al de schakeringen van afkeer of voorliefde, of onverschilligheid. Natuurlijk is de hele persoonlijkheid van de componist betrokken in zijn creaties, maar zelden op de direct afleesbare manier die sommige critici voorstaan.
Dit zijn de onderdelen van het eerste strijkkwartet, de duur is die van de Borodins:
moderato 4’42”
moderato 4’45”
allegro molto 1’54”
allegro 2’54”.
Wat nu volgt is een poging om de muziek in woorden weer te geven, een onmogelijke opdracht. Ik probeer het eens, we zien wel waar we uitkomen.
Het eerste deel, moderato, begint met een voorstelling van een muzikale gedachte door de vier strijkers samen. Meteen is duidelijk dat dit moderne muziek is: geen gemakkelijke, eenvoudige melodie die meteen herhaald wordt, zoals bij Haydn of Mozart. Het is een langer, minder evident thema, een moderne Bach, een wat valse Valse triste, met eerder ongewone samenklanken, zelfs dissonanten tussen de vier instrumenten. De eerste viool gaat verder op dit thema, begeleid door de cello, nadrukkelijk met een eigen verhaal, en dan de andere violen. De ondersteuning is af en toe zelfs wat boertige klinkende hoempapa of Verdi-dreun. Dan deint het samenspel vriendelijk uit met een tussenkomst van elk van de stemmen en wordt de melodie rustig en zachtaardig neergezet.
Deel twee begint met een vrij lange zeer gedragen moderato voorstelling van een zeer Slavisch klinkende melodie door de altviool solo, dan herhaald met de cello in pizzicato ondersteuning. De violen nemen het thema over en dan gaan de vier instrumenten samen verder variëren en met elkaar converseren. De alt krijgt een tweede beurt, de violen springen bij, dan ook de cello. Een nieuwe, dansende melodie ontspringt uit het samenspel, vederlicht, en meandert verder. De altviool brengt een laatste keer de melodie, met ten slotte eerst de cello in pizzicato, dan ook de violen in tegentijd. Een gitaaraanslag op de cello en dan de violen duidt het einde aan.
Het korte hevige derde deel, allegro molto, begint met de cello obstinaat op dezelfde noot, dan de violen met een eerder nerveuze, ingehouden versie van het thema, gespeeld en sourdine of met maar een halve strijkstok op de snaren. Het snelle samenspel met korte halen op de snaren lijkt wel een onderkoelde versie van Mendelssohn’s Midzomernachtdroom, met knorrende klanken als uit Vivaldi’s winter. Cello en alt hebben de bovenhand. Een innige, intense herhaling van de melodie, dan eindigt het samenspel mysterieus en iel in de vriesnacht.
Het vierde, allegro slotdeel begint met de vier strijkers samen, versnelt onmiddellijk en gaat ook steeds luider klinken, met de alt en de cello die de melodie dragen. De violen zingen erdoor heen in de hoogte en krijgen ook even de volle aandacht. Met hevige unisono halen van de strijkstok en speelse glissandi gaan we afwisselend zacht en luider naar de coda, hevig en enthousiast, met meer traditioneel klinkende harmonieën in de aanloop naar de gezamenlijke trotse open eindakkoorden als van een halfdronken dorpsfanfare op de zomerse kermis.
Zo, dat was het. Of iemand iets aan zo’n beschrijving heeft? Wie weet. Luisteren naar de muziek zelf is de boodschap. Er zijn talloze goede opnamen, op internet vond ik ongeveer 40 (!) versies beschikbaar op CD en er komen elk jaar wel een paar bij. Er is ook een bewerking voor kamerorkest van Rudolf Barshai, later meer daarover.
Dit is een momentopname van Sjostakovitsj als componist. We horen nog iets te weten over zijn jeugd en zijn eerste, vroege successen. Later gaan we verder met het tweede strijkkwartet, maar dan zijn we al in 1944.


















