Wilhem Tell


Zoals zondag na de middag onvermijdelijk opera brengt, zo was en is het ook op zaterdagavond. Ik kan me niet herinneren hoe lang al verscheidene radiostations zo rond acht uur een integrale opname van een opera brengen op zaterdagavond. Ik heb er al vaak naar geluisterd. Toen ik mijn eerste digitale satelliet-radiotuner kocht die vooral Duitse stations bracht in heerlijke en ongestoorde Cd-kwaliteit, was er steeds, tijdens het seizoen, de rechtstreekse uitzending vanuit de ‘Met’, de Metropolitan Opera House in New York. Het tijdverschil maakte dat we de matinee te horen kregen, de voorstelling van de vroege zaterdagmiddag ginds. De commentaarstem was typisch Amerikaans, met een pathos die onder meer Johan Van Cauwenberghe op de VRT heeft geïnspireerd. In de pauze was er een quiz, en je kon er ook thuis aan meedoen en tickets winnen…
Nu hebben we Mezzo, een muziekzender die je bij ons het best via Telenet bekijkt en beluistert, al moet je er een klein maandelijks extraatje voor veil hebben. En ja, hoor: op zaterdag is er opera!
Vorige zaterdag heb ik vier uur lang genoten van Rossini’s Guillaume Tell, een opname van 2003 in La Bastille, Parijs, met Thomas Hampson in de titelrol en minder bekende maar niet minder verdienstelijke zangers in de andere.
Gioachino Rossini (1792-1868) geniet nu niet bepaald mijn voorkeur als operacomponist, hij komt bij mij vér achter Puccini, Verdi, Strauss of Wagner. Waarschijnlijk lijd ik nog altijd een beetje aan de indigestie die ik opliep in 1992, toen de VRT, toen nog BRTN, zeker, de 200ste verjaardag van zijn geboorte meende te moeten herdenken met de integrale uitzending van ál zijn opera’s, elke zondagnamiddag, in plaats van het meer gevarieerde operaprogramma. Ik heb ze niet geteld, maar ik kan u verzekeren, het zijn er meer dan je na elkaar wil horen, week na week, ook al omdat ze nu niet bepaald uitblinken door hun onderlinge verschillen. Als je er één gehoord hebt, heb je letterlijk ook een paar andere gehoord, want zoals wel meer veelschrijvers was Rossini niet vies van enige recyclage van vroegere werken als hij tijd of inspiratie te kort kwam.
Het was dus met enig wantrouwen dat ik me zaterdag voor Tv zette, al viel er niet veel anders te rapen, zoals gewoonlijk. Al vlak na de ouverture die we zo goed kennen, werd ik geboeid door de groots opgezette productie, de overtuigende cast, de intelligentie regie, het volmaakte orkest. Opera op Tv (of Dvd, natuurlijk) is een beetje zoals film: je krijgt bijvoorbeeld close-ups die je in het theater onmogelijk kan verlangen, en als de protagonist een beeldige Thomas Hampson is, dan is dat een zeer overtuigende factor voor je betrokkenheid bij het verhaal.
Rossini woonde al jaren in Parijs toen hij in 1829 zijn Tell liet opvoeren, zijn eerste Franse opera, en meteen ook zijn laatste opera. Je merkt heel goed dat hij zich heeft laten beïnvloeden door de Parijse operavereisten: een belangrijke rol is weggelegd voor het koor en voor ensembles, er zijn leuke balletten in elke scène en je krijgt veel actie op het toneel, vooral met indrukwekkende ‘massa’-tonelen. Maar de vaste waarden van de Italiaanse opera, met de verplichte duo’s tussen de twee geliefden en de ‘grote’ aria’s van de protagonisten op de belangrijke momenten van de actie, komen eveneens ruim aan bod. Ook zuiver muzikaal is dit de meest moderne en dus interessante Rossini, met veel minder herhalingen en ook zonder het ronduit vervelende gehinnik dat je moet doorstaan bij de soms moeizame hedendaagse interpretatie van de versieringen die Rossini schreef voor de vaak lastige prima donna’s en verwaande hoge tenoren van zijn tijd.
Een onderwerp als het bekende verhaal van de Zwitserse vrijheidsstrijder Wilhelm Tell en zijn verzet tegen de Habsburgse bezetter, past natuurlijk perfect in de nationalistische, revolutionaire tijdsgeest rond 1830. Onze Belgische revolutie zou evengoed, of eigenlijk beter op gang gebracht kunnen zijn door dit meeslepende verhaal dan door La muette de Portici.
Een van de hoogtepunten is natuurlijk de scène waarin Tell een appel van het hoofd van zijn zoontje moet schieten om hun beider leven te redden. Ik weet niet hoe ze het doen, maar het leek net echt!
Ik vermeld nog dat het libretto steunt op het drama Wilhelm Tell (1804) van Friedrich von Schiller (1759-1805), die nu vooral bekend is omwille van An die Freude, door Beethoven op muziek gezet in zijn Negende. Voor Rossini was het de eerste en laatste keer dat hij een werk van Schiller als bron nam, maar Verdi (1813-1901, zijn eerste opera is van 1841, meer dan tien jaar na de laatste van Rossini) maakte er ruim gebruik van:
Giovanna d’Arco 1845 Die Jungfrau von Orleans 1801
I masnadieri 1847 Die Räuber 1781
Luisa Miller 1849 Kabale und Liebe 1784
La forza del destino 1862 Wallensteins Lager 1799
Don Carlos 1867 Don Carlos 1787

















